Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BI3827

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
27-04-2009
Datum publicatie
14-05-2009
Zaaknummer
08/3445
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiser is in de gemeente Bergen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door een medewerker van Parkeer Combinatie Holland b.v. te Arnhem, wegens het niet of te weinig voldoen van parkeerbelasting.

Het vaststellen van naheffingsaanslagen is een bevoegdheid van de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar kan deze bevoegdheid op grond van de Algemene wet bestuursrecht mandateren. Er bestond echter ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag aan eiser geen mandaatbesluit waarbij door de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen aan de medewerkers van Parkeer Combinatie Holland b.v. te Arnhem mandaat is verleend om na te heffen. De naheffingsaanslag parkeerbelasting is dus onbevoegd opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/781 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 08/3445 PARKBL

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

[naam eiser]

wonende te [plaatsnaam]

eiser,

tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Op 6 september 2008 heeft eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 50,50 opgelegd gekregen.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van

31 oktober 2008 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser beroep ingesteld bij brief van 18 november 2008.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2009, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door T.F.C. Smit, die door de rechtbank was opgeroepen om te verschijnen.

Motivering

1. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht en op goede gronden is opgelegd. Hierbij dient de rechtbank ambtshalve te beoordelen of de naheffingsaanslag bevoegd is opgelegd.

2. Bij de beoordeling hiervan is de volgende regelgeving met name van belang.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, van de Awr geschiedt de naheffing bij wege van naheffingsaanslag.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Awr wordt de aanslag vastgesteld door de inspecteur.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, voor zover hier van belang, maakt de ontvanger de belastingaanslag bekend door toezending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet.

Ingevolge artikel 231, tweede lid, van de Gemeentewet (Gw) gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen genoemde functionarissen, onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde, met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen:

a. Onze Minister van Financiën, het bestuur van 's Rijksbelastingen en de directeur: het college;

b. de inspecteur: de gemeenteambtenaar, belast met de heffing van gemeentelijke belastingen;

c. de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger: de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen;

(…).

Ingevolge artikel 232, eerste lid, van de Gw kan het college bepalen dat voor de toezending of uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, voor de in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaar een andere gemeenteambtenaar in de plaats treedt.

Bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, in werking getreden op 14 november 2007, is als gemeenteambtenaar, belast met de gemeentelijke belastingen (hierna: de heffingsambtenaar) aangewezen de coördinator Financiële Administratie.

Bij aanwijzingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, in werking getreden op 1 juli 2007, zijn de medewerkers van Parkeer Combinatie Holland b.v. te Arnhem aangewezen als gemeenteambtenaar, die in de plaats treedt van de gemeenteambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet, voor de toezending of uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990.

Overwegingen van de rechtbank

3. Op 6 september 2008 is aan eiser in de gemeente Bergen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door een medewerker van Parkeer Combinatie Holland b.v. te Arnhem, wegens het niet of te weinig voldoen van parkeerbelasting voor het parkeren aan de Nollenweg te Egmond aan Zee.

4. Ten aanzien van het naheffen van parkeerbelasting zijn twee relevante fasen met bijbehorende bevoegdheden te onderscheiden. Allereerst wordt geconstateerd dat geen of onvoldoende parkeerbelasting is betaald en vervolgens wordt de naheffingsaanslag vastgesteld (het zogenoemde naheffen). Daarna dient de naheffingsaanslag te worden uitgereikt of toegezonden.

5. De rechtbank stelt vast dat de medewerkers van Parkeer Combinatie Holland b.v. te Arnhem, gelet op het per 1 juli 2007 in werking getreden aanwijzingsbesluit, bevoegd zijn om naheffingsaanslagen uit te reiken. Met deze besluiten is aan de medewerkers van de Parkeer Combinatie Holland b.v. niet de bevoegdheid gegeven om de naheffing bij wege van naheffingsaanslag vast te stellen. Het vaststellen van naheffingsaanslagen is een bevoegdheid van de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar kan deze bevoegdheid op grond van de Algemene wet bestuursrecht mandateren. Er bestond echter ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag aan eiser geen mandaatbesluit waarbij door de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen aan de medewerkers van Parkeer Combinatie Holland b.v. te Arnhem mandaat is verleend om na te heffen. De naheffingsaanslag parkeerbelasting is dus onbevoegd opgelegd, nu deze is opgelegd door een daartoe niet gemandateerde medewerker van de Parkeer Combinatie Holland b.v.

6. Het beroep is reeds hierom gegrond en de naheffingsaanslag kan geen stand houden. De door eiser naar voren gebrachte beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.

7. De uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 231, tweede lid, onder b, van de Gw, nu de naheffingsaanslag niet is vastgesteld door de heffingsambtenaar of een door hem daartoe gemandateerde functionaris. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.

8. De rechtbank acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proces¬kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De reiskosten heeft de rechtbank berekend op basis van de kosten van openbaar vervoer, tweede klasse, en vastgesteld op € 26,82. De verletkosten heeft de rechtbank vastgesteld op € 120,00, waarbij is uitgegaan van een tijdsbeslag van 3 uur en een tarief van € 40,00 per uur.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2008;

- herroept de naheffingsaanslag parkeerbelasting, gedagtekend 6 september 2008;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 146,82;

- wijst de gemeente Bergen aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 146,82 dient te worden gedaan aan eiser;

- bepaalt dat de gemeente Bergen aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 39,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 27 april 2009 door mr. drs. W.P. van der Haak, voorzitter,

mr. E. de Greeve en mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, als leden, in tegenwoordigheid van

mr. M.H. Affourtit-Kramer, griffier.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.