Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BI4785

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
257030 CV EXPL 08-383
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Agentuurzaak. Nederlands recht van toepassing, nu geen sprake is van een kantoor van de handelsagent in Duitsland. Onregelmatige opzegging wegens niet inachtnemen wettelijke opzegtermijn. Schadeplichtitgheid. Van dringende reden geen sprake, zodat ook de tweede opzegging (wegens dringende reden) met onmiddellijke ingang tot schadeplichtigheid leidt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0408
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 257030 \ CV EXPL 08-383 \RvK

Uitspraakdatum: 22 april 2009

Vonnis in de zaak van:

[naam]

gevestigd te [plaats]

eisende partij

verder ook te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. J.W.B. van Till, advocaat te Amsterdam

tegen

de besloten vennootschap [naam]

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats]

gedaagde partij

verder ook te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. K. Dadi, advocaat te Amsterdam.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 21 december 2007

- de akte houdende in het geding brengen producties;

- het op 13 februari 2008 uitgebrachte herstelexploot;

- de conclusie van antwoord in conventie/ eis in reconventie met producties;

- de conclusie van repliek in conventie/ antwoord in reconventie met producties;

- de conclusie van dupliek in conventie/ repliek in reconventie met producties;

- de conclusie van dupliek in reconventie met producties.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is de uitspraak bepaald op heden.

De vaststaande feiten

1. [eiser] is een professionele handelsagent. [gedaagde] is een bedrijf dat onder meer sfeerhaarden ontwikkelt en verkoopt.

2. Tussen partijen is medio 2000 (mondeling) een agentuurovereenkomst gesloten, waarbij [eiser] als handelsagent voor [gedaagde] zou optreden in Duitsland en Oostenrijk. De provisievergoeding voor [eiser] werd vastgesteld op 10%.

3. Op 30 augustus 2007 heeft [eiser] de agentuurovereenkomst per e-mail opgezegd

tegen 31 december 2007. De tekst van deze e-mail luidt- voor zover van belang- als volgt:

“wegens mijn leeftijd en mijn gezondheid kan redelijkerwijs niet meer van mij gevergd worden, de agentuurovereenkomst voort te zetten.

Ik ben derhalve genoodzaakt per 31 december 2007 de samenwerking te beeindigen.

Ik heb tot de einddatum recht op provisie van alle orders uit Duitsland en Oostenrijk en verzoek jou de afhandeling correct en de provisieoverboekingen, zoals gebruikelijk tot de 8ste van iedere maand te realisieren.

Uiteraard verwacht ik ook zoals gebruikelijk 2 x per week de post, om in staat te zijn tot het eind van dit jaar mij nog optimaal in te kunnen zetten.”

4. [gedaagde] reageert daar bij brief van 7 september 2007- voor zover van belang- als volgt op:

“Wij kunnen helaas niet anders dan jouw opzegging accepteren maar de consequenties zul je zelf moeten dragen.”

5. Daarna heeft (de gemachtigde van) [gedaagde] [eiser] per brief van 5 oktober 2007 op non-actief gesteld:

“Cliënte stelt HHM vanaf heden vrij van werkzaamheden. U hoeft geen werk meer te verrichten. Cliënte zal vanaf nu zelf de markt gaan bewerken. Zij verlangt haar klantenbestanden terug van u.”

6. Tevens deelt de gemachtigde van [gedaagde] mee dat [gedaagde] de overeengekomen provisie niet zal uitbetalen, maar deze reserveert. De reden hiervoor is de schadeplichtigheid van [eiser] wegens het niet inachtnemen van de wettelijke opzegtermijn en- kort gezegd- de schade wegens de concurrentie door de voormalige subagent van [eiser].

7. De gemachtigde van [eiser] heeft op 16 oktober 2007 per brief de overeenkomst wegens een dringende reden, met onmiddellijke ingang, opgezegd. De opgegeven reden bestond uit de weigering van [gedaagde] om de overeengekomen provisie te betalen en de voor de berekening van de provisie noodzakelijke stukken te verstrekken.

Het geschil

in conventie:

8. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan [eiser]:

I. te betalen een bedrag van EUR126.786,74 ter zake van “Ausgleich”;

II. te betalen een bedrag groot EUR 42.348,48 ter zake van schadevergoeding;

III. te betalen een bedrag groot EUR 18.438,13 ter zake van achterstallige provisie;

IV. binnen 14 dagen na wijzen van het vonnis inzage te verlenen in de nodige bewijsstukken ter zake van de door [gedaagde] ontvangen orders van afnemers in Duitsland en Oostenrijk gedurende de periode 1 januari 2006 tot en met 16 oktober 2007, teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen te komen tot vaststelling en exacte berekening van achterstallige provisie alsmede van de gevorderde bedragen sub I en sub II, [eiser] desgewenst bijgestaan door een deskundige, aanvaard door [gedaagde] dan wel benoemd door de Kantonrechter, één en ander op verbeurte van een dwangsom groot EUR 500,- per dag voor elke dag dat [gedaagde] nalatig is om mee te werken aan een haar veroordelend vonnis, te rekenen vanaf twee dagen na de datum van vonniswijzing;

V. te betalen het meerdere dat [gedaagde] verschuldigd zal blijken te zijn boven de “Ausgleich” en schadevergoeding als gevorderd onder de punten I en II, nadat [gedaagde] heeft voldaan aan het in sub IV gevorderde;

VI. te betalen de wettelijke rente ex art. 6:119 BW over de bedragen sub I en II vanaf 16 oktober 2007 tot de dag der algehele voldoening;

VII. te betalen de wettelijke handelsrente ex art. 6:119 a BW over de achterstallige provisie die verschuldigd zal blijken te zijn nadat [gedaagde] heeft voldaan aan het in sub IV gevorderde, vanaf de datum van opeisbaarheid van iedere afzonderlijke provisieverplichting tot aan de datum der algehele voldoening;

VIII. te betalen een bedrag groot EUR 1.800,- inclusief BTW ter zake van buitengerechtelijke kosten;

IX. te betalen de kosten van het onderhavige geding.

9. [eiser] stelt hiertoe, zakelijk samengevat, het volgende.

Partijen zijn geen rechtskeuze overeengekomen. Volgens het Haags Vertegenwoordigings-verdrag is dan het recht van toepassing van het land waarin de vertegenwoordiger ten tijde van het sluiten van de overeenkomst kantoor hield. [eiser] hield kantoor in [plaats], zodat Duits recht van toepassing is.

10. Hoewel [eiser] ervoor heeft gezorgd dat de omzet in Duitsland en Oostenrijk van nul is gegroeid naar circa

EUR 1.500.000,- is in de loop van 2007 de vertrouwensrelatie tussen partijen ernstig verstoord. [eiser] ontving niet langer meer tijdig de maandelijkse provisieafrekeningen van [gedaagde], evenmin ontving hij kopieën van facturen en orderbevestigingen, alsmede de provisie over de uitgevoerde en gefactureerde leveringen.

11. Klap op de vuurpijl was dat [eiser] medio augustus 2007 door een groot aantal afnemers in het vertegenwoordigingsgebied werd geïnformeerd over het feit dat zij bevestigingen van orders en facturen voor uitgevoerde leveringen van [gedaagde] ontvingen waarop de naam van [naam] stond vermeld als zijnde de handelsagent. Hiermee heeft [gedaagde] geprobeerd om een groot aantal leveringen buiten het zicht van [eiser] te houden en hem daarover de provisie te onthouden. Ondanks diverse gesprekken is hierin geen verbetering gekomen.

12. Deze en andere omstandigheden hebben [eiser] ernstig aangegrepen. [eiser] is 63 jaar oud en kampt als gevolg hiervan met hartproblemen die gedurende de laatste maanden ernstiger en steeds belastender zijn geworden. Dat heeft hem genoodzaakt de agentuurrelatie met [gedaagde] op 30 augustus 2007 te beëindigen.

13. [eiser] bleef na de beëindiging verstoken van iedere communicatie en kopieën van orders; orderbevestigingen en facturen ontving hij in het geheel niet meer. Een provisieafrekening voor de maand september 2007 bleef achterwege evenals betaling van de verschuldigde provisie voor die maand.

14. [gedaagde] heeft [eiser] op 5 oktober 2007 op non-actief werd gesteld. De raadsman van [eiser] heeft op 16 oktober 2007 de overeenkomst wegens dringende reden met onmiddellijke ingang opgezegd en daarbij aanspraak gemaakt op betaling van achterstallige provisie, klantenvergoeding (Ausgleich) en schadevergoeding.

15. [gedaagde] heeft verweer gevoerd, op welk verweer- voor zover van belang- bij de beoordeling van het geschil zal worden ingegaan.

in reconventie:

16. [gedaagde] vordert in reconventie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om:

I. voor recht te verklaren dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn contractuele- en wettelijke verplichtingen;

II. voor recht te verklaren dat [eiser] aansprakelijk is voor de door [gedaagde] geleden schade ten gevolge van diens toerekenbare tekortkomingen;

III. [eiser] te veroordelen om ten aanzien van de schending van de informatieplicht- tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen de som van EUR 56.999,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van de eis in reconventie, zijnde 23 april 2008, tot aan de dag der algehele betaling;

IV. [eiser] te veroordelen om- ten aanzien van de weigering om gehoor te geven aan de verantwoorde aanwijzingen van [gedaagde]- tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen een schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 22 mei 2007 tot aan de dag der algehele betaling;

V. [eiser] te veroordelen om- ten aanzien van de onregelmatige opzeggingen- tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen de som van EUR 42.348,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2007 tot aan de dag der algehele betaling;

VI. [eiser] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad EUR1.788,-;

VII. kosten rechtens.

17. [gedaagde] stelt hiertoe, zakelijk samengevat, het volgende.

[eiser] is tekort geschoten in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen. Hij heeft ten eerste de op hem rustende informatieplicht geschonden. [eiser] heeft nagelaten [gedaagde] te informeren over de concurrerende werkzaamheden van de voormalige subagent [...] [eiser]. [gedaagde] heeft zich als gevolg van dit nalaten niet tegen deze concurrentie kunnen wapenen. De schade als gevolg hiervan bedraagt EUR 56.999,30.

Ten tweede heeft [gedaagde] schade geleden als gevolg van de weigering van [eiser] om verantwoorde aanwijzingen van [gedaagde] met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst op te volgen. Indien [eiser] de instructie had opgevolgd om vaker klanten te bezoeken, was de omzet hoger geweest. De ervaring leert namelijk dat klanten sneller geneigd zijn om orders te plaatsen wanneer deze vaker door verkopers worden bezocht.

Ten derde heeft [gedaagde] schade geleden als gevolg van de onregelmatige opzegging door [eiser]. [eiser] heeft tot tweemaal toe de overeenkomst onregelmatig opgezegd. Daarbij is van belang dat de opzeggingen plaatsvonden vlak voor het winterseizoen, het belangrijkste seizoen. Klanten hebben zich- bij gebrek aan aanspreekpunt- gewend tot de concurrenten van [gedaagde]. Door de onregelmatige opzeggingen heeft [gedaagde] voor een bedrag van EUR 42.348,48 schade geleden.

18. [eiser] heeft tegen de reconventionele vordering verweer gevoerd, op welk verweer- voor zover van belang- bij de beoordeling van het geschil zal worden ingegaan.

De beoordeling

Toepasselijk recht

19. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag welk recht van toepassing is op hun onderlinge rechtsverhouding. [eiser] stelt dat Duits recht van toepassing is; [gedaagde] meent dat Nederlands recht van toepassing is.

20. Zoals partijen in hun conclusies hebben aangegeven, zijn partijen geen rechtskeuze overeengekomen. Artikel 6, lid 1 van het Haags Vertegenwoordigingsverdrag schrijft- samengevat- voor dat geval voor dat van toepassing is het recht van het land waar de agent op het tijdstip van het aangaan van de agentuurverhouding zijn kantoor heeft, dan wel, bij gebreke daarvan, zijn gewone verblijfplaats heeft.

21. Vaststaat dat [eiser] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zijn gewone verblijfplaats had in Haaksbergen, Nederland.

[eiser] stelt echter dat hij destijds kantoor hield in Duitsland, hetgeen tot de slotsom zou leiden dat Duits recht van toepassing is op de agentuurverhouding tussen partijen. [gedaagde] betwist dat [eiser] kantoor hield in Duitsland.

22. De kantonrechter stelt voorop dat de term “kantoor” als gebruikt in artikel 6 lid 1 van het Haags Vertegenwoordigingsverdrag, niet nader is gedefinieerd. In de Engelse tekst luidt de omschrijving: “business establishment”, en in de Franse tekst luidt de omschrijving: “établissement professionnel”. Deze laatste omschrijvingen duiden, meer dan de kale term “kantoor” in de Nederlandse tekst, op een vestiging van waaruit de vertegenwoordiger zijn commerciële activiteiten ontplooit.

23. Tussen partijen staat vast dat het “kantooradres” waarvan [eiser] zich in Duitsland bediende, een woonhuis betreft. Het betreft het woonadres van de heer Niemeier, de Duitse belastingadviseur (Steuerberater) van [eiser].

[eiser] heeft gesteld dat hem kantoorruimte ter beschikking stond op het genoemde adres. Niemeier heeft in dit verband ook een schriftelijke verklaring ten behoeve van [eiser] afgelegd, waarin Niemeier aangeeft dat hij vanaf 1997 [eiser] als handelsvertegenwoordiger kantoorruimte ter beschikking (Büroraum zu Verfügung) heeft gesteld op het adres in Duitsland.

De kantonrechter is van oordeel dat de stellingen van [eiser] en de gegevens die hij daartoe heeft voorgelegd, in ieder geval nopen tot de slotsom dat [eiser] vanwege fiscale motieven (zoals het verkrijgen van een BTW-nummer) een ondernemingsadres in Duitsland heeft opgegeven. De verklaringen van de werknemers van [gedaagde] die [gedaagde] in dit verband in het geding heeft gebracht, sluiten aan bij dit oordeel.

24. Een en ander is echter onvoldoende om in de rechtsverhouding jegens [gedaagde] aan te nemen dat sprake is geweest van een kantoor in de zin van genoemd artikellid. Zoals gezegd dient daartoe tevens komen vast te staan dat er sprake is geweest van de ontplooiing van commerciële activiteiten vanuit deze vestiging. Daartoe heeft [eiser] hoegenaamd niets gesteld.

25. De kantonrechter overweegt voorts in dit verband dat [eiser] niet heeft betwist de stelling van [gedaagde] dat zij altijd al haar correspondentie en faxberichten zond aan het adres van [eiser] in Haaksbergen en dat [gedaagde] altijd in Haaksbergen bij [eiser] op bezoek ging. Ook heeft [eiser] niet bestreden de stelling van [gedaagde] dat zijn echtgenote- vanuit Haaksbergen- zorgde voor de secretariële ondersteuning.

Het briefpapier waarvan [eiser] zich bedient, vermeldt- op een enkel mobiel telefoonnummer na- slechts telefoon- en faxnummers op aansluitingen in Nederland, die gelet op het netnummer dan aansluitingen in Haaksbergen zullen betreffen. Voorts vermeldt het briefpapier van [eiser] slechts een postadres in Duitsland en (weliswaar onder de melding: “Privat”) een volledig adres in Haaksbergen.

Voorts constateert de kantonrechter dat [eiser] een klantenlijst van zijn Duitse klanten heeft overgelegd, waarbij de telefoonnummers alle met “0049” dan wel “+49” aanvangen, hetgeen ook duidt op een benadering van deze nummers vanuit een Nederlandse vestiging. Gelet op deze gegevens en het uitblijven van stellingen van [eiser] ten aanzien van daadwerkelijke commerciële activiteiten vanuit het adres te Duitsland, komt de kantonrechter tot de slotsom dat gelet op artikel 6, lid 1 van het Haags Vertegenwoordigingsverdrag, Nederlands recht op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is.

De beëindiging van de agentuurverhouding tussen partijen

26. Vaststaat dat, gelet op de uitlating van [eiser] bij bovenaangehaalde e-mail van 30 augustus 2007, [eiser] destijds de agentuurovereenkomst tussen partijen heeft opgezegd tegen 31 december 2007. De agentuurverhouding tussen partijen stamt vanaf medio 2000, hetgeen meebrengt dat [eiser] bij de opzegging niet de termijn in acht heeft genomen van zes maanden, zoals die voortvloeit uit artikel 7:437 BW. Aldus is sprake van een onregelmatige opzegging van de kant van [eiser].

27. Bij brief van 5 oktober 2007 heeft de gemachtigde van [gedaagde] aan [eiser] gemeld dat [eiser], nu hij de wettelijke opzegtermijn niet in acht heeft genomen, schadeplichtig is jegens [gedaagde]. [gedaagde] heeft daarbij gemeld dat [eiser] is vrijgesteld van zijn verplichtingen en dat zij haar provisieverplichtingen jegens [eiser] zal reserveren. Aldus heeft zij haar verplichtingen opgeschort, waarbij zij als redenen heeft aangegeven- kort gezegd- de compensatie van de nadelige (rechts-)gevolgen van de onregelmatige opzegging door [eiser] en de schade die [gedaagde] lijdt als gevolg van onrechtmatig concurrerend handelen van een voormalig subagent van [eiser], de zoon van [eiser].

28. [eiser] heeft vervolgens in de brief van zijn gemachtigde van 16 oktober 2007 de overeenkomst wegens een dringende reden met onmiddellijke reden opgezegd. Aanleiding voor deze opzegging was, zo valt te lezen op pagina 5 van genoemde brief, dat uit de brief van [gedaagde] van 5 oktober 2007 was gebleken dat zij niet langer haar verplichtingen voortvloeiende uit de agentuurovereenkomst jegens [eiser] wilde nakomen.

29. Van de in de brief van [eiser] d.d. 16 oktober 2007 genoemde dringende reden is naar het oordeel van de kantonrechter echter geen sprake.

Zo ontleende [eiser]- zoals uit het voorgaande blijkt: ten onrechte- een aantal van zijn standpunten aan de toepasselijkheid van Duits recht. [eiser] verwees voorts naar omstandigheden die hem al in augustus 2007 bekend waren en die destijds geen aanleiding vormden de overeenkomst op grond van een dringende reden te beëindigen.

Bovendien nam [gedaagde] in haar brief van 5 oktober 2007 tot uitgangspunt een bereidheid af te rekenen met [eiser], op basis van diens (onregelmatige) opzegging. [gedaagde] deed echter tevens een beroep op de opschorting van haar verplichtingen, vanwege de hiervoor beschreven omstandigheden. Indien vast komt te staan dat deze opschorting terecht was, staat een en ander in de weg aan het bestaan van een dringende reden. Dan is er tevens sprake van een (tweede) onregelmatige opzegging door [eiser], waarvan de gevolgen per 16 oktober 2007 intreden.

In het hiernavolgende zal beoordeeld worden of [gedaagde] zich terecht op opschorting heeft beroepen.

30. [gedaagde] stelt dat [eiser] schadeplichtig is vanwege het niet-inachtnemen van de juiste opzegtermijn en vanwege de concurrentie die haar door de voormalig subagent van [eiser] is aangedaan. In het voorgaande is reeds voorop gesteld dat de opzegging van [eiser] onregelmatig was. Immers de termijn van de eerste opzegging was twee maanden te kort. Daaruit volgt een compensatieverplichting van [eiser].

Tevens is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] in oktober 2007 uit mocht gaan dat zij schade leed vanwege de concurrentie door de subagent van [eiser], hetgeen [eiser] eveneens schadeplichtig zou maken. Met inachtneming van de hieronder te bespreken schadeposten is voorts geen sprake geweest van een grote discrepantie tussen de (vermeende) schade en de omvang van de provisieverplichting die door [gedaagde] werd opgeschort. Aldus is het beroep op opschorting van de provisieverplichtingen als gedaan bij brief van 5 oktober 2007 terecht gedaan.

De vordering in conventie:

31. Beoordeeld dient te worden of [eiser] recht op schadevergoeding heeft. Voor het recht op schadevergoeding geldt het bepaalde in artikel 7:441 BW. Dit houdt in dat de partij die ter zake de opzegging schadeplichtig is geworden aan de wederpartij een schadevergoeding verschuldigd is, gelijk aan de beloning over de tijd dat de agentuurovereenkomst bij een regelmatige beëindiging had horen voort te duren.

32. Vaststaat dat [eiser] op 30 augustus 2007 de overeenkomst tegen 31 december 2007 heeft opgezegd. [eiser] heeft nadien de overeenkomst op 16 oktober 2007 met onmiddellijke ingang (nogmaals) opgezegd. Er is echter, zoals bovenoverwogen, geen sprake van een dringende reden voor [eiser]. [gedaagde] is niet schadeplichtig aan de opzegging, zodat de vordering van [eiser] met betrekking tot de schadevergoeding (EUR 42.348,48) dient te worden afgewezen.

33. Ten aanzien van de gevorderde klantenvergoeding bepaalt de wet dat geen klantenver-goeding verschuldigd is indien de overeenkomst wordt beëindigd door de handelsagent, tenzij deze beëindiging wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die de principaal kunnen worden toegerekend, of wordt gerechtvaardigd door leeftijd, invaliditeit of ziekte van de handelsagent, op grond waarvan redelijkerwijs niet meer van hem kan worden verlangd dat hij zijn werkzaamheden voortzet. Niet gesteld is dat de gezondheidstoestand van [eiser] dermate slecht was dat van hem niet meer redelijkerwijs kon worden gevergd de overeenkomst voort te zetten. Deze omstandigheid zou ook niet te rijmen zijn met zijn op-zegging op een termijn van vier maanden en met het standpunt van [eiser] bij brief van 16 oktober 2007, waarbij hij zich lijkt te verzetten tegen de vrijstelling van zijn werkzaamheden.

Er is evenmin sprake van omstandigheden aan de kant van de principaal die de opzegging rechtvaardigen. Immers [gedaagde], mocht terecht overgaan tot het opschorten van haar betalingsverplichtingen. Derhalve wordt de gevorderde klantenvergoeding afgewezen.

34. [gedaagde] heeft eveneens haar verplichtingen tot betaling van de achterstallige provisie van EUR 18.438,13 opgeschort. Gelet op de vorderingen over en weer dient thans echter de balans opgemaakt te worden en tussen partijen een afrekening te volgen. Dit betekent dat de gevorderde betaling van de achterstallige provisie toewijsbaar is, met dien verstande dat het bedrag van EUR 14.750,50 dat ten gevolge van het kort gedingvonnis als voorschot is betaald in mindering gebracht dient te worden, zodat toe te wijzen resteert EUR 3.687,63.

35. [eiser] vordert daarnaast inzage in de bewijsstukken om de achterstallige provisie te kunnen berekenen. Overwogen wordt dat het recht op inzage in de bewijsstukken is vastgelegd in artikel 7:433 lid 2 BW en dat [gedaagde] aangeeft daar (onder voorwaarden) aan mee te willen werken. De vordering van [eiser] kan op dit punt worden toegewezen, met inbegrip van zonodig bijstand door een door de principaal aanvaarde deskundige, of bij afwijzing, een deskundige benoemd door de voorzieningenrechter.

36. Gelet op het bovenstaande zal de gevorderde betaling van het meerdere boven de vergoeding als hiervoor besproken, wanneer dat vanwege de inzage in de stukken naar voren komt, worden toegewezen.

37. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, nu onvoldoende gemotiveerd gesteld is dat deze gemaakt zijn.

38. Omtrent de proceskosten in conventie zal tegelijk met de kosten in de reconventie worden beslist.

De vordering in reconventie:

39. In reconventie vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn contractuele- en wettelijke verplichtingen. [eiser] heeft de op hem rustende informatieplicht geschonden, nagelaten om gevolg te geven aan de redelijke instructies van zijn principaal en de overeenkomst op onregelmatige wijze opgezegd. [eiser] voert als verweer aan dat hij de op hem rustende informatieplicht niet heeft geschonden. Hij wist niets van de concurrerende activiteiten van zijn voormalige subagent [...] [eiser]. De kantonrechter overweegt hierover het volgende.

40. Uit artikel 7:403 volgt dat [eiser] de principaal op de hoogte moet houden van de uitvoering van de werkzaamheden. Hieronder valt ook de verplichting voor [eiser] om [gedaagde] op de hoogte te brengen wanneer [gedaagde] onrechtmatige concurrentie wordt aangedaan. Dat de zoon van [eiser] concurrerende activiteiten heeft ontplooid met zijn onderneming “Life-Style” heeft [eiser] erkend, zij het dat [eiser] aanvoert dat hiervan pas sinds maart 2007 op beperkte schaal sprake is en dat hij hier in het geheel niets van wist. Dit verweer treft echter geen doel. De zoon van [eiser] heeft- zoals bij de huidige stand van zaken al tussen partijen kan worden vastgesteld- in ieder geval korte tijd concurrerende activiteiten ontplooid terwijl hij werkzaam was als subagent voor [eiser]. Hoewel zulks niet aannemelijk is te achten, valt niet uit te sluiten dat [eiser] door zijn zoon niet op de hoogte werd gesteld van zijn concurrerende activiteiten. Deze omstandigheid doet echter niet af aan het gegeven dat [eiser] er onder de gegeven omstandigheden jegens [gedaagde] voor had in te staan dat de door hem ingeschakelde hulppersoon geen concurrerende activiteiten zou ontplooien.

41. Aannemelijk is dat [gedaagde] als gevolg van deze concurrerende activiteiten schade heeft geleden.

Ter onderbouwing van haar schade heeft [gedaagde] gewezen op de omzet die zij in 2007 heeft gederfd bij één van haar belangrijkste klanten. Gelet op deze omzetderving en haar winstmarge stelt [gedaagde] haar schade op EUR 56.999,30.

[eiser] heeft aan de hand van een brief van [gedaagde] van 13 april 2007 er terecht op gewezen dat [gedaagde] haar leveringen aan deze klant gedurende enige tijd in 2007 heeft opgeschort in verband met het uitblijven van betalingen van deze klant. Gelet echter op de onrechtmatig concurrerende activiteiten van [...] [eiser], de omvang van de omzetderving die [gedaagde] in deze periode heeft ondergaan, kan de schade die [gedaagde] als gevolg van deze activiteiten heeft geleden, in ieder geval worden begroot op een bedrag van EUR 20.000,-.

42. Ten aanzien van het verwijt dat [eiser] geen gevolg heeft gegeven aan redelijke instructies dient vooropgesteld te worden dat [eiser] als agent gehouden is te beantwoorden aan redelijke en verantwoorde opdrachten en instructies van zijn principaal. Die instructiebevoegdheid strekt echter niet zover dat deze kan leiden tot bemoeienis met de interne bedrijfsvoering van [eiser]. Het al dan niet in dienst nemen van subagenten is een beslissing die zozeer de interne bedrijfsvoering betreft, dat deze is voorbehouden aan [eiser]. Dit geldt ook voor de frequentie waarmee klanten bezocht worden. Dergelijke aanwijzingen tasten de zelfstandigheid van de handelsagent te zeer aan en deze grond treft dan ook geen doel.

43. Op grond van het onder r.o. 26 t/m 30 en onder 40 overwogene is [eiser] tekortgeschoten in het nakomen van zijn verplichtingen waar het betreft de onregelmatige opzeggingen en de concurrerende activiteiten van de subagent [...] [eiser].

Aldus kan de gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn wettelijke en contractuele verplichtingen gegeven worden waar het betreft de onregelmatige opzeggingen van [eiser] en deze concurrerende activiteiten. Hieruit volgt dat de verklaring voor recht dat [eiser] aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde] hierdoor geleden heeft, eveneens gegeven kan worden.

44. Artikel 7:441 BW geeft de regeling voor de begroting van de schade die [gedaagde] heeft geleden door de onregelmatige opzegging(en) door [eiser]. [gedaagde] knoopt voor de hoogte van dat bedrag aan bij de berekening die [eiser] ter zake van gederfde provisie-inkomsten heeft gemaakt over de periode van 16 oktober 2007 tot 1 februari 2008. De kantonrechter ziet echter aanleiding dit bedrag aanzienlijk lager vast te stellen, nu [gedaagde] [eiser] per begin oktober op non-actief heeft gesteld. Onder die omstandigheid kan [gedaagde] nog aanspraak maken op de vergoeding over de periode van de eerste onregelmatige opzegging, derhalve tot 1 februari 2008. Voor wat de omvang zal de kantonrechter aansluiten bij de stellingen van partijen, die er beiden vanuit gaan dat regelmatige opzegging eerst tegen 1 februari 2008 mogelijk is en dat de schade door de onregelmatigheid EUR 42.348,48 beloopt. De vergoeding is derhalve thans vast te stellen op een bedrag van EUR 12.000,-.

45. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat deze gemaakt zijn.

46. [eiser] dient als de partij die in conventie zowel als reconventie in overwegende mate in het ongelijk is gesteld, in de proceskosten te worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

Veroordeelt [gedaagde] om tegen kwijting te betalen een bedrag van EUR 3.687,63 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf heden tot de dag van betaling.

Veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] binnen 14 dagen na wijzen van het vonnis inzage te verlenen in de nodige bewijsstukken ter zake van de door [gedaagde] ontvangen orders van afnemers in Duitsland en Oostenrijk gedurende de periode 1 januari 2006 tot en met 16 oktober 2007, [eiser] desgewenst bijgestaan door een deskundige, aanvaard door [gedaagde] dan wel benoemd door de voorzieningenrechter, één en ander op verbeurte van een dwangsom groot EUR 500,- per dag en met een maximum van EUR 25.000,- voor elke dag dat [gedaagde] nalatig is om mee te werken aan een haar veroordelend vonnis.

Veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen het meerdere dat [gedaagde] op grond van de inzage in de bewijsstukken verschuldigd zal blijken te zijn boven de reeds toegewezen achterstallige provisie alsmede de wettelijke handelsrente over dat meerdere, vanaf heden tot de dag van betaling.

in reconventie:

Verklaart voor recht dat [eiser] tekort is geschoten in zijn wettelijke en contractuele verplichtingen met betrekking tot de onregelmatige opzeggingen als nader omschreven in rechtsoverweging 43.

Verklaart voor recht dat [eiser] aansprakelijk is voor de door de onregelmatige opzeggingen ontstane schade als nader omschreven in rechtsoverweging 43.

Veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] tegen kwijting te betalen een bedrag van

EUR 20.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2008 tot de dag van betaling, alsmede een bedrag van EUR 12.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2007 tot de dag van betaling.

in conventie en in reconventie:

Veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die tot heden voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van EUR 2.800,- voor salaris van de gemachtigde van [gedaagde].

Verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. van den Berg, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 22 april 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter