Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BI5173

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
106496
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot vernietiging bindend advies. Ontbinding en verdeling vennootschap drie broers. Vordering afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

ljs/mg

zaak- en rolnummer: 106496 / HA ZA 08-925

datum: 29 april 2009

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

Jacob [],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 18 november 2008,

advocaat mr. G.A.D. Dirks te Amsterdam

tegen:

1. Cees [] en

2. Gerard [],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. F.P. Klaver,

3. Gedaagde sub 3 [],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. H.B. de Regt.

Eiser zal verder ook worden genoemd Jacob. Gedaagden zullen verder respectievelijk ook worden genoemd Cees, Gerard en Gedaagde sub 3.

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

1.1 Jacob heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de dagvaarding, waarbij 14 producties zijn overgelegd.

1.2 Cees en Gerard hebben een conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie genomen. Cees en Gerard hebben daarbij 22 producties overgelegd.

Gedaagde sub 3 heeft eveneens een conclusie van antwoord genomen, voorzien van één productie.

1.3 Bij vonnis van 28 januari 2009 heeft de rechtbank bij tussenvonnis een comparitie van partijen gelast.

Bij gelegenheid van de comparitie heeft Jacob op 20 maart 2009 een conclusie van antwoord in reconventie, met één productie, genomen.

Voorafgaande aan de comparitie heeft Jacob nog nadere producties (16 tot en met 52) aan de rechtbank en wederpartij toegezonden.

Ter zitting is gebleken dat Cees op 28 januari 2009 is overleden. De schorsing van de procedure tegen hem is niet op de voorgeschreven wijze ingeroepen. Het geding wordt daarom ingevolge het bepaalde in artikel 225 lid 2 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering op naam van de oorspronkelijke partij voortgezet. Overigens lijkt dit ook de wens van partijen te zijn.

Van de comparitie van partijen is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 Ten slotte is door partijen aansluitend aan de comparitie van partijen vonnis gevraagd, welk vonnis is bepaald op heden.

2. DE FEITEN

Tussen partijen staat het volgende vast:

a. Jacob, Cees en Gerard Achternaam zijn broers. Zij oefenden met elkaar een familiebedrijf uit. Het bedrijf was actief in de teelt en handel van bloembollen en aanverwante producten in binnenland en buitenland.

Op 26 september 1964 hebben zij een naamloze vennootschap opgericht. De broers werden ieder directeur en voor één derde aandeelhouder. Nadien is de naamloze vennootschap op 17 oktober 1972 omgezet in een besloten vennootschap: Gebroeders Achternaam BV.

b. In de loop van de jaren '80 wensten de aandeelhouders afspraken te maken over voortzetting van de onderneming, in het bijzonder door de ondernemingen van hun kinderen. Bij het maken van die afspraken is tussen de aandeelhouders onenigheid ontstaan. Deze onenigheid heeft geleid tot verschillende procedures tussen de broers.

c. Jacob is op 10 augustus 1998 als directeur ontslagen.

d. Gedurende de periode van 1998 tot 2002 hebben partijen diverse vergeefse pogingen verricht om tot een minnelijke regeling te komen.

e. Bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 19 mei 2002 is de vennootschap ontbonden. Daarbij is de heer P. Tummers tot vereffenaar benoemd. Tummers is op 18 oktober 2003 overleden. Nadien is Gedaagde sub 3 tot vereffenaar benoemd en vanaf 22 juli 2004 is hij als zodanig opgetreden.

f. Bij hetzelfde besluit als waarbij hij tot vereffenaar is benoemd, is door Jacob, Cees en Gerard aan Gedaagde sub 3 op 22 juli 2004 tevens de opdracht (hierna: "de Opdracht") gegeven een bindend advies uit te brengen om de tussen de broers bestaande zakelijke geschillen te beslechten. Jacob heeft 24 geschilpunten ingebracht, Gerard 14, Cees 10 en Gerard en Cees gezamenlijk 4. In totaal dus 52 geschilpunten.

g. Op 14 december 2004 heeft Jacob een "Aanvulling op bindend advies" (hierna: "de Aanvulling") ondertekend. Dit geschrift luidt - voor zover nu relevant - als volgt:

"De ondergetekenden (...)

In overweging nemende dat:

- ondergetekenden bij overeenkomst, getekend op 22 juli 2004 Gedaagde sub 3 hebben benoemd tot bindend adviseur in de geschilpunten welke tussen ondergetekenden onderling zijn ontstaan of eventueel nog mochten ontstaan en/of tussen een of meer ondergetekenden en Gebroeders Achternaam B.V. in liquidatie, zoals nader in voormelde overeenkomst omschreven;

- in bepaling 4 van voormelde overeenkomst weliswaar is opgenomen dat de manier van behandeling van de geschillen door de bindend adviseur wordt vastgesteld, maar dat in die overeenkomst niet expliciet is opgenomen welke onderzoeken de bindend adviseur eventueel nog dient te verrichten alvorens een bindend advies uit te brengen;

- tijdens gevoerd overleg tussen de aandeelhouders en mr. W.F.M. Gedaagde sub 3 door laatstgenoemde is aangegeven dat niet van hem gevraagd kan worden dat hij onderzoeksrapporten zal opstellen dan wel uitgebreid nieuw onderzoek zal doen;

- mr. W.F.M. Gedaagde sub 3 zich bij de beoordeling van de geschilpunten zal mogen baseren op uitgebrachte stukken;

- alle aandeelhouders zich mondeling hiermee akkoord hebben verklaard;

- ter voorkoming van mogelijke onduidelijkheden op dit punt mr. W.F.M. Gedaagde sub 3 wenst dat een en ander schriftelijk wordt vastgelegd,

Verklaren:

ermee akkoord te gaan dat de heer Gedaagde sub 3 zijn bindend advies of bindende adviezen kan uitbrengen zonder dat hij onderzoeksrapporten zal opstellen dan wel uitgebreid nieuw onderzoek zal doen en derhalve zijn beslissingen kan nemen op basis van de aanwezige stukken, zijn eigen bevindingen en der verdere gronden, uitsluitend ter zijner beoordeling."

Gerard en Cees hebben dit stuk op 3 januari 2007 ondertekend.

h. Bij wijze van concept advies heeft de bindend adviseur op 9 juni 2006 aan de betrokken partijen een "Aanzet bindend advies" (hierna: "de Aanzet") gezonden, voorzien van een aantal door partijen te beantwoorden vragen. Bovendien zijn partijen in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 30 december 2006 een nadere toelichting te geven op hun eerder ingenomen standpunten. In die Aanzet heeft de bindend adviseur tevens volgens de aan hem gegeven opdracht een procesreglement opgenomen.

Cees en Gerard hebben binnen de daarvoor gestelde termijn op de Aanzet gereageerd.

Tussen de inmiddels voor Jacob optredende advocaat mr. Dirks en de bindend adviseur heeft enige correspondentie plaatsgevonden, maar binnen de gestelde termijn is niet op de vragen van de bindend adviseur gereageerd. Bij brief d.d. 31 maart 2007 heeft mr. Dirks dat alsnog gedaan. De bindend adviseur heeft meegedeeld ondanks de termijnoverschrijding rekening te houden met de inhoud van die reactie.

i. De bindend adviseur heeft partijen vervolgens uitgenodigd voor een mondelinge behandeling, vastgesteld op 28 juni 2007. Partijen hebben echter afgezien van deze mondelinge behandeling. Wel hebben zij hun standpunten naar voren gebracht in pleitnotities van 13 augustus 2007. Bij brieven van 27 augustus 2007 hebben partijen vervolgens nog gereageerd op elkaars standpunten.

j. Op 12 september 2007 heeft een vergadering van aandeelhouders plaatsgevonden, waarbij de broers Jacob (met zijn advocaat mr. Dirks) en Gerard en Cees (met hun advocaat mr. Klaver) aanwezig waren. Over de inhoud van de notulen van die vergaderingen is tot en met 31 oktober 2007 gesteggeld tussen partijen.

k. In de eerste helft van 2008 heeft mr. Blanco Fernández getracht een minnelijke schikking tussen partijen tot stand te brengen. Dat is niet gelukt, waarna partijen aan de bindend adviseur gevraagd hebben om het bindend advies te geven.

Op 19 augustus 2008 heeft Gedaagde sub 3 zijn schriftelijk bindend advies aan partijen doen toekomen.

3. HET GESCHIL

in conventie

3.1 Jacob vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het bindend advies van 19 augustus 2008 zal vernietigen, onder gelijktijdige veroordeling van Cees en Gerard om binnen vijf dagen na betekening van het te wijzen vonnis mee te werken aan het ongedaan maken van alle krachtens het bindend advies verrichte rechtshandelingen, onder verbeurte van een dwangsom van euro 25.000,- voor elke dag dat Cees en Gerard daarmee in gebreke blijven, met een maximum van euro 1.000.000,- en tevens Cees en Gerard te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2 Jacob heeft daaraan - verkort en zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd dat zijn gebondenheid aan de beslissingen in het bindend advies naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat geldt zowel in verband met de wijze van totstandkoming van dat bindend advies, als in verband met de inhoud ervan.

3.3 Cees en Gerard hebben de vordering en de onderbouwing daarvan weersproken op gronden die hierna, voor zover van belang, aan de orde zullen komen.

3.4 Gedaagde sub 3 heeft als verweer aangevoerd dat tegen hem geen vordering is ingesteld.

in reconventie

3.5 Cees en Gerard vorderen dat het de rechtbank behage om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I.Jacob te veroordelen tot nakoming van het bindend advies d.d. 19 augustus

2008 in die zin dat Jacob al het nodige doet c.q. nalaat om tot correcte en

tijdige uitvoering te komen van dat bindend advies, in het bijzonder de

beslissingen genoemd onder hoofdstuk 4 op pagina 50 van dat advies, alsmede

de daaruit voortvloeiende beslissingen voor zover strekkende tot uitvoering van

de voornoemde beslissingen, waaronder het besluit tot verkoop en levering van

de onroerende zaak, een stuk land, kadastraal bekend gemeente Venhuizen, G 47, groot 12 ha, 1 a, 80 ca aan Gerard tegen de overeengekomen prijs van

euro 391.000,-;

II.te bepalen dat Jacob een dwangsom verbeurt jegens Cees en Gerard van

euro 10.000,- voor elke dag of gedeelte van een dag dat Jacob in verzuim is gevolg te geven aan de uitvoering van enig deel van de uit te spreken veroordeling;

III.indien de beslissingen in het bindend advies betrekking hebben op de

overdracht van onroerende zaken: Cees en Gerard gezamenlijk te machtigen

namens Jacob alle noodzakelijke (rechts)handelingen te verrichten om tot de

betreffende levering te komen;

IV. te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van een tot levering van het betreffende recht bestemde akte - of van een deel van een zodanige akte - dan wel dat door de onder III. aangewezen vertegenwoordigers de noodzakelijke handeling zal worden verricht;

V.Jacob te veroordelen in de proceskosten.

3.6 Cees en Gerard hebben daaraan - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

Alle drie partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten. In het kader daarvan hebben zij de bindend adviseur opdracht gegeven om een bindend advies te geven, dat partijen zullen opvolgen. Het tot stand gekomen bindend advies is het resultaat van die opdracht en het dient te worden nagekomen. Jacob heeft laten weten het bindend advies niet te zullen nakomen. Cees en Gerard stellen dat zij daarom recht en belang bij hun vorderingen hebben.

3.7 Jacob heeft de vordering en de onderbouwing daarvan weersproken op gronden die hierna, voor zover van belang, aan de orde zullen komen.

4. DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

in conventie

I. De procedure van Jacob tegen zijn broers Cees en Gerard

4.1 Partijen nemen terecht tot uitgangspunt, dat de opdracht tot het geven van een bindend advies in deze zaak moet worden beschouwd als een tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst. De vordering tot vernietiging van het bindend advies zal daarom moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond van artikel 7: 904 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dat betekent dat slechts sprake kan zijn van vernietiging van het bindend advies, indien gebondenheid van een partij - in dit geval Jacob - aan dat advies naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het onaanvaardbare kan liggen in de wijze van totstandkoming van het advies of in de inhoud ervan. Jacob heeft zowel ter zake van de totstandkoming als ter zake van de inhoud aangevoerd dat er sprake is van zodanige ernstige verzuimen, dat het onaanvaardbaar is dat hij aan het bindend advies gebonden zal zijn.

De rechtbank zal hierna de afzonderlijke argumenten van Jacob beoordelen.

De wijze van totstandkoming van het bindend advies

4.2 In artikel 4 van de Opdracht is bepaald dat de manier van behandeling van geschillen door de bindend adviseur wordt vastgesteld. Volgens datzelfde artikel dienden partijen wel op voorhand te worden geïnformeerd over de procesorde.

In de Aanzet heeft de bindend adviseur een door hem opgesteld procesreglement aan partijen meegedeeld.

4.3 In het procesreglement is geen termijn opgenomen, waarbinnen het bindend advies gegeven moet worden. Gelet op de chronologie, die hiervoor bij de vaststaande feiten onder 2.f tot en met 2.k is weergegeven, is ook geen sprake van een onaanvaardbaar lange periode tussen de opdracht aan de bindend adviseur en het uiteindelijke bindend advies, zoals Jacob stelt.

Dat geldt temeer nu het ook Jacob is geweest, die voor vertraging heeft gezorgd. Jacob heeft pas drie maanden na het verstrijken van de reactietermijn op de Aanzet gereageerd, hij heeft in juni 2007 gevraagd aan Gedaagde sub 3 om een algemene vergadering van aandeelhouders uit te schrijven en hij heeft in december 2007 Gedaagde sub 3 in zijn hoedanigheid van vereffenaar aansprakelijk gesteld.

4.4 Een tweede bezwaar geldt het argument van Jacob dat Gedaagde sub 3 geen onderzoek heeft gedaan, zoals Jacob heeft gewenst. Jacob heeft aangevoerd dat hij uitging van de veronderstelling, die ook aan het ontbindingsbesluit van 2002 ten grondslag lag, namelijk dat er nog nader onderzoek zou worden verricht naar de geschilpunten, die Jacob ter beslissing heeft voorgelegd.

De rechtbank leidt uit de overgelegde stukken en de verklaring van Jacob ter zitting af, dat dit punt voor hem een groot struikelblok vormt om het bindend advies te accepteren. De bindend adviseur is er niet in geslaagd om het wantrouwen van Jacob ten opzichte van Cees en Gerard weg te nemen. De vraag is of de bindend adviseur gehouden was om het onderzoek te verrichten, dat Jacob wenste.

Daargelaten of het nader te verrichten onderzoek uit het ontbindingsbesluit van 2002 volgt, neemt de rechtbank bij de beoordeling van de vordering slechts tot uitgangspunt wat partijen ter beëindiging van hun onderlinge geschillen op 22 juli 2004 met elkaar zijn overeengekomen in de Opdracht aan de bindend adviseur.

Uit die overeenkomst blijkt niet van het doen van nader onderzoek of het aanvullen van de administratie van de vennootschap door de bindend adviseur.

Ter zitting heeft Gedaagde sub 3 verklaard dat de aandeelhouders bij de opdracht aan hem ermee hebben ingestemd dat hij geen nader onderzoek zou doen. Dat is niet betwist door Jacob. Bovendien staat een en ander nog eens uitdrukkelijk vermeld in de Aanvulling van december 2004. Jacob heeft erkend dat hij die Aanvulling heeft ondertekend en heeft ter zitting daaraan toegevoegd dat dat niet onder druk is gebeurd, zoals in de dagvaarding nog namens hem werd gesteld.

In het bindend advies heeft Gedaagde sub 3 het niet ingaan op de verzoeken van Jacob nog als volgt gemotiveerd:

"De bindend adviseur acht het niet wenselijk om, zoals Jacob bij verschillende gelegenheden heeft verzocht, opdracht te geven tot aanvulling van de administratie van de vennootschap daar waar deze beweerdelijk tekortschiet. Aan Jacob kan worden toegegeven dat het afgeven van een oordeel op basis van een op sommige punten mogelijk onvolledige administratie niet ideaal is. Daar tegenover staan de volgende omstandigheden. De geschilpunten die ter beslechting voorliggen bestrijken een zeer lange tijdspanne. Het is zeer de vraag of alle relevante stukken achterhaald kunnen worden. De kosten en moeite die gemoeid zijn met het reconstrueren van de administratie zullen naar alle waarschijnlijkheid aanmerkelijk zijn. Partijen hebben de gelegenheid gehad om ontbrekende stukken aan te leveren c.q. aan te vullen. De reconstructie van de administratie vereist de medewerking van partijen en, hoogstwaarschijnlijk, ook van anderen, zoals de kinderen van Jacob respectievelijk Gerard. Het is gebleken dat die medewerking niet valt te verwachten."

Mede gelet op het karakter van een bindend advies, is de rechtbank met de bindend adviseur van oordeel dat hij onder deze omstandigheden niet hoefde in te gaan op de verzoeken van Jacob tot het doen van nader onderzoek en het aanvullen van de administratie van de vennootschap.

4.5 Jacob heeft ook aangevoerd dat Gedaagde sub 3 laakbaar heeft gehandeld door voorbij te gaan aan het verzet van Jacob tegen de handgeschreven aantekeningen op de Opdracht en doordat Gedaagde sub 3 Jacob onder druk zou hebben gezet om de Aanvulling te ondertekenen.

Van enig verzet tegen de door de broers gemaakte handgeschreven aantekeningen op de Opdracht is niet gebleken. Sterker, alle handgeschreven aantekeningen zijn voorzien van de drie parafen van de broers.

Hiervoor is onder 4.4 al overwogen dat Jacob ter zitting heeft erkend dat hij de Aanvulling niet onder druk heeft getekend.

Daarom wordt aan dit standpunt van Jacob verder voorbijgegaan.

De inhoud van het bindend advies

4.6 De bindend adviseur heeft beslist dat hij de balans van de vennootschap per 1 juli 2008 heeft vastgesteld volgens bepaalde criteria. Jacob voert aan dat die beslissing in strijd is met het bepaalde in het ontbindingsbesluit en de Opdracht omtrent de vaststelling van de jaarrekening van de vennootschap.

Dat standpunt van Jacob wordt verworpen. Gedaagde sub 3 heeft immers niet de jaarrekening van de vennootschap vastgesteld, maar (slechts) de balans. Indien de bindend adviseur niet van een door hem vastgestelde balans zou mogen uitgaan, wordt de opdracht tot het geven van een bindend advies voor een groot deel zinledig, gelet op een groot aantal van de te beslechten geschilpunten.

4.7 Ten aanzien van een stuk grond (aan partijen bekend als "perceel G 3482") heeft de bindend adviseur het volgende overwogen (blz. 23 van het bindend advies):

"De bindend adviseur stelt vast dat de B.V. het stukje grond G: 3482 bewust niet tezamen met de A-schuur heeft verkocht aan [] (opmerking rechtbank: de zonen van Gerard). Het perceel is door Jacob namens de B.V. verkocht aan [] (opmerking rechtbank: de zonen van Jacob) zonder de goedkeuring van Kees en Gerard. (...) Jacob heeft op geen enkele wijze duidelijk gemaakt op grond waarvan hij meende te kunnen meewerken aan de overdracht van dit perceel aan []. Het perceel G: 3482 is door Kwantes getaxeerd op euro 20.000,-."

Conclusie ten aanzien van G: 3482

Jacob krijgt tot drie weken na het uitbrengen van dit bindend advies de tijd om het ertoe te leiden dat dit perceel om niet, kosten koper, wordt overgedragen aan de B.V. Het perceel zal aan Gerard worden toegedeeld voor euro 20.000,-. Indien Jacob niet binnen de aangegeven drie weken aan zijn verplichting voldoet, zal zijn rekening-courant met de B.V. worden gedebiteerd met een bedrag van euro 100.000,-. Van dit bedrag zal euro 20.000,- aan de B.V. worden toegedeeld en euro 80.000,- aan Gerard, ter compensatie voor de waardedaling van de A-schuur als gevolg van de handelwijze van Jacob ten aanzien van G: 3482."

Jacob voert hiertegen aan dat hij geen eigenaar is van de onroerende zaak en dus niet aan die beslissing kan worden gehouden en al helemaal niet dat hij een boete zal verbeuren, als hij niet nakomt.

Ook dat standpunt wordt verworpen. De beslissing luidt niet dat Jacob het perceel moet overdragen, maar dat hij het ertoe zal leiden dat dit gebeurt. Daarvoor dient Jacob bij [] te zijn. De bindend adviseur kon binnen de marges van zijn bevoegdheid beslissen tot het opleggen van een boete bij niet-nakoming. Jacob heeft immers onrechtmatig gehandeld door de levering van het perceel aan [].

Daarbij komt dat de boete niet een buitensporige prikkel tot nakoming is van een verplichting die Jacob niet zelf in de hand heeft, maar dat die boete tevens geldt als financiële compensatie van de gevolgen van het niet terugdraaien van de als onrechtmatig gekwalificeerde transactie.

4.8 Ter zake van de handel met het Oostblok door de vennootschap heeft Gedaagde sub 3 in het bindend advies uitvoerig (bladzijden 39 tot en met 46) weergegeven wat de standpunten van partijen zijn. Tevens heeft hij de reacties van partijen op elkaars standpunten duidelijk weergegeven. Uiteindelijk heeft hij na afweging van alle standpunten een beslissing genomen, waarbij op onderdelen Cees en Gerard in het ongelijk zijn gesteld en op onderdelen Jacob. Die afweging is naar het oordeel van de rechtbank op zorgvuldige wijze geschied.

Bij die afweging heeft Gedaagde sub 3 uitdrukkelijk stilgestaan bij het ontbreken van de nodige administratie ter zake van de handel met het Oostblok. Daarbij heeft hij onder meer verwezen naar de inhoud van eerdere brieven van mr. De Jong, destijds advocaat van de vennootschap.

De uiteindelijke beslissing luidt dat alle vorderingen van de vennootschap alsmede mogelijke schulden jegens Oost-Europese afnemers aan Jacob worden toebedeeld. De bindend adviseur heeft dat als volgt gemotiveerd (blz. 45):

"Nu Jacob belast is met het risico, verbonden aan de transacties in het Oostblok acht de bindend adviseur het billijk ook mogelijke voordelen uit die transacties aan Jacob toe te wijzen onder gehoudenheid om mogelijke hiermee verband houdende schulden te voldoen."

Deze beslissing is in lijn met een andere beslissing in het bindend advies, namelijk de toedeling van alle vorderingen en schulden ter zake van de handel van de vennootschap met Engeland aan Cees, omdat Cees voor die handel verantwoordelijk was.

4.9 Jacob voert verder aan dat de toedeling van ook schulden aan Jacob in strijd is met het ontbindingsbesluit, omdat daarvan de grondgedachte is dat alleen vorderingen op derden aan de aandeelhouders kunnen worden toebedeeld. Daargelaten of dit juist is, gaat de rechtbank aan dit standpunt voorbij. Zoals hiervoor onder 4.4 is overwogen, neemt de rechtbank slechts de Opdracht tot uitgangspunt van haar beoordeling. Uit de Opdracht blijkt niet van een beperking, zoals door Jacob wordt aangevoerd.

4.10 Uit het voorgaande volgt dat geen van de door Jacob aangevoerde gronden - niet afzonderlijk en ook niet in onderling verband - leidt tot het oordeel dat het onaanvaardbaar is om hem aan de inhoud van het bindend advies te houden.

De vordering zal daarom worden afgewezen. Jacob zal, als in het ongelijk gestelde partij, tot betaling van de proceskosten worden veroordeeld. Voor de bepaling van de bijdrage in het salaris van de advocaat zal de rechtbank aansluiten bij tarief IV, behorende bij vorderingen met een geldswaarde van tot euro 98.000,-.

II. De procedure van Jacob tegen Gedaagde sub 3

4.11 In de conclusie van antwoord heeft Gedaagde sub 3 allereerst opgemerkt dat hij weliswaar door middel van een dagvaarding in de procedure is betrokken, maar dat tegen hem geen vordering is ingesteld.

Ter zitting heeft de raadsman van Jacob met geen enkel woord gereageerd op dat verweer, ook niet nadat de raadsman van Gedaagde sub 3 dit op de zitting opnieuw onder zijn aandacht had gebracht.

De rechtbank constateert met Gedaagde sub 3 dat Jacob inderdaad geen vordering tegen hem heeft ingesteld. Het gevolg hiervan moet zijn, dat Jacob niet ontvankelijk zal worden verklaard. Jacob zal als de in het ongelijk gestelde partij tot betaling van de proceskosten worden veroordeeld.

in reconventie

4.12 In conventie is beslist dat het bindend advies niet zal worden vernietigd. Dat betekent dat het onder I. in reconventie gevorderde in beginsel toewijsbaar is. Die toewijzing zal echter in algemene zin worden gedaan en niet met de specifieke uitbreiding, die Cees en Gerard hebben gevorderd.

4.13 Jacob heeft reeds te kennen gegeven het bindend advies niet te zullen opvolgen. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om ook de gevorderde dwangsom toe te wijzen, zij het dat deze op de hierna te vermelden wijze zal worden aangepast;

4.14 Het onder III en IV gevorderde is op dit moment nog onvoldoende concreet om te kunnen toewijzen.

4.15 De toewijzing van een deel van de vorderingen in reconventie ligt zozeer in het verlengde van de beslissing in conventie, dat daarvoor geen afzonderlijke proceskostenveroordeling ten laste van een van de partijen zal worden uitgesproken. De eventueel gemaakte proceskosten zullen daarom worden gecompenseerd.

5.

DE BESLISSING

De rechtbank:

in conventie

I. De procedure van Jacob tegen Gerard en Cees

5.1 Wijst de vordering af;

5.2 Veroordeelt Jacob Achternaam tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Gerard en Cees, tot heden begroot op euro 254,- aan griffierecht en euro 1.788,- aan salaris voor de advocaat;

II. De procedure van Jacob tegen Gedaagde sub 3

5.3 Verklaart Jacob Achternaam niet-ontvankelijk;

5.4 Veroordeelt Jacob Achternaam tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Gedaagde sub 3, tot heden begroot op euro 254,- aan griffierecht en euro 1.788,- aan salaris voor de advocaat;

5.5 Verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie

5.6 Veroordeelt Jacob Achternaam tot nakoming van het bindend advies d.d. 19 augustus 2008 van mr. W.F.M. Gedaagde sub 3 in die zin dat Jacob Achternaam al het nodige doet c.q. nalaat om tot correcte en tijdige uitvoering te komen van dat bindend advies;

5.7 Bepaalt dat Jacob Achternaam jegens Cees en Gerard (gezamenlijk) een dwangsom verbeurt van euro 2.000,- per dag dat hij vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis in verzuim is gevolg te geven aan uitvoering van de onder 5.6 gegeven veroordeling, dit alles met een maximum van euro 100.000,-;

5.8 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9 Compenseert de proceskosten op die wijze, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.10 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 29 april 2009.