Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BI2163

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
24-04-2009
Zaaknummer
14.810191-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ2619, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 4 jaren gevangenisstraf voor verkrachting van zijn stiefdochter, meermalen gepleegd gedurende een langere periode. Ontkennende verdachte. Uitgebreide beoordeling van betrouwbaarheid en bruikbaarheid van verschillende getuigenverklaringen. Vraag naar de bewijskracht van een spermavloeistof-spoor in de onderbroek van stiefdochter, waarbij het NFI heeft geconcludeerd dat sprake is van een -in dit spoor aangetroffen- volledig DNA-profiel dat matcht met het DNA-profiel van verdachte. Nader horen getuige-deskundigen van het NFI ter terechtztting over de door hen gebruikte methodes alsmede de uitkomsten van de verschillende deskundigen-rapportages.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/810191-07 (P)

Datum uitspraak : 23 april 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 juni 2008, 6 november 2008 en 9 april 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.I. Hoogland en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

Namens de -ter terechtzitting van 9 april 2009 niet verschenen- benadeelde partij [naam slachtoffer] heeft mr. J.W.E. Groot, advocaat te Grootebroek, als gemachtigde het woord gevoerd inzake de vordering tot schadevergoeding alsmede de aanvullingen daarop.

Ter terechtzitting van 9 april 2009 is door de voorzitter de schriftelijke slachtofferverklaring van [naam slachtoffer] voorgelezen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1. primair

hij op een of meerdere tijdstip(pen)in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 24 april 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam], en/of [naam], gemeente [naam], en/of elders in Nederland en/of in het buitenland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer],(telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de anus van die [naam slachtoffer]

geduwd/gebracht en/of hebbende verdachte zich (telkens) door die [naam slachtoffer] laten pijpen, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) uit de volgende, in onderling verband en samenhang te beschouwen feit(en) en/of omstandighe(i)d(en):

- verdachte heeft (telkens) de deur van de slaapkamer van die [naam slachtoffer], alwaar die verkrachting(en) plaatsvond(en), op slot gedaan en/of

- verdachte heeft (telkens) die [naam slachtoffer] tegen het hoofd althans tegen het lichaam geslagen, wanneer die [naam slachtoffer] zich verzette en/of

- verdachte heeft (telkens) de broek en/of onderbroek van die [naam slachtoffer] omlaag gedaan en/of

- verdachte heeft (telkens) glijmiddel en/of spuug bij die [naam slachtoffer] aangebracht en/of

- verdachte heeft (aldus) voor die [naam slachtoffer] (telkens)een bedreigende situatie doen ontstaan, althans een situatie, waar zij zich vanwege het (grote) leeftijdverschil tussen die [naam slachtoffer] en verdachte en het fysieke en/of psychische overwicht van verdachte (telkens) niet heeft kunnen onttrekken;

1. subsidiair

A

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 9 januari 2004 te [plaatsnaam], gemeente [naam], en/of [naam], gemeente [naam], en/of elders in Nederland en/of in het buitenland, met [naam slachtoffer], geboren op [geboortenaam slachtoffer], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had

bereikt,(telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de anus van die [naam slachtoffer] geduwd/gebracht en/of hebbende verdachte zich (telkens) door die [naam slachtoffer]

laten pijpen;

en/of

B

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 10 januari 2004 tot en met 24 april 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam], en/of [naam], gemeente [naam], en/of elders in Nederland en/of in het buitenland, met [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de anus van die [naam slachtoffer] geduwd/gebracht en/of hebbende verdachte zich (telkens) door die [naam slachtoffer] laten pijpen;

2. primair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 24 april 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam], en/of [naam], gemeente [naam], en/of elders in Nederland en/of in het buitenland, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [naam slachtoffer] (telkens) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande die ontuchtige handelingen uit het een of meermalen

* tongzoenen van die [naam slachtoffer] en/of

* zuigen aan de borsten van die [naam slachtoffer] en/of

* door die [naam slachtoffer] laten bijten in zijn, verdachtes, tepel(s),(terwijl hij,

verdachte, zichzelf aftrok),

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en)(telkens) uit de volgende in onderlinge samenhang en verband te beschouwen feiten en/of omstandigheden:

- verdachte had door zijn leeftijd een (natuurlijk en/of geestelijk) overwicht

op die [naam slachtoffer] en/of

- verdachte heeft (telkens) de deur van de slaapkamer van die [naam slachtoffer], alwaar die ontuchtige handeling(en) plaatsvond(en) op slot gedaan en/of

- verdachte heeft die [naam slachtoffer] (telkens) tegen het hoofd althans tegen het lichaam geslagen, wanneer die [naam slachtoffer] zich verzette en/of

- verdachte heeft (aldus) voor die [naam slachtoffer] (telkens) een bedreigende situatie doen ontstaan, althans een situatie, waar zij zich vanwege het (grote) leeftijdverschil tussen die [naam slachtoffer] en verdachte en het fysieke en/of psychische overwicht van verdachte (telkens) niet heeft kunnen onttrekken;

2. subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 24 april 2007 te [plaatsnaam], gemeente [naam], en/of [naam], gemeente [naam], en/of elders in Nederland en/of in het buitenland, met [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande die ontuchtige handeling(en) uit het een of meermalen

* tongzoenen van die [naam slachtoffer] en/of

* zuigen aan de borsten van die [naam slachtoffer] en/of

* door die [naam slachtoffer] laten bijten in zijn, verdachtes, tepel(s),(terwijl hij, verdachte, zichzelf aftrok).

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid in de vervolging van het openbaar ministerie overweegt de rechtbank nog het volgende:

In de aan verdachte ten laste gelegde feiten onder 1 en 2 is als een van de pleegplaatsen genoemd: “in het buitenland”, terwijl de pleegperiode zich uitstrekt van 1 januari 2000 tot en met 24 april 2007. Voor onderhavige feiten begaan buiten Nederland door personen met de Nederlandse nationaliteit is eerst bij wet van 13 juli 2002, Stb.388 (in werking getreden op 1 oktober 2002) in artikel 5 lid 1 sub 3 Wetboek Van Strafrecht rechtsmacht gevestigd voorzover het een minderjarig slachtoffer betreft.

Inzake de verdenking van het plegen van feiten in het buitenland (in casu Frankrijk) door verdachte, die de Nederlandse nationaliteit bezit, is het openbaar ministerie naar het oordeel van de rechtbank derhalve ontvankelijk in de vervolging voor zover het de pleegperiode na 1 oktober 2002 betreft.

Bij eerdergenoemde wet is eveneens wijziging aangebracht in de artikelen 245, 246 en 247 Sr (zoals tenlastegelegd in feit 1 subsidiair onder B alsmede in feit 2), in die zin dat het voordien bij deze delicten geldend klachtvereiste is vervallen. Voor wat betreft de pleegperiode van 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002 zijn bedoelde feiten derhalve slechts op klachte vervolgbaar. Conform artikel 65 Wetboek van Strafrecht was in onderhavig geval, nu de tenlastegelegde feiten zouden zijn begaan tegen iemand die ten tijde van de aangifte de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, de moeder van [naam slachtoffer] als haar wettelijk vertegenwoordiger tot de klacht gerechtigd.

In de stukken van het geding bevindt zich van [naam slachtoffer] of [naam moeder slachtoffer] geen klacht in de daartoe destijds voorgeschreven vorm. Uit de door [naam moeder slachtoffer] op 25 april 2007 gedane aangifte valt naar het oordeel van de rechtbank desondanks af te leiden dat zij ten tijde van het doen van de aangifte de bedoeling heeft gehad dat een vervolging tegen haar man zou worden ingesteld: in de slotpassage van bedoelde aangifte heeft [naam moeder slachtoffer] immers verklaard: “U vraagt mij wat ik wil dat er met mijn man gaat gebeuren. Voor mij en de kinderen zou het de beste oplossing zijn als hij wordt opgepakt. Tegenover [naam slachtoffer] vind ik het eerlijk dat mijn man gestraft gaat worden voor wat hij gedaan heeft. Ik zelf vind dat als je dit soort dingen doet, dat iemand gestraft gaat worden voor wat hij gedaan heeft”. Overigens heeft ook [naam slachtoffer] zelf in haar verklaring bij de politie op 28 april 2007 aangegeven het goed te vinden dat er een onderzoek wordt ingesteld en dat haar vader gestraft moet worden.

De rechtbank concludeert dat in de lijn van de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie o.a. 31 maart 1998, NJ 1998, 608) hiermee kan worden vastgesteld dat de tot klacht gerechtigde een klacht in de zin van artikel 164 Wetboek van Strafvordering heeft gedaan, en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging met betrekking tot het tweede tenlastegelegde feit, ook voor zover het de pleegperiode vanaf 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002 betreft.

Het feit dat [naam moeder slachtoffer] op een veel later moment, te weten 4 februari 2008 in een brief aan de raadsman van verdachte, heeft aangegeven de aangifte te willen intrekken, doet daaraan -mede gelet op de wettelijke regeling inzake het doen en intrekken van een klacht- naar het oordeel van de rechtbank niet af.

4. De bewijsmotivering

A. De vaststaande feiten

De rechtbank stelt de volgende feiten vast :

In 1996 heeft verdachte een relatie gekregen met [naam moeder slachtoffer], die op dat moment met twee kinderen uit een eerdere relatie, te weten [naam slachtoffer] ([geboortedatum slachtoffer) en haar 2 jaar jongere broer [naam kind 1], woonde op [adres]. Verdachte is op genoemd adres komen wonen en heeft daarna samen met [naam moeder slachtoffer] 5 andere kinderen gekregen, [naam kind 2] ([geboortejaar]), [naam kind 3] ([geboortejaar]), [naam kind 4] ([geboortejaar]), [naam kind 5] ([geboortejaar]) en [naam kind 6] ([geboortejaar]).

In de periode 1999-2001 is [naam moeder slachtoffer] op donderdagavonden voor haar Pabo-opleiding naar Alkmaar gegaan en waren de kinderen met verdachte thuis in [plaatsnaam]. In die periode sliepen de ouders op een slaapkamer op de eerste verdieping. [naam slachtoffer] heeft in dat huis zowel op de eerste verdieping als later –volgens verdachte vanaf 1999 of 2000- op de zolderverdieping geslapen.

Per 1 januari 2004 stond het gezin officieel ingeschreven op het huidige adres van verdachte, [adres]. In dit huis sliepen verdachte en zijn vrouw op de tweede verdieping en de kinderen op de eerste verdieping. In dit huis kon alleen de ouderslaapkamer op slot, niet de kamers van de kinderen. [naam slachtoffer] sliep hier met [naam kind 5] op een kamer, eerst bovenin, daarna in het benedenbed van een stapelbed.

In de periode tussen 2004 en april 2007 ging verdachte er met [naam slachtoffer] wel eens alleen op uit met de auto (om haar rijlessen te geven) of met de fiets. Het gezin is verschillende keren met elkaar op vakantie gegaan, en in de zomer van 2006, voor de geboorte van [naam kind 5], verbleef men samen op een camping in Frankrijk. Ook daar liet verdachte [naam slachtoffer] wel auto rijden en gingen zij er samen op uit .

Verdachte kwam in het huis in [plaatsnaam] vaak s’avonds op de slaapkamer van [naam slachtoffer] en [naam kind 5] als deze in bed lagen en vanaf begin 2007 is verdachte regelmatig ‘s nachts uit bed gegaan om naar de wc te gaan, dit gebeurde naar eigen zeggen tussen de 3 of 5 keer per week op wisselende tijden. Verdachte ging dan daarna bij [naam kind 5] en [naam slachtoffer] op de slaapkamer kijken .

Verdachte heeft naar eigen zeggen met alle kinderen behalve [naam kind 1] altijd een goede band gehad. In het gezin werden de kinderen wel geslagen, door hun moeder op de billen en door verdachte met de “palu” (de pollepel). Toen [naam kind 1] 6 jaar oud was, is er een AMK-melding geweest en is met verdachte afgesproken dat hij de kinderen niet meer op andere plaatsen dan op de billen zou slaan .

Op 10 januari 2007 is een ruzie geweest tussen verdachte en [naam slachtoffer] over het feit dat zij een vriendje ([naam vriendje 1]) had uitgenodigd op haar verjaardag, waarvan verdachte niet op de hoogte was geweest en waar hij boos over is geworden.

In de periode van zaterdag 21 april 2007 tot en met maandag 23 april 2007 heeft [naam slachtoffer] via MSN-chatgesprekken tegen een vriendje van haar, [naam vriendje 2] aangegeven dat ze iets aan hem kwijt wil, maar het moeilijk kan zeggen. Uiteindelijk heeft ze op maandag via MSN aan hem verteld dat haar vader sinds ongeveer zeven jaar met haar naar bed gaat . [naam vriendje 2] heeft [naam slachtoffer] geadviseerd het tegen haar moeder te zeggen, maar [naam slachtoffer] wilde eerst met [naam vriendje 2] praten. [naam slachtoffer] en [naam vriendje 2] hebben de volgende dinsdagochtend vroeg afgesproken. [naam slachtoffer] heeft haar verhaal tegen [naam vriendje 2] herhaald en [naam vriendje 2] heeft haar wederom gezegd het aan haar moeder te vertellen .

Diezelfde dinsdag rond 16 uur heeft [naam slachtoffer] aan haar moeder gevraagd of zij haar onder vier ogen kon spreken. Vervolgens heeft [naam slachtoffer] aan haar moeder verteld dat haar vader steeds seks met haar wil, dat hij ’s nachts op haar ging liggen, dan “dat ding in haar stopt” en dat het begonnen was in 1999 toen moeder op donderavonden op de Pabo was .

Diezelfde dinsdag heeft moeder met haar kinderen het huis in [plaatsnaam] verlaten en die avond om 22.44 uur telefonisch melding gedaan van seksueel misbruik van haar oudste dochter bij de politie Lelystad.

Op woensdag 25 april 2007 in de vroege ochtend om 00.30 uur heeft een eerste gesprek plaatsgevonden tussen de politie Lelystad en [naam moeder slachtoffer], waarin zij onder meer verklaarde dat zij de laatste tijd wel vermoedens had maar geen concrete aanwijzingen daarvoor had gekregen . Vervolgens heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de politie en [naam slachtoffer] waarin [naam slachtoffer] heeft verklaard dat het de laatste keer was gebeurd in de nacht van maandag 23 op dinsdag 24 april 2007 .

Op 25 april 2007 heeft [naam moeder slachtoffer] vervolgens aangifte gedaan tegen verdachte, heeft telefonisch contact opgenomen met verdachte en hem verteld waarvan hij werd beschuldigd. Verdachte is naar zijn huisadres gegaan en heeft zich later die dag bij de politie gemeld. Verdachte is aangehouden en in verzekering gesteld en is op 27 april 2007 in voorlopige hechtenis genomen.

Bij verdachte thuis is na diens aanhouding en met zijn toestemming op 25 april 2007 onderzoek verricht door de politie en is van het bed van [naam slachtoffer] een hoeslaken in beslaggenomen en voor sporenonderzoek onder nummer DHA587 naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna te noemen: het NFI) te Den Haag gezonden.

Eveneens op 25 april 2007 is om 02.00 uur een forensisch-medisch onderzoek bij [naam slachtoffer] ingesteld en is de hiervoor gebruikte zedenonderzoeksset, genummerd ZAI292 in beslag genomen. Ook de groene damesslip die [naam slachtoffer] op dat moment droeg werd in beslag genomen (genummerd DHA586) .

Genoemde inbeslaggenomen voorwerpen zijn voor nader onderzoek ingezonden naar het NFI. In april 2007 is van verdachte en van [naam slachtoffer] celmateriaal afgenomen ter bepaling van hun DNA-profiel.

Op 28 april 2007 en op 29 april 2007 is [naam slachtoffer] door de politie verhoord en heeft daarin verklaard over seksueel misbruik door verdachte, waarbij zij jarenlang meermalen anaal en vaginaal door verdachte met zijn penis zou zijn gepenetreerd. Tevens maakte [naam slachtoffer] plattegrond-tekeningen van de twee woonadressen van het gezin.

Op 8 mei 2007 is [naam moeder slachtoffer] aanvullend verhoord en heeft daarin onder meer verklaard over specifieke voorvallen die inmiddels bij haar waren opgekomen. Op 9 mei 2007 is [naam kind 1] verhoord naar aanleiding van hetgeen hij zijn moeder na het doen van de aangifte desgevraagd had verteld over dingen die hem waren opgevallen thuis met betrekking tot verdachte en [naam slachtoffer] .

Verdachte heeft bij de politie en bij de rechter-commissaris in de periode van 25 april 2007 tot en met 3 augustus 2007 een zestal verklaringen afgelegd en heeft steeds ontkend dat hij in welke vorm dan ook seks zou hebben gehad met [naam slachtoffer].

Het NFI heeft op 10 juli 2007 gerapporteerd over de voorlopige resultaten van het onderzoek naar biologische sporen. Daarin werd gerapporteerd als voorlopig resultaat dat bij onderzoek van de microscooppreparaten behorend bij de onderzoeksset zedendelicten (ZAI292) geen sperma is aangetroffen. Bij onderzoek aan de slip (DHA586) was op één locatie in het kruis van de slip een zwakke aanwijzing verkregen op de aanwezigheid van spermavloeistof, waarbij geen spermacellen zijn aangetroffen .

Verdachte is op last van de officier van justitie op 11 juli 2007 in vrijheid gesteld en de voorlopige hechtenis is door de raadkamer van de rechtbank op 12 juli 2007 opgeheven.

Op 1 augustus 2007 is het deskundigenrapport van het NFI opgemaakt met de conclusies over de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en vergelijkend DNA-onderzoek. Geconcludeerd werd dat bij onderzoek aan de onderzoeksset zedendelicten (ZAI292) geen sperma is aangetroffen. Daarnaast is nader onderzoek aan een bemonstering van de slip (DHA586#1) verricht waarbij middels de zogeheten differentiële lysistechniek in de spermacelfractie van het bemonsterd spermavloeistofspoor, het volledig DNA-profiel is verkregen van een man, welk profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte. Dit betekent dat de onderzochte spermavloeistof in de bemonstering afkomstig kan zijn van verdachte, waarbij de berekende frequentie van dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard. Tevens is in bedoelde bemonstering van de slip het onvolledig DNA-profiel verkregen van een vrouw, waarbij het DNA-profiel matcht met het profiel van [naam slachtoffer] .

Op 10 maart 2008 heeft het NFI gerapporteerd dat bij het onderzoek aan het laken (DHA587) geen sperma is aangetroffen en geen aanwijzingen zijn verkregen voor de aanwezigheid van spermavloeistof, zodat van het laken geen sporen zijn veiliggesteld voor een DNA-onderzoek .

In de periode eind 2007 en begin 2008 hebben er binnen het gezin van verdachte grote veranderingen plaatsgevonden. [naam moeder slachtoffer] had intussen weer contact met verdachte gekregen, [naam slachtoffer] en [naam kind 1] zijn op eigen initiatief bij hun grootouders van moeders kant gaan wonen en de vijf jongste kinderen zijn vervolgens door de civiele rechter uit huis geplaatst ter observatie. Na de uithuisplaatsing is [naam moeder slachtoffer] weer met verdachte in hun woning in [plaatsnaam] gaan wonen.

In een brief aan de raadsman van de verdachte, gedateerd 4 februari 2008, heeft [naam moeder slachtoffer] verklaard de door haar gedane aangifte te willen intrekken . Naar aanleiding daarvan is zij op verzoek van de verdediging ter terechtzitting van 5 juni 2008 als beëdigd getuige gehoord. Zij heeft kort gezegd verklaard intussen te geloven in de onschuld van verdachte en te twijfelen aan de eerder afgelegde verklaringen van [naam slachtoffer]. Op verzoek van de verdediging en de officier van justitie heeft de voorzitter van de Meervoudige Strafkamer van de rechtbank Alkmaar vervolgens op 12 juni 2008 in de hoedanigheid van Rechter-commissaris in bijzijn van de raadsman van verdachte [naam slachtoffer] als beëdigd getuige gehoord . Van bedoeld verhoor zijn video-opnames gemaakt die aan het dossier zijn toegevoegd en die door de leden van de meervoudige kamer van de rechtbank naderhand zijn bekeken.

Op de terechtzitting van 5 juni 2008 heeft de rechtbank het noodzakelijk geoordeeld dat de opstellers van de eerdergenoemde NFI-rapportages, drs.ing. T.J.P. de Blaeij en drs. H.N. Bauer als getuige/deskundige ter zitting zouden worden gehoord. Op de terechtzitting van 6 november 2008 heeft dit verhoor plaatsgevonden. Daar hebben de getuige-deskundigen nader verklaard over de door hun gebruikte onderzoeksmethodes en een verdere toelichting gegeven aangaande de uitkomsten van het verrichte onderzoek. Tevens hebben zij overgelegd een set foto’s van eerdergenoemde slip, welke set aan het dossier is toegevoegd, en is door hen nader verklaard over de locatie op de slip waar de bemonstering van het spermavloeistofspoor heeft plaatsgehad.

Bedoelde getuige-deskundigen hebben -zoals door de rechtbank ter zitting van 6 november 2008 bepaald- in februari 2009 hun verklaringen zoals die waren opgenomen in het proces-verbaal van de zitting, voor akkoord (met wijzigingen) terug gestuurd . De verklaringen zijn voorts op de zitting van 9 april 2009 in hun gewijzigde vorm vastgesteld.

Ter zitting van 6 november 2008 is door de verdediging een aantal stukken overgelegd, waaronder de zogeheten aanvullende groepsverslagen met betrekking tot de kinderen [naam kind 5] en [naam kind 4], waarin is aangegeven dat door groepswerkers van de crisisopvang [naam crisisopvang] zou zijn gehoord dat deze kinderen spraken over “seksdingen” in hun gezin, begaan door verdachte met hunzelf en/of met [naam slachtoffer]. Naar aanleiding hiervan is de behandeling van de zaak aangehouden en is -op verzoek van de verdediging en de officier van justitie- op 12 maart 2009 [naam moeder slachtoffer] door de Rechter-commissaris gehoord evenals [naam medewerkster crisisopvang], de behandelcoördinator van [naam crisisopvang]. [naam moeder slachtoffer] heeft herhaald dat zij gelooft in de onschuld van verdachte en dat er in het gezin met geen van de kinderen seksueel misbruik heeft plaatsgehad. [naam medewerkster crisisopvang] heeft verklaard dat zij niet zelf van de kinderen heeft gehoord dat zij iets verklaarden over misbruik van [naam slachtoffer] en dat zij niet precies weet tegen wie van de groepswerkers de kinderen dingen hebben verteld. Daarnaast heeft zij nader aangegeven hoe de verslaglegging door groepswerkers plaats heeft gevonden. Op de terechtzitting van 9 april 2009 hebben de verdediging en de officier van justitie verklaard verder onderzoek rond de (verklaringen van de) andere kinderen in het gezin niet langer noodzakelijk te vinden.

Verdachte is vervolgens uitvoerig ter terechtzitting van 9 april 2009 gehoord. Verdachte heeft daarbij over allerlei feiten en omstandigheden een verklaring afgelegd en heeft nogmaals aangegeven dat hij [naam slachtoffer] niet seksueel heeft misbruikt.

B. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde met vermelding van, kort samengevat, de volgende bewijsmiddelen:

- de processen-verbaal van bevindingen van politie Flevoland, tevens inhoudende het intake gespek met [naam moeder slachtoffer]

- de aangifte en de aanvullende verklaring van [naam moeder slachtoffer];

- de verklaring van [naam vriendje 2] en de MSN berichten tussen [naam slachtoffer] en [naam vriendje 2];

- de verklaringen van [naam slachtoffer];

- de verklaring van [naam kind 1];

- de resultaten van het DNA-onderzoek;

- de verklaringen van de getuigen/deskundigen ter terechtzitting van 6 november 2008;

De officier van justitie acht de aangifte en aanvullende verklaring van [naam moeder slachtoffer] in 2007 geloofwaardig en betrouwbaar en vindt deze passen bij de overige als bewijsmiddel te gebruiken verklaringen in het dossier. [naam moeder slachtoffer] heeft hierin aangegeven dat de verklaring van [naam slachtoffer] paste in de vermoedens die zij al had. Het blauwe oog dat [naam slachtoffer] een keer had en de uitjes van verdachte met [naam slachtoffer], waar verdachte enthousiast over vertelde terwijl [naam slachtoffer] er stil naast stond, waren omstandigheden die vragen bij haar hadden opgeroepen. Zij is in sommige gevallen zelfs al actief bezig geweest met haar vermoeden van seksueel misbruik. Zo heeft zij aangegeven haar man en [naam slachtoffer] te hebben bevraagd als zij lang samen weg waren geweest en zo heeft zij ook verklaard te zijn gaan luisteren bij de slaapkamer van [naam slachtoffer] en [naam kind 5] als haar man ’s nachts uit bed was.

Dat [naam moeder slachtoffer] er later op een andere manier over is gaan denken, doet daar, in de visie van de officier van justitie, niet aan af aangezien haar redenen om te gaan twijfelen eigenlijk niets zeggen over de al dan niet betrouwbaarheid van [naam slachtoffer]. Ook de resultaten van het DNA-onderzoek, de DNA match van verdachte met het DNA aangetroffen in het spoor in de slip van [naam slachtoffer], is passend bij hetgeen [naam slachtoffer] heeft verklaard. Voorts acht de officier van justitie niet aannemelijk dat de spermavloeistof op een andere wijze in de slip is gekomen. Aan de uitkomsten van het onderzoek met betrekking tot de zedenkit, waarin geen sperma is aangetroffen, kan volgens de officier de justitie eigenlijk geen conclusie worden verbonden.

Voor de overtuiging vindt de officier van justitie de groepsverslagen met betrekking tot de andere kinderen meewegen. Ook acht de officier van justitie het feit dat [naam slachtoffer] liever niet wil praten over wat er precies is gebeurd, ook niet tegen haar moeder, juist passend bij een slachtoffer van misbruik.

C. Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft bij de politie en op de terechtzittingen verklaard zich niet schuldig te hebben gemaakt aan het hem tenlastegelegde. De raadsman heeft op de terechtzitting van 9 april 2009 verzocht de verdachte vrij te spreken van het hem tenlastegelegde. Het pleidooi van de raadsman op grond van de ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie kan als volgt worden samengevat.

De raadsman heeft gesteld dat er teveel aspecten in de zaak aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [naam slachtoffer]. Met betrekking tot de geloofwaardigheid van [naam slachtoffer] en een potentieel motief om valselijk aangifte te doen heeft de raadsman er onder andere op gewezen dat sprake was van een verstoorde relatie tussen [naam slachtoffer] en verdachte. Ook acht de raadsman het van belang dat [naam slachtoffer] nooit eerder iets in deze richting heeft verteld. Voorts is er, ondanks het grote gezin in een huis waarin niet iedereen een eigen kamer had, de aanwezige oppassen en andere familieleden in het gezin, nooit door iemand iets gemerkt terwijl het misbruik jarenlang meerdere malen per week zou hebben plaatsgevonden en is verdachte nooit met [naam slachtoffer] betrapt. Volgens de raadsman kunnen de door [naam moeder slachtoffer] en [naam kind 1] geuite vermoedens niet bijdragen aan het bewijs, nu deze vermoedens zijn ingekleurd door de beschuldiging. Daar komt bij dat deze vermoedens nu niet meer zouden leven bij [naam moeder slachtoffer]. Ook is van belang dat niet kan worden uitgesloten dat [naam slachtoffer] en [naam kind 1] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, terwijl [naam kind 1] voor de aangifte nooit een vermoeden van seksueel misbruik van zijn zus heeft gehad. Opvallend is volgens de raadsman dat [naam slachtoffer] ondanks jarenlange onbeschermde seks nooit zwanger is geraakt en dat tevens lichamelijke klachten ten gevolge van het misbruik nooit aan iemand of aan de huisarts zijn aangegeven.

In de bij [naam slachtoffer] afgenomen zedenkit zijn geen sporen aangetroffen, evenmin als op het in beslag genomen laken. De raadsman is van mening dat het spoor dat is aangetroffen in de slip van [naam slachtoffer] niet de balans naar een veroordeling mag doen doorslaan. In de eerste plaats is het onderzoeksrapport van de politie/arts met betrekking tot de slip niet volledig ingevuld, zodat de interpretatie van de onderzoeksgegevens aanzienlijk is bemoeilijkt. Voorts zou het door het NFI aangetroffen spoor slechts een zwakke aanwijzing betreffen op de aanwezigheid van spermavloeistof op de buitenkant van de slip. Weliswaar is vastgesteld dat het aangetroffen DNA-profiel in het spoor matcht met het DNA-profiel van verdachte, maar in de visie van de raadsman zijn er talloze alternatieven te bedenken voor de wijze waarop een dergelijk spoor op de slip van [naam slachtoffer] kan zijn terechtgekomen.

Daarnaast heeft de raadsman te kennen gegeven versteld te staan over de wijze waarop de NFI-rapporten zijn opgesteld, aangezien er meer is onderzocht dan uit de rapporten blijkt. Gerapporteerd is dat er een spoor is aangetroffen in het kruis van de slip, terwijl er in werkelijkheid sprake is geweest van twee onderzoeken: één aan de binnenkant van de slip en de ander aan de buitenkant van de slip. Op de binnenkant van de slip is geen aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van spermacellen, hetgeen een ontlastend gegeven is, aldus de raadsman.

D. Beoordeling van de tenlastelegging

Met de officier van justitie en met de raadsman stelt de rechtbank voorop dat het hier gaat om de verdenking van zeer ernstige zedendelicten begaan door een stiefvader tegen een minderjarig kind, waarbij –nu verdachte volhardt in zijn ontkenning en [naam slachtoffer] volhardt in haar beschuldigingen- uiterste zorgvuldigheid dient te worden betracht bij het beoordelen van de uit het dossier naar voren komende feiten en omstandigheden. Mede om die reden heeft de rechtbank op verschillende momenten in de strafzaak nader onderzoek gelast naar die feiten en omstandigheden.

Waar het in zedenzaken vaak het woord van de één tegen het woord van de ander is, springt in onderhavige zaak in het oog dat er naast de verklaringen van [naam slachtoffer] op zichzelf ook ander wettig bewijs voorhanden is om tot een (al dan niet gedeeltelijke) bewezenverklaring te komen. De verdediging heeft de betrouwbaarheid dan wel de bruikbaarheid van deze beschikbare bewijsmiddelen evenwel gemotiveerd betwist.

De rechtbank zal hieronder allereerst bedoelde bewijsmiddelen afzonderlijk bespreken voor zover zij inhoudelijk tot het bewijs van het feit zouden kunnen dienen (1.1. t/m 1.5). Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de vraag of bedoelde bewijsmiddelen voldoende wettig en overtuigend zijn om tot een veroordeling van verdachte te leiden. Daarbij zullen ook de verweren van de verdediging uitvoerig bespreking vinden (2.1 t/m 2.5). Vervolgens zal de rechtbank (onder 3) tot een conclusie komen met betrekking tot de vraag of de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezenverklaard.

1. De voorhanden zijnde bewijsmiddelen

1.1. De verklaringen van [naam slachtoffer]

[naam slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte haar vanaf haar achtste jaar en gedurende een periode van zeven jaar veelvuldig seksueel heeft misbruikt. Zij verklaart hierover -samengevat en zakelijk weergegeven- het volgende:

Het misbruik is begonnen in de periode 1999-2001 toen het gezin in [adres] woonde. Zij moest op de donderdagavonden dat haar moeder afwezig was, van verdachte naar de ouderslaapkamer komen. De deur van de ouderslaapkamer werd door verdachte op slot gedaan . Verdachte penetreerde haar vervolgens anaal met zijn penis. Dat deed haar pijn. Na afloop moest zij van haar vader douchen, soms zag zij dan dat zij bloedde .

Nadat haar moeder vanaf 2001 op de donderdagavond thuisbleef haalde verdachte [naam slachtoffer] ’s nachts uit bed en misbruikte hij [naam slachtoffer] staande bovenaan de trap naar de zolderkamer. Zij verklaart niet te weten of hij het toen nog steeds anaal deed, maar zij denkt dat de eerste keer dat hij haar met zijn penis vaginaal penetreerde daar op de zoldertrap geweest is.

Toen [naam slachtoffer] twaalf jaar was, is het gezin verhuisd naar [plaatsnaam]. [naam slachtoffer] heeft verklaard dat het seksueel misbruik voortduurde en op verschillende plaatsen in huis plaatsvond: nadat [naam slachtoffer] de keuken had opgeruimd en wanneer de andere gezinsleden al naar boven waren, gebeurde het in de keuken en op de bank in de woonkamer .

Ook gebeurde het op de ouderslaapkamer, waarbij verdachte gebruik maakte van glijmiddel uit een blauw flesje, dat lag in een mandje tussen de kussens van het bed .

Daarnaast kwam verdachte ’s nachts op verschillende tijden op de slaapkamer van [naam slachtoffer] en [naam kind 5], waar hij haar vaginaal penetreerde met zijn penis en heen en weer ging tot hij klaarkwam .

Verdachte heeft [naam slachtoffer], in de periode dat zij in [plaatsnaam] woonden, rijles in zijn auto gegeven, waarbij zij tezamen op pad gingen. Tijdens deze rijlessen is zij 4 tot 5 keer seksueel misbruikt in de auto op een parkeerplaats achter een dijkje in [plaatsnaam]. In de winter van 2006 heeft verdachte tijdens een fietstocht [naam slachtoffer] een of twee keer misbruikt in {naam locatie] . Op vakantie in Frankrijk in de zomer van 2006 heeft verdachte [naam slachtoffer] drie keer seksueel misbruikt op een plek in het bos bij de rivier achter de camping.

Het lukte verdachte niet altijd met zijn penis in haar te komen. Dit was wanneer zij tegenwerkte. Soms, als zij weg wilde, trok hij haar net zolang terug totdat zij het liet gebeuren. Wanneer [naam slachtoffer] zich tegen verdachte verzette of weg wilde lopen sloeg hij haar ook: met de vlakke hand, meestal op haar hoofd. Eenmaal heeft verdachte haar met de vuist geslagen, hetgeen resulteerde in een blauw oog bij [naam slachtoffer] . Ook gebruikte verdachte, wanneer de penetratie niet gemakkelijk lukte, spuug of glijmiddel.

Naast de anale en vaginale penetratie duwde verdachte wel eens met zijn lippen tegen haar mond en probeerde met zijn tong haar mond binnen te gaan. Daarnaast gebeurde het, meestal op de ouderslaapkamer, dat [naam slachtoffer] verdachte in zijn tepels moest knijpen, waarbij verdachte zich aftrok . Ook heeft zij hem één keer moeten pijpen . Tevens heeft verdachte aan de borsten van [naam slachtoffer] gezogen.

Het laatste seksuele contact tussen verdachte en [naam slachtoffer] heeft volgens haar plaatsgevonden tussen maandagavond 23 en dinsdagmorgen 24 april 2007. Tijdens het intakegesprek met de politie op woensdag 25 april 2007 rond 00.30 uur heeft [naam slachtoffer] daarover verteld dat verdachte in de avond/nacht op haar kamer was gekomen, op haar was gaan liggen, zijn piemel in haar vagina had gedaan, heen en weer gaande bewegingen had gemaakt en uiteindelijk klaar was gekomen. Zij had zich daarna nog niet gewassen. Ook tegen haar moeder en tegen de arts die haar om 02.00 uur op 25 april 2007 inwendig heeft onderzocht heeft [naam slachtoffer] verteld dat dit de laatste geslachtsgemeenschap is geweest. Bij de arts heeft zij daaraan nog toegevoegd dat zij zich na dit voorval niet heeft gewassen en wel heeft geplast.

1.2 De aangifte en aanvullende verklaring van [naam moeder slachtoffer]

[naam moeder slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij al langere tijd een vermoeden had “dat er iets niet goed zat”. Voorts heeft [naam moeder slachtoffer] verklaard dat het haar zeker het laatste half jaar opvalt dat haar man ’s nachts het bed verlaat en dan geruime tijd wegblijft. De keren dat zij naar beneden is gelopen om te kijken waar hij is, kwam hij altijd direct naar haar toe en ging hij met haar mee naar boven. Terwijl in het verleden het licht op de overloop altijd aan bleef, is het tegenwoordig de wens van haar man dat alle lichten uit moeten. [naam moeder slachtoffer] heeft verklaard dat zij heeft geluisterd of zij geluid hoorde komen uit de slaapkamer van [naam slachtoffer] en haar zusje. Zij hoorde dan een ritselend geluid, waarvan zij vermoedde dat het werd veroorzaakt door de plastic hoezen om de matrassen van de meisjes. [naam moeder slachtoffer] heeft verklaard dat zij, toen [naam slachtoffer] met haar beschuldiging kwam, merkte dat zij niet eens zo erg verbaasd was, “omdat zij al vermoedens in die richting had”. De laatste maanden was zij steeds meer op haar man gaan letten als zij wist dat haar man ergens met [naam slachtoffer] alleen in huis was. Zij heeft ook aan haar man gevraagd wat hij met [naam slachtoffer] deed, maar haar man had dan altijd een verhaal.

Met betrekking tot de concrete beschuldigingen van [naam slachtoffer] heeft zij als volgt verklaard.

Toen het gezin in [adres] woonde was het inderdaad zo dat [naam moeder slachtoffer] tussen 1999 en 2001 op donderdagavond afwezig was.

Zij heeft verklaard dat zij in de zomer van 2006, zij was toen hoogzwanger van haar jongste zoon, een verandering heeft opgemerkt in het patroon van seksuele omgang met haar man, waarbij hij minder dan gebruikelijk seksueel in haar geïnteresseerd was.

Tijdens de vakantie in de zomer van 2006 op de camping van Frankrijk heeft zij op een gegeven moment opgemerkt dat haar man en [naam slachtoffer] weg waren. Toen zij terugkwamen heeft haar man enthousiast verteld over waar zij waren geweest, terwijl [naam slachtoffer] er stil naast stond. Ook ging haar man tijdens deze vakantie alleen met [naam slachtoffer] met de auto brood halen, waarbij zij soms lang wegbleven.

Zij heeft gezien dat [naam slachtoffer] in januari 2007 een blauw oog had. Haar man had als verklaring voor het blauwe oog gegeven dat [naam slachtoffer] tijdens het slaapwandelen met haar hoofd tegen de wasbak was gevallen. Zij vond het wel een heel vreemd verhaal, maar omdat [naam slachtoffer] er niets over zei, kon zij er verder niets mee.

[naam moeder slachtoffer] heeft verklaard dat haar man in de nacht van 23 op 24 april 2007 uit bed is geweest. Voor haar gevoel is verdachte drie kwartier tot een uur weggeweest. [naam slachtoffer] heeft haar verteld dat verdachte die nacht bij haar is geweest en in haar heeft gespoten.

Zij heeft tevens verklaard dat haar man de kinderen heeft geslagen. In het verleden was de afspraak gemaakt dat er alleen op de billen zou worden geslagen, maar de laatste maanden heeft zij haar man meerdere van de kinderen zien slaan, waarbij andere plaatsen op het lichaam of het hoofd werden geraakt.

In haar aanvullende verklaring van 8 mei 2007 heeft [naam moeder slachtoffer] weer uitvoerig verklaard over alle omstandigheden die haar argwaan gewekt hadden. Ook heeft zij verklaard over het dwingende gedrag van haar man, en het feit dat zij er heel zeker van is dat [naam slachtoffer] de waarheid heeft verteld. Aan deze overtuiging heeft ook bijgedragen dat [naam slachtoffer] haar vertelde dat er seksuele handelingen op bepaalde plaatsen hadden plaatsgevonden, bijvoorbeeld op een parkeerplaats in [plaatsnaam] achteraan in een hoekje. Dat waren plaatsen waar zijzelf ook wel eens seks had gehad met haar man, of waarvan zij wist dat haar man daar seks had gehad met andere vrouwen voordat zij een relatie met hem kreeg .

1.3 De verklaring van [naam kind 1]

[naam kind 1] heeft op 9 mei 2007 een verklaring afgelegd.

Op de vraag of [naam kind 1] iets is opgevallen tussen zijn vader en [naam slachtoffer] heeft [naam kind 1] als volgt verklaard. Toen het gezin in 2006 van vakantie in Frankrijk was teruggekomen gingen alle gezinsleden uitrusten op hun slaapkamer. Op een gegeven moment is [naam kind 1] naar de kamer van [naam slachtoffer] gelopen, omdat hij een boek uit de zich daar bevindende boekenkast wilde pakken. [naam kind 1] heeft verklaard dat hij zijn vader op zijn knieën zag zitten voor het bed van zijn zus. [naam slachtoffer] lag in bed en het leek alsof zij sliep. Zijn vader werd boos en stuurde hem naar zijn kamer. Een paar minuten later kwam zijn vader heel boos de kamer van [naam kind 1] binnen en sloeg hem. Daarna pakte verdachte [naam kind 1] bij zijn oor en heeft [naam kind 1] naar de slaapkamer van [naam slachtoffer] geduwd. Verdachte vroeg [naam kind 1] wat hij had gezien. [naam kind 1] heeft gezegd dat hij alleen heeft gezien dat verdachte voor het bed zat. Toen leek het alsof zijn vader moest huilen, hij was verdrietig. [naam slachtoffer] deed nog net alsof zij sliep en [naam kind 1] moest weer naar zijn kamer.

Daarnaast heeft [naam kind 1] verklaard dat hij heeft gezien dat [naam slachtoffer] soms van boven van de slaapkamer van zijn ouders is gekomen. [naam slachtoffer] ging dan naar de badkamer en zij had een rood hoofd. Het leek alsof zij gehuild had. Hij heeft verklaard dat het alleen was als zijn moeder weg was. Op de vraag of dit vaak gebeurde heeft [naam kind 1] verklaard dat zijn zus altijd naar boven moest met zijn vader naar hun slaapkamer als zijn moeder weg was. Volgens [naam kind 1] bleven zij dan wel een tijdje boven. De andere kinderen zaten dan voor de televisie.

Op de vraag of hem verder nog wat was opgevallen heeft [naam kind 1] verklaard: “de geur” van [naam slachtoffer] soms heel raar te vinden. Hij heeft de geur niet kunnen beschrijven, maar gezegd deze geur alleen te herkennen van hoe het in de kamer van zijn ouders soms rook. [naam kind 1] heeft over de geur ook tegen zijn moeder verteld.

[naam kind 1] heeft voorts verklaard vaak te zijn geslagen door zijn vader, overal, ook op zijn hoofd.

1.4 De verklaringen van verdachte

Verdachte heeft bij de politie in zijn tweede verklaring verklaard dat hij de laatste tijd vaak ’s nachts uit bed ging om naar de wc te gaan en daarna op de slaapkamer bij [naam slachtoffer] ging kijken. Verdachte heeft dit ter terechtzitting van 9 april 2009 bevestigd.

Verdachte heeft in genoemde politieverklaring daarover nog in het bijzonder verklaard dat hij dan -gekleed in een onderbroek- bij [naam slachtoffer] in bed ging liggen, bij haar lag en met haar oor begon te spelen . Volgens verdachte ter terechtzitting van 9 april 2009 klopt het niet zoals de politie het heeft opgeschreven: verdachte ging naar eigen zeggen wel ’s nachts uit bed en keek dan bij de kinderen op de kamer, maar ging dan niet bij [naam slachtoffer] in bed liggen. Daarnaast gebeurde het wel dat hij bij [naam slachtoffer] in bed lag, maar dat gebeurde dan ’s avonds voordat hij ging slapen.

Voorts heeft verdachte ter terechtzitting onder meer het volgende verklaard:

Op de donderdagavonden dat mijn vrouw weg was, ben ik nooit met [naam slachtoffer] alleen op de ouderslaapkamer geweest. Later misschien wel, toen [naam slachtoffer] wat beter wist waar dingen lagen. Het klopt dat er glijmiddel in een blauw flesje bij ons tussen de kussens van het bed ligt.

Ik uitte wel eens boosheid naar de kinderen. De manier waarop ik dat deed hing af van hoe boos ik was. Soms kregen de kinderen een tik of klap met de “palu”, meestal niet met de handen. De opvoeding van de kinderen was eigenlijk vooral een taak van [naam moeder slachtoffer]. Maar als de kinderen niet wilden luisteren dan werd ik erbij gehaald.

Ik heb wel eens bij [naam slachtoffer] in bed gelegen. Ik ging ’s avonds gewoon bij ze kijken. Ik deed dan de deur open. Ik keek gewoon of ze goed sliepen en deed de deur dan weer dicht. Ik ging dan alleen bij [naam kind 5] wel eens kijken. Ik ging ’s nachts niet bij de kinderen in bed liggen. Ik had ’s nachts altijd een onderbroek aan. Ik kan me niet herinneren dat ik ’s nachts bij [naam slachtoffer] in bed ging liggen. Om 22.00 uur of 23.00 uur, dat kan wel kloppen. Dan had ik kleren aan.

Als ik last van mijn buik heb, dan ga ik ’s nachts naar de wc. Ik ben dan maximaal 15 minuten of 20 minuten uit bed. Het klopt dat je de stappen van mijn vrouw op de trap hoort.

Het klopt dat ik elke dag seks had (en nog steeds heb) met mijn vrouw, zo’n drie keer per dag: voor we gaan slapen, ‘s morgens wanneer we wakker worden en soms overdag als ik uit mijn werk kom. U houdt mij voor dat ik bij de rechter-commissaris heb verklaard dat er nooit een verandering in dat seksuele patroon is geweest, terwijl mijn vrouw daar anders over heeft verklaard. Ik heb ermee bedoeld dat ik al die jaren seks had volgens het oude patroon, maar rondom de bevallingen van [naam moeder slachtoffer] was het wel anders. Dan vond ik seks op een gegeven moment afstotend.

Op de parkeerplaats in [plaatsnaam] ben ik ook wel eens met [naam moeder slachtoffer] geweest. Ik heb daar een keer seks met haar gehad.

Ik ben wel een keer of twee wezen fietsen met alleen [naam slachtoffer]. [naam moeder slachtoffer] vroeg altijd waar we geweest waren. Meestal vertelde ik dat dan.

Ik had niet regelmatig woorden met [naam slachtoffer] over het feit dat zij geen vriendje mocht hebben van mij. [naam slachtoffer] loog niet echt, maar ze hield wel dingen achter. Over die vriendjes bijvoorbeeld. Voor de aangifte was het eigenlijk altijd een eerlijke meid.

Over het blauwe oog van [naam slachtoffer] weet ik dat ik ’s nachts een niet normaal geluid hoorde. Ik ging er heen en zag dat [naam slachtoffer] in de badkamer, mogelijk over [naam kind 3] gevallen was. Ze had een blauw oog. Ik heb toen een zak bevroren paprika’s gehaald.

1.5. Sporen- en DNA-onderzoek door het NFI

Zoals bij de vastgestelde feiten al vermeld is op één locatie in de onderbroek van [naam slachtoffer] een zwakke aanwijzing verkregen op de aanwezigheid van spermavloeistof. Van deze bemonstering van de onderbroek is een DNA-profiel verkregen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte.

Ter terechtzitting van 5 juni 2008 is door de rechtbank ambtshalve aan de orde gesteld dat gelet op de uitkomsten van het NFI-onderzoek aan zedenset, onderbroek en laken het nader horen van de opstellers van de rapporten als getuige-deskundigen ter zitting noodzakelijk werd geacht. Op de terechtzitting van 6 november 2008 zijn H.N. Bauer en T.J.P De Blaeij nader bevraagd en hebben zij foto’s van de onderbroek overgelegd.

Meer in het bijzonder heeft getuige-deskundige Bauer daarbij het volgende aangegeven :

Het klopt dat bij het voorlopig onderzoek van de zedenset geen sperma en geen spermavloeistof is aangetroffen. Met sperma wordt gedoeld op spermacellen die microscopisch waarneembaar zijn als koppen al dan niet met staartjes. Met spermavloeistof wordt gedoeld op het ejaculaat, daarin hoeven geen spermacellen te zitten.

Het klopt dat in het voorlopig onderzoek op een locatie in het kruis van de onderbroek een zwakke aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van spermavloeistof. Met een zwakke aanwijzing wordt bedoeld dat de zure fosfasetest een positief testresultaat heeft opgeleverd. Deze test gaf een positief resultaat op de aanwezigheid van spermavloeistof op de buitenzijde van de slip aan de voorzijde van het kruis.

Getuige-deskundige de Blaeij heeft ter zitting verklaard :

De bemonsteringen van de zedenset en de onderbroek zijn vervolgens aan de zogenaamde differentiële lysistechniek onderworpen. Met betrekking tot de onderbroek is de conclusie dat in de spermacelfractie het volledige DNA-profiel is verkregen van een man, welk profiel matcht met verdachte, met een frequentie van kleiner dan 1 miljard. Dit is de standaardkans bij een volledig DNA-profiel waarbij geen sprake is van bloedverwanten. Die kans is extreem laag te noemen. In vrijwel alle gevallen zal de matchende persoon celdonor zijn van het spoor.

Bij de differentiële lysistechniek is een monster veiliggesteld door een vierkantje stof uit de slip te knippen, op foto 1 aangeduid met een zwart vierkantje van anderhalve bij tweeënhalve centimeter. De rest van de slip is niet helemaal op dezelfde wijze onderzocht zoals dit stukje stof. Er is meer wittig materiaal gevonden op andere locaties van de slip. Het is nog mogelijk alle andere aangetroffen plekken te onderzoeken.

Er was een positief testresultaat op de buitenkant van de slip. De conclusie dat de onderzochte vlek er op de buiten- of binnenkant van de slip is opgekomen, is niet te trekken. Dit heeft te maken met allerlei factoren, met name de zogenaamde capillaire werking van de enkellaags stof van de betreffende onderbroek, waarbij vloeistof in de stof trekt en later niet meer is vast te stellen aan welke kant de spermavloeistof op de slip is gekomen. Daarnaast kan ook sprake zijn van een vals negatief testresultaat op de binnenkant van de slip. Dit kan zijn veroorzaakt door de aanwezigheid van urinesporen. Hoe meer vervuiling, hoe groter de kans op een vals negatief resultaat. De mate waarin de slip is gebruikt, vergroot de kans op een vals positief en op een vals negatief testresultaat, maar de kans op een vals negatief resultaat zal eerder toenemen dan de kans op een vals positief resultaat. De buitenkant van de slip is over het algemeen schoner. Spermavloeistof trekt dan door de stof heen. Je krijgt dan aan de buitenkant en niet aan de binnenkant een positief testresultaat. Uitgebreider sporenonderzoek kan nog plaatsvinden maar zal niet meer duidelijkheid geven aan welke kant het spoor is aangebracht.

Op een vraag van de raadsman naar de hoeveelheid van het gevonden materiaal heeft getuige-deskundige de Blaeij nog het volgende verklaard:

Des te meer invloeden er zijn, des te minder spermacellen er over blijven. Door plassen is de kans groot dat een groot deel van het sperma het lichaam weer verlaat. Daar komt bij dat de anatomische bouw van elke vrouw anders is. Ook is van belang of er naderhand is gedoucht en of de onderbroek tijdens of pas na de zaadlozing is gedragen en hoelang de slip daarna is gedragen.

2 De waardering van de beschikbare bewijsmiddelen

De rechtbank is van oordeel dat de hierboven onder A respectievelijk D weergegeven vaststaande feiten en bewijsmiddelen op zichzelf voldoende wettig bewijs opleveren om te kunnen concluderen dat verdachte [naam slachtoffer] langdurig en frequent seksueel heeft misbruikt.

De verdediging heeft evenwel zowel de betrouwbaarheid als de bruikbaarheid van de onderscheiden bewijsmiddelen op verschillende gronden betwist. De rechtbank zal hieronder ingaan op de vraag of het beschikbare bewijs als wettig en overtuigend kan worden beschouwd.

2.1 De vraag naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam slachtoffer]

De verdediging heeft op een aantal gronden de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam slachtoffer] betwist omdat het er alle schijn van zou hebben dat het niet klopt wat ze verklaart.

Ten eerste zou [naam slachtoffer] een –in zedenzaken vaker voorkomend- motief kunnen hebben om een valse beschuldiging te doen, hetgeen de raadsman in casu gelegen ziet in de volgens hem destijds al verstoorde relatie tussen [naam slachtoffer] en haar stiefvader: omdat hij zich als een vader gedraagt en haar vertelt wat ze wel en niet mag doen en met name dat [naam slachtoffer] van hem geen vriendjes mag hebben, terwijl die controle haar -mede gelet op haar leeftijd (puberteit)- het gevoel zou geven dat ze wordt beknot.

De rechtbank is van oordeel dat uit de verschillende verklaringen van [naam slachtoffer], maar ook uit die van [naam moeder slachtoffer] en verdachte zelf, een ander beeld naar voren komt, waarbij door alle betrokkenen de relatie tussen verdachte en [naam slachtoffer] tot 2007 in zijn algemeenheid juist als goed wordt bestempeld, terwijl [naam slachtoffer] verdachte vanaf het begin als haar vader heeft beschouwd en waarbij de ruzies die er de laatste maanden wellicht waren over vriendjes geen beeld opleveren van een zich tegen haar vader verzettend meisje in de puberteit. Een mogelijk motief van [naam slachtoffer] om verdachte valselijk te beschuldigen is voor het overige door de verdediging onvoldoende onderbouwd om inhoudelijk op te kunnen reageren.

Ten tweede heeft de verdediging aangevoerd dat het opvallend is dat [naam slachtoffer] nooit eerder melding heeft gemaakt van het seksuele misbruik. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan deze stelling als zodanig niet de conclusie worden verbonden dat de verklaringen van [naam slachtoffer] niet op waarheid berusten. Zoals algemeen bekend zijn er immers tal van mogelijke redenen die een slachtoffer van incest kan hebben om te zwijgen soms uit loyaliteit naar de moeder, soms zelfs uit (een soort dubbele) loyaliteit naar de vader, danwel uit angst niet geloofd te worden, uit angst voor gewelddadige reacties van de dader of uit angst het hele gezin uiteen te doen vallen. [naam slachtoffer] zelf heeft hierover ook verklaard. Dit overigens nog daargelaten dat het misbruik volgens [naam slachtoffer] zou zijn begonnen op zeer jonge leeftijd, waarbij zij aangeeft dat het door de frequentie en duur ervan gaandeweg min of meer een deel van haar leven werd .

Ten derde heeft de verdediging aangevoerd dat het onwaarschijnlijk is dat het misbruik jarenlang meerdere keren per week in een overvol huis plaatsvindt (veel andere kinderen die ook met elkaar op een kamer slapen, hun moeder, twee jaar lang een inwonende neef [naam neef], meerdere mensen als oppas in huis) en dat niemand iets in de gaten zou hebben gehad.

De rechtbank is van oordeel dat het -anders dan de raadsman stelt- niet op zichzelf ondenkbaar is dat het misbruik heeft kunnen plaatsvinden op de wijze zoals door [naam slachtoffer] beschreven. Volgens [naam slachtoffer] vond het misbruik in [adres] tussen 1999 en 2001 alleen op donderdagavond plaats, wanneer moeder uit huis was, waarbij de slaapkamerdeur van verdachte op slot werd gedraaid, terwijl de andere zeer jonge kinderen beneden waren. In deze periode woonde volgens verdachte ter terechtzitting [naam neef] in huis. Dat [naam neef] volgens moeder in haar verklaring ter terechtzitting niets heeft gemerkt, doet naar het oordeel van de rechtbank niets af aan de mogelijkheid dat verdachte met [naam slachtoffer] tijdelijk alleen is geweest op zijn slaapkamer op bedoelde donderdagavonden. Vanaf 2001 tot de verhuizing zou het misbruik ’s nachts hebben plaatsgevonden, als alle anderen sliepen, bij de trap naar zolder, waarbij [naam slachtoffer] door verdachte uit bed werd gehaald en naar de overloop op de zolderverdieping werd meegenomen terwijl de lichten uit bleven. Ook hier acht de rechtbank de enkele aanwezigheid van anderen in huis niet zonder meer voldoende grond om te stellen dat ondenkbaar is dat dit gebeurde zonder dat iemand het merkte. Ook het feit dat [naam slachtoffer] met andere zeer jonge kinderen op de kamer sliep, doet daaraan niets af. Ook de door [naam slachtoffer] beschreven wijze waarop het misbruik in [plaatsnaam] voortduurde, acht de rechtbank als zodanig niet in strijd met het feit dat het misbruik zich in dat huis gedurende ongeveer 3 jaren kan hebben voorgedaan zonder dat iemand het kon merken.

Bovendien is het naar het oordeel van de rechtbank de vraag of de stelling van de verdediging dat niemand iets heeft gemerkt, wel klopt. De moeder van [naam slachtoffer] heeft immers in haar aangifte expliciet gezegd dat zij op enig moment, in ieder geval al in de zomer van 2006 in de gaten kreeg dat er iets niet goed zat. Ze beschrijft vervolgens een aantal concrete situaties (de camping in Frankrijk, de verandering in het seksuele patroon met haar man, het ’s nachts uit bed gaan met de lichten uit en geruime tijd wegblijven, waarbij zij probeert te zien of horen waar hij is, het steeds meer op haar man letten als hij alleen met [naam slachtoffer] ergens in huis was), waardoor zij op 24 april 2007 als [naam slachtoffer] haar verhaal doet, beschrijft hoe zij eigenlijk niet zo heel erg verbaasd is gezien het feit dat zij haar vermoedens in die richting al had.

In haar aanvullende verklaring heeft moeder daarnaast nog een aantal voorvallen genoemd die haar destijds een onbehagelijk gevoel gaven, en die een vraagteken opriepen over wat er nu eigenlijk aan de hand was. Als voorbeeld noemt moeder de keer dat verdachte midden in de nacht uit bed was gegaan en later in paniek haar kwam halen omdat [naam slachtoffer] met haar oog op de rand van het badkamermeubel zou zijn gevallen. Ook wanneer verdachte met [naam slachtoffer] wegging om auto te rijden en uren wegbleef terwijl hij en [naam slachtoffer] allebei hun telefoon niet opnamen, kreeg moeder de vermoedens heel sterk. Als ze hen bij terugkeer dan bevroeg over waar ze waren geweest, stond [naam slachtoffer] er stil bij en zei niks, terwijl verdachte een enthousiast verhaal vertelde.

Ten vierde heeft de raadsman betoogd dat verdachte nooit is betrapt op seksuele handelingen en dat de verklaring van [naam kind 1] over de keer dat hij verdachte en [naam slachtoffer] op haar slaapkamer zou hebben aangetroffen, daaraan niets afdoet. De rechtbank zal op dit punt terugkomen bij de bespreking van de bruikbaarheid van de verklaring van [naam kind 1], maar wijst erop dat de vraag naar al dan niet betrapping niet als zodanig tot conclusies kan leiden omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam slachtoffer]. Van incest als zodanig kan daarbij overigens net zo goed gezegd worden dat het zich veelal juist in het geheime en beslotene van een gezinssysteem afspeelt, waarbij daders van dergelijke feiten er juist extra op zullen letten niet betrapt te worden.

Ten vijfde heeft de raadsman betoogd het opvallend te vinden dat [naam slachtoffer] niet zwanger is geworden na jarenlange onbeschermde seks en dat niets is gebleken van klachten, ook lichamelijke, terwijl de huisarts het misbruik onwaarschijnlijk zou hebben geacht.

De rechtbank wijst allereerst op de aanvullende verklaring van moeder waaruit valt op te maken dat [naam slachtoffer] ten tijde van de aangifte pas een paar maanden ongesteld was. Wat betreft het ontbreken van klachten overweegt de rechtbank dat [naam slachtoffer] zelf wel degelijk heeft beschreven dat de anale seks in het begin pijn deed en dat zij daarvan heeft gebloed. Ook heeft zij aangegeven hoe zij geestelijk heeft geleden maar ook haar gevoel uitschakelde en alles het liefste wegstopte. De brief van de huisarts waar de raadsman aan refereert, is naar het oordeel van de rechtbank niet bruikbaar voor de stelling dat [naam slachtoffer] geen klachten heeft gehad en ook niet dat het misbruik onwaarschijnlijk is, nu de huisarts –die [naam slachtoffer] niet heeft onderzocht in dit kader- zijn indruk kennelijk alleen baseert op een gegeven dat niet aan zijn expertise in deze is onderworpen (namelijk zijn indruk van het gezin en het voor hem onvoorstelbare feit dat de moeder dan niks gemerkt zou hebben).

Meer in het algemeen merkt de rechtbank op de verklaringen van [naam slachtoffer] consistent en betrouwbaar te vinden, daarbij tevens waarde toekennend aan de volgende aspecten:

a) het feit dat [naam slachtoffer] in al haar verklaringen onderscheid weet te maken tussen hetgeen zij nog goed weet, hetgeen zij niet meer precies weet en hetgeen zij zich later al dan niet nog herinnert. Ook het feit dat zij zich in 2008 bepaalde dingen niet meer goed herinnert, waarover zij meer dan een jaar daarvoor wel heeft verklaard, doet daaraan niets af. Dit valt naar het oordeel van de rechtbank te verklaren door het tussenliggende tijdsverloop en het als algemeen bekend op te vatten gegeven dat de details van herinneringen na verloop van tijd in meerdere of mindere mate vervagen;

b) de wijze waarop zij (schoorvoetend) over het misbruik is gaan vertellen, eerst aan [naam vriendje 2] en daarna aan moeder, die daarover in mei 2007 heeft verklaard heel zeker te weten dat [naam slachtoffer] de waarheid zegt, op grond van wat [naam slachtoffer] moeder in het begin heeft verteld en de vragen die moeder toen aan haar heeft gesteld ;

c) de eigen waarneming van de voorzitter van de meervoudige kamer in de hoedanigheid van rechter-commissaris tijdens het afnemen van het (langdurig) verhoor van [naam slachtoffer] op 12 mei 2008, waarbij ook de raadsman ruimschoots in de gelegenheid is geweest de beëdigde getuige vragen te stellen en waarbij de overige rechters van de meervoudige strafkamer de video-opnamen van dit verhoor naderhand hebben bekeken, zodat de rechtbank zich een direct en zelfstandig oordeel heeft kunnen vormen over de betrouwbaarheid van getuige.

2.2 De vraag naar de bruikbaarheid van de aangifte en aanvullende verklaring van [naam moeder slachtoffer] uit 2007

De raadsman heeft betoogd dat het benoemen van vermoedens door moeder niet kan bijdragen tot het bewijs, omdat diverse handelingen van verdachte opeens met terugwerkende kracht als vreemd zouden zijn bestempeld en ingekleurd zouden zijn door de beschuldiging. Dit temeer daar dergelijke vermoedens niet langer meer leven bij moeder.

Op zichzelf is het juist dat onder de verklaring van een getuige moet worden verstaan de mededeling van feiten en omstandigheden die de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden. Het enkele vermoeden zonder daarbij toe te lichten welke waarnemingen aan dit vermoeden ten grondslag liggen, zou neerkomen op een niet voor het bewijs bruikbare speculatie. Van een dergelijke speculatie is naar het oordeel van de rechtbank hier evenwel geen sprake, nu [naam moeder slachtoffer] wel degelijk benoemt welke voorvallen haar hebben gesterkt in bedoeld vermoeden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat geen sprake is van latere inkleuring door moeder, nu zij -zoals hierboven onder 2.1. reeds weergegeven- duidelijk in haar verklaringen uit 2007 heeft benoemd dat zij al geruime tijd voordat [naam slachtoffer] haar vertelde over het misbruik, een aantal situaties dusdanig vreemd vond dat deze hebben geleid tot haar vermoedens van seksueel misbruik. Bovendien heeft [naam moeder slachtoffer] noch in haar brief van 4 februari 2008 noch in haar terechtzitting afgelegde verklaring, de voorvallen die zij eerder had beschreven als zodanig herroepen. Wel heeft zij later aangegeven waarom zij intussen is gaan twijfelen aan de verklaringen van [naam slachtoffer], terwijl zij ten tijde van de aangifte honderd procent geloof heeft gehecht aan hetgeen [naam slachtoffer] haar vertelde.

In het procesverbaal van de terechtzitting van 5 juni 2008 is uitgebreid weergegeven welke redenen moeder daarvoor heeft aangevoerd. De rechtbank merkt op dat veel van de door moeder benoemde dingen in het gedrag van [naam slachtoffer] zich zouden hebben voorgedaan in de periode nadat [naam slachtoffer] heeft verteld over het misbruik. Geen van de door moeder genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank redengevend om daarom als zodanig te moeten twijfelen aan de betrouwbaarheid van [naam slachtoffer]. Overigens hebben zowel moeder als verdachte zelf steeds gezegd dat zij –voordat [naam slachtoffer] met het verhaal naar buiten kwam- hun dochter kenden als iemand die niet loog. Daarnaast doet ook het feit dat [naam slachtoffer] in de periode na april 2007 niet (in detail) met moeder over het misbruik zou hebben willen praten, als zodanig niets af aan de betrouwbaarheid van haar eerdere verklaringen.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de eerste verklaringen van [naam moeder slachtoffer] ondanks haar latere verklaringen, bruikbaar zijn voor het bewijs, voor zover daarin concrete, ook door [naam slachtoffer] genoemde voorvallen zijn beschreven. Daarnaast kunnen deze verklaringen van moeder een rol spelen in de overtuiging dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

2.3 De vraag naar de bruikbaarheid van de verklaring van [naam kind 1]

De raadsman heeft betoogd dat –zoals hierboven onder 2.1 al even aan de orde is gekomen- uit de verklaring van [naam kind 1] in combinatie met hetgeen [naam slachtoffer] bij de rechter-commissaris heeft verklaard over dit voorval, niet de conclusie kan worden getrokken dat verdachte een keer is betrapt.

Ten eerste kan volgens de raadsman niet worden uitgesloten dat beiden hun verklaringen aan elkaar hebben aangepast, maar ten tweede merkt de raadsman juist op dat de verklaringen niet op elkaar aansluiten.

[naam slachtoffer] heeft over dit voorval verklaard op 12 juni 2008 nadat [naam kind 1] er al eerder in 2007 over heeft verklaard. [naam slachtoffer] zegt op de vraag of het wel eens gebeurd is dat verdachte seks had met haar en dat er iemand binnenkwam dat zij weet van een keer in [plaatsnaam], dat ze net terugwaren uit Frankrijk en verdachte op haar kamer seks met haar aan het hebben was, dat ze heeft gezien dat de deur open ging en dat ze het gezicht van [naam kind 1] zag. Dat ze later van [naam kind 1] heeft gehoord dat hij toen binnenkwam om een boek uit de kast te halen. Dat ze niet meer weet of [naam kind 1] echt is binnengekomen. Dat volgens haar verdachte op haar lag en toen opsprong en dat ze niet meer weet of verdachte toen kleren aanhad.

De rechtbank merkt op dat [naam slachtoffer] niet verhult dat zij er kennelijk met [naam kind 1] over heeft gesproken, maar dat er wel enige verschillen zijn in hetgeen [naam slachtoffer] en hetgeen [naam kind 1] op onderdelen verklaart: zoals de vraag of verdachte naast het bed zat of op [naam slachtoffer] lag toen [naam kind 1] binnenkwam. De rechtbank vindt dit evenwel als zodanig geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam kind 1], temeer daar [naam kind 1] er zelf over verklaart dat [naam slachtoffer] tegen hem heeft gezegd dat verdachte net was opgesprongen toen hij binnen kwam. De rechtbank hecht overigens vooral waarde aan de verklaring van [naam kind 1] op dit punt, omdat deze een concreet door [naam slachtoffer] benoemd voorval ondersteunt, dat kan duiden op een betrapping door een derde, waarbij hij bovendien melding maakt van toch opvallend te noemen gedrag van verdachte, die boos wordt over het feit dat [naam kind 1] is binnengekomen, hem daarna slaat en vervolgens wil weten wat [naam kind 1] heeft gezien.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verklaring van [naam kind 1] over de keren dat zijn moeder weg was, de verklaringen van [naam slachtoffer] over de donderdagavonden in [adres] ondersteunt. [naam kind 1] heeft daarover immers opgemerkt dat [naam slachtoffer] van verdachte naar diens slaapkamer moest, dat zij dan een tijdje wegbleven en dat [naam slachtoffer] later met een rood hoofd naar de badkamer ging, waarbij het leek of zij gehuild had, Dat [naam kind 1] destijds zelf niet heeft vermoed dat het hier om seksueel misbruik ging, zoals door de raadsman betoogd, doet naar het oordeel van de rechtbank hier niet ter zake, nog daargelaten dat [naam kind 1] in die periode niet ouder dan 8 jaar kan zijn geweest en het derhalve niet voor de hand ligt dat hij op die jonge leeftijd uit zichzelf dergelijke conclusies verbindt aan wat hij waarneemt.

Hetzelfde kan worden betoogd voor [naam kind 1]’s waarneming van de geur, die hij als opvallend betitelt en die hij bij [naam slachtoffer] heeft waargenomen. Hij zegt de geur raar te vinden en verklaart de geur alleen te kunnen vergelijken met de geur die hij soms in de kamer van zijn ouders rook. Als zodanig kan deze verklaring niet direct tot het bewijs dienen, maar gevoegd bij de aanvullende verklaring van [naam moeder slachtoffer] kan deze wel van belang zijn voor de overtuiging. [naam moeder slachtoffer] verklaart immers dat [naam kind 1] ook aan haar heeft verteld dat hij wel eens aan [naam slachtoffer] rook dat er net zo’n lucht om haar heen hing als bij de ouders ’s morgens in de slaapkamer. Moeder merkt daar dan vervolgens over op dat hij kennelijk bedoelde de lucht nadat je seks hebt gehad. In het weekend kwam het volgens moeder namelijk vaak voor dat ze ‘s morgens seks had met verdachte (met de deur op slot) en dat daarna de kinderen binnen konden komen.

Concluderend is de verklaring van [naam kind 1] naar het oordeel van de rechtbank, in combinatie met de verklaringen van [naam slachtoffer], op onderdelen bruikbaar voor het bewijs, en voorts van mogelijk belang voor de overtuiging van de rechtbank.

2.4 De vraag naar de bruikbaarheid van de eigen verklaringen van verdachte

Verdachte heeft het tenlaste gelegde seksueel misbruik in iedere vorm van aanvang af ontkend. Desalniettemin zijn de verklaringen van verdachte naar het oordeel van de rechtbank op onderdelen bruikbaar voor het bewijs. Het gaat dan met name om de onderdelen die de verklaringen van [naam slachtoffer] ondersteunen, als het gaat om de vraag of verdachte veelvuldig in de gelegenheid is geweest met [naam slachtoffer] alleen te zijn en daarmee in de gelegenheid is geweest het hem ten laste gelegde te begaan. Zo heeft verdachte in zijn tweede politieverklaring aangegeven ’s nachts, nadat hij naar de wc is geweest, vaak de kamer van [naam kind 5] en [naam slachtoffer] binnen te zijn gelopen, waarbij hij dan wel bij [naam slachtoffer] in bed ging liggen . Hij heeft voorts ter zitting aangegeven dat het hoorbaar is wanneer zijn vrouw op de trap naar beneden komt.

Verdachte bevestigt voorts dat hij er wel eens alleen op uit ging met [naam slachtoffer], bijvoorbeeld om een eind met de auto te rijden. Ter zitting heeft hij aangegeven ook wel met haar alleen te zijn gaan fietsen. In zijn tweede verklaring bij de politie bevestigt verdachte dat hij op de camping in Frankrijk op een gegeven moment alleen weg is gegaan met [naam slachtoffer] en dat zij hadden rondgelopen om de omgeving van de camping te bekijken, waarbij zij achter de camping door de struiken naar een riviertje zijn gegaan . Verdachte heeft daarnaast aangegeven behoefte te hebben aan meerdere keren seks per dag. En tenslotte heeft verdachte bevestigd dat hij de kinderen wel slaat met de pollepel als hun gedrag hem daartoe aanleiding geeft.

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde verklaringen van verdachte de verklaring van [naam slachtoffer] ondersteunen in zoverre dat verdachte veelvuldig onder verschillende omstandigheden alleen is geweest met [naam slachtoffer] op de plaatsen waarvan zij zegt dat het misbruik daar plaatsvond. Daarnaast bevestigt verdachte dat hij er binnen het gezin onder andere door te slaan, voor zorgde dat de kinderen hem gehoorzaamden. Zijn verklaringen zijn in die zin bruikbaar voor het bewijs.

2.5 De vraag naar de waardering van de uitkomsten van het spermasporen- en DNAonderzoek

Onderscheid moet naar het oordeel van de rechtbank worden gemaakt tussen het onderzoek en de uitkomsten daarvan met betrekking tot de zedenset, de onderbroek en het laken. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het hier gaat om sporen in relatie tot mogelijk seksueel verkeer tussen verdachte en [naam slachtoffer] in de periode tussen maandagavond 23 april en dinsdagmorgen 24 april 2007. Over die door [naam slachtoffer] hierboven reeds beschreven laatste keer zijn een aantal details wel en een aantal details niet bekend geworden. Dit bemoeilijkt het trekken van conclusies als het gaat om de waardering van de verschillende verkregen onderzoeksresultaten.

De raadsman heeft op een aantal punten gemotiveerd aangegeven dat de uitkomsten van het onderzoek door het NFI niet kunnen bijdragen tot het bewijs. De rechtbank zal hieronder ingaan op bedoelde verweren en zich vervolgens uitlaten over de al dan niet bruikbaarheid van het forensisch onderzoeksresultaat voor het bewijs van het aan verdachte ten laste gelegde.

2.5.1. Onderzoek naar het laken door het NFI

De raadsman noemt kort het feit dat er geen sporen op het laken van het bed van [naam slachtoffer] zijn aangetroffen als voorbeeld van een ontlastend gegeven. De rechtbank is het eens met de raadsman dat bij het NFI-onderzoek aan het laken geen sperma of een aanwijzing voor spermavloeistof is aangetroffen. Volgens het deskundigenrapport van 10 maart 2008 zijn daarom van het laken geen sporen veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.

De rechtbank wijst erop dat bij de waardering van onderhavig onderzoeksresultaat ook de volgende aspecten van belang zijn.

Allereerst heeft de getuige-deskundige Bauer ter terechtzitting van 6 november 2008 het volgende verklaard:

Het laken is eerst visueel bekeken met een forensische lichtbron. Er was één oplichtende vlek. Op deze vlek is de zure fosfasetest toegepast. Het testresultaat was negatief. Er is specifiek naar spermasporen gezocht, andere sporen zijn niet onderzocht.

Ten tweede is uit het politieonderzoek destijds niet komen vast te staan of bedoeld laken die nacht tijdens het door [naam slachtoffer] beschreven seksueel verkeer op haar bed heeft gelegen. Slechts kan worden vastgesteld dat de politie het laken op woensdagavond 25 april van het bed van [naam slachtoffer] heeft gehaald op een tijdstip nadat verdachte was aangehouden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de uitkomsten met betrekking tot het laken –positief of negatief- niet als belastend en ook niet als ontlastend kunnen worden bestempeld. De rechtbank heeft dan ook ambtshalve geen noodzaak gezien nader onderzoek aan het laken te laten verrichten, nu na zo lange tijd onmogelijk meer kan worden vastgesteld of bedoeld laken tijdens het door [naam slachtoffer] genoemde laatste seksuele verkeer op het bed heeft gelegen.

2.5.2 onderzoek zedendelicten

De raadsman heeft aangevoerd dat de bij [naam slachtoffer] afgenomen zedenkit (ongeveer 24 uur na het door [naam slachtoffer] beschreven laatste seksueel verkeer), waarbij verdachte zou zijn klaar gekomen en [naam slachtoffer] zich nadien niet heeft gewassen, een belangrijk ontlastend gegeven is. De raadsman voert daartoe aan dat in een normaal ejaculaat 250 tot 600 miljoen spermacellen zitten die doorgaans pas na drie tot zeven dagen na de gemeenschap niet meer aantoonbaar zijn, terwijl verdachte vruchtbaar blijkt te zijn, zodat een positieve uitslag meer voor de hand zou liggen.

De rechtbank merkt allereerst op dat wat er ook zij van de door de raadsman genoemde normale hoeveelheid spermacellen, door de getuige-deskundige de Blaeij ter zitting ook is ingegaan op de mogelijke betekenis van de uitkomsten van dit onderzoek. Zij heeft daarover het volgende verklaard:

U vraagt mij naar de reden waarom –ondanks het feit dat in ZAI292 bij het eerdere onderzoek geen sperma is aangetroffen- de bemonsteringen toch zijn onderworpen aan de differentiële lysistechniek. Er wordt dan gekeken of er toch dieper in het wattenstaafje spermacellen aanwezig zijn. Deze methode resulteert in twee fracties, een fractie met het DNA van de spermacellen en een fractie met het DNA van de overige cellen. U vraagt mij of de conclusie met betrekking tot de zedenset betekent dat met zekerheid kan worden gezegd dat in de vagina/baarmoedermond geen sperma(vloeistof) aanwezig is geweest op het moment van de afname van het materiaal. Nee het is mogelijk dat de spermacellen zich dusdanig in de diepere lagen bevinden dat bij later DNA-onderzoek toch nog spermacellen worden aangetroffen. Het kan ook zijn dat spermacellen in de vagina sterk worden overtroffen door vaginale cellen. De vraag of onderzoek een bruikbaar profiel oplevert, hangt af van verschillende factoren zoals de kwaliteit DNA van het spoor en de condities waaronder het spoor is veiliggesteld. In het algemeen is het tijdsverloop tussen het seksueel verkeer en de afname van materiaal zeker van belang, dat tijdsinterval moet zo kort mogelijk zijn. Daarbij wordt binnen het NFI de termijn van 24 uur als een soort gemiddelde beschouwd. Ook van belang is het leef- en beweegpatroon van de vrouw in kwestie. Tevens speelt mee hoe ervaren de arts is die het monster afneemt en hoe exact het monster is afgenomen.

De raadsman heeft zijn stelling ook ter zitting in de vorm van een vraag aan de getuige-deskundige geponeerd, namelijk hoe waarschijnlijk het is dat geen spermacellen worden aangetroffen in de situatie dat een vruchtbare man in een vrouw een zaadlozing heeft, waarbij de vrouw naderhand haar slip heeft aangetrokken, niet heeft gedoucht en binnen 24 uur de zedenkit wordt afgenomen. De getuige-deskundige heeft daarop verklaard:

Dit is van heel veel factoren afhankelijk. Ik kan daar geen uitspraak over doen. Je weet bijvoorbeeld niet hoe representatief de bemonstering is geweest. Wanneer iemand naar het toilet gaat, gaat er al een heleboel materiaal naar buiten. Des te meer invloeden, des te minder spermacellen er overblijven. Daar komt bij dat de anatomische bouw van iedere vrouw anders is.

De rechtbank concludeert dat de conclusie die de raadsman verbindt aan het negatieve testresultaat inzake de zedenkit niet kan worden getrokken en niet wordt ondersteund door hetgeen de getuige-deskundige, daarover bevraagd door de raadsman, de officier van justitie en de rechtbank, heeft verklaard.

2.5.3 Onderzoek van de onderbroek door het NFI

2.5.3.1 De onderbroek in relatie tot de verdenking van seksueel verkeer in de nacht van 23 op 24 april 2007

Zoals bij de vaststaande feiten reeds weergegeven, betreft het onderzoek van het NFI hier de groengekleurde onderbroek die [naam slachtoffer] droeg op woensdag 25 april 2007 rond het moment dat zij bij de politie Lelystad het intakegesprek voerde en om 02.00 uur in het IJsselmeerziekenhuis medisch is onderzocht.

De rechtbank is met de raadsman allereerst van oordeel dat het betreurenswaardig is dat in het onderzoeksrapport van de politie/arts geen nadere gegevens zijn ingevuld met betrekking tot deze onderbroek, zoals de vraag of de onderbroek gedragen is voor, tijdens en/of na het vermeende laatste seksueel contact. Aan de getuige-deskundige Bauer is dit ter zitting voorgelegd en zij heeft verklaard dat bedoelde vragen voor het onderzoek door het NFI niet van belang zijn. In zoverre heeft het oningevuld zijn van deze vragen geen directe consequentie voor de bruikbaarheid van het NFI-onderzoek.

Wel is het zo dat het ontbreken van details over het dragen van de onderbroek, niet alleen het onderzoek naar de precieze toedacht van het door [naam slachtoffer] aangeduide laatste seksueel verkeer bemoeilijkt, maar ook de waardering van de door het NFI gerapporteerde onderzoeksresultaten.

De politie is daarbij –naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte- in het verhoor van [naam slachtoffer] op 28 en 29 april 2007 niet verder ingegaan op relevante details van voornoemde laatste keer, zodat men niet binnen korte tijd na het feit nadere informatie over de precieze toedracht van die keer heeft vergaard. Op de zitting van 5 juni 2008 is dit punt door de rechtbank ambtshalve aan de orde gesteld. [naam slachtoffer] is vervolgens op 12 juni 2008 door de voorzitter in de hoedanigheid van rechter-commissaris en door de raadsman bevraagd over dit voorval. [naam slachtoffer] heeft toen het volgende gezegd:

Woensdagmorgen nadat we aangifte hadden gedaan ben ik in het ziekenhuis in Lelystad inwendig onderzocht. Ik heb ook daar de onderbroek die ik op dat moment droeg aan de politie gegeven. U vraagt mij of ik nog weet hoe die onderbroek eruit zag. Ik dacht dat het een groene was. U vraagt mij wat ik aanheb als ik in bed lig. Ik draag altijd een onderbroek. U vraagt mij wat ik nog weet van die dinsdagmorgen. Ik weet nog dat [naam verdachte] (verdachte) rond 7.30 uur op de kamer van [naam kind 5] en mij kwam. U vraagt mij of ik weet of [naam verdachte] eerder die nacht op onze kamer is geweest. Dat weet ik niet meer. U vraagt mij of ik die ochtend heb gedoucht. Nee. U vraagt mij of ik weet wanneer ik de onderbroek die ik aan de politie heb gegeven heb aangetrokken. Als het goed is had ik die de nacht van maandag op dinsdag al aan . Ik weet dat niet zeker. Ik trek ’s morgens niet altijd een schone onderbroek aan. Ik trek een schone onderbroek aan als ik ’s morgens gedoucht heb. U vraagt mij of ik nog weet wat ik aan de politie heb gezegd toen ze mij vroegen wat de laatste keer is geweest dat er seks was tussen [naam verdachte] en mij. Ik weet dat niet meer.

(op vragen van de raadsman) U vraagt mij hoe ik zeker weet dat ik die dinsdagochtend 24 april 2007 niet heb gedoucht, terwijl ik niet zeker weet of er die nacht seks is geweest met [naam verdachte]. Dat van het douchen weet ik zeker omdat ik na het douchen altijd natte haren heb, ik föhn mijn haren niet en weet dat ik bij die afspraak met [naam vriendje 2] geen natte haren had. U vraagt mij of ik niet juist zou willen douchen na seksueel contact. Dat weet ik niet, eigenlijk wel. Dat zou wel fris zijn, maar ik weet zeker dat ik die ochtend niet heb gedoucht.

De rechtbank concludeert dat op basis van het beschikbare bewijsmateriaal niet met zekerheid is komen vast te staan dat [naam slachtoffer] de betrokken onderbroek heeft gedragen voor of tijdens het vermeende seksuele verkeer van de nacht van maandag 23 op dinsdag 24 april 2007. Wel is komen vast te staan dat zij de onderbroek droeg op enig moment na dat vermeende seksuele verkeer en dat in deze onderbroek in het aangetroffen spermavloeistofspoor een DNA-profiel is aangetroffen dat matcht met verdachte.

2.5.3.2. De locatie van het spermavloeistofspoor: het weglaten van onderzoeksgegevens door het NFI

In de schriftelijke rapportage door het NFI is steeds gesproken over een spoor op één locatie in het kruis van de slip. Zoals hierboven reeds onder 1.5 uitgebreid weergegeven, hebben de getuigen-deskundigen van het NFI, Bauer en de Blaeij desgevraagd na het overleggen van een setje foto’s, uitgebreid verklaard over het positief resultaat dat de zure fosfasetest heeft gegeven op de aanwezigheid van spermavloeistof op de buitenzijde van de slip en het negatief resultaat op de binnenzijde.

De raadsman heeft op dit punt verweer gevoerd en betoogd dat het NFI ten onrechte onderzoeksresultaten heeft weggelaten, nu er meer is onderzocht dan uit de rapporten blijkt. De hierover ter zitting bevraagde getuige-deskundige de Blaeij heeft hierover het volgende verklaard op de vraag van de raadsman waarom in het rapport niet is vermeld dat de positieve aanwijzing op de buitenkant van de slip is aangetroffen:

Er is voor gekozen op deze wijze te rapporteren omdat anders de suggestie was gewekt dat de spermavloeistof aan de buitenkant van de slip erop zou zijn gekomen, maar dat weten wij nou juist niet. Het kan er ook aan de binnenkant opgekomen zijn. Het kan zijn dat we hier (aan de binnenkant) te maken hadden met een vals negatief testresultaat. Als gevolg van de capillaire werking kan de spermavloeistof door de hele stof heen zijn gegaan. Ik zou niet willen beweren dat het materiaal er aan de buitenkant is opgekomen. Indien zo zou zijn gerapporteerd had er misleidende informatie kunnen worden gegeven. Wij hebben de vraagstelling zo begrepen: bevindt zich DNA-materiaal op een slip en zo ja, van wie is het. Aanvullend sporenonderzoek is nog steeds mogelijk, maar dit zou zoals gezegd niet meer duidelijkheid geven aan welke kant het spoor is aangebracht.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat het beter ware geweest wanneer het NFI van aanvang af in de verslaglegging uitgebreider een en ander had weergegeven met daarbij een uitvoerige toelichting, zoals nu op de zitting wel gegeven. Nu het weglaten van bedoelde gegevens evenwel niet de inhoud of betrouwbaarheid raakt van de conclusie dat op een locatie in het kruis van de slip een positieve aanwijzing van spermavloeistof is gevonden, terwijl de verdediging in de gelegenheid is geweest om de betrokken getuige-deskundigen uitvoerig te bevragen over hun onderzoeksresultaten, verbindt de rechtbank aan dit alles geen conclusie voor de bruikbaarheid van het deskundigenrapport.

2.5.3.3. De locatie van het spermavloeistofspoor: binnen- of buitenkant van de slip?

De raadsman heeft betoogd dat het positief testresultaat op de buitenkant slechts een zwakke aanwijzing betreft, terwijl geen sperma of spermavloeistof is aangetroffen op de binnenkant, zodat het meer voor de hand zou liggen dat het spoor daar via de buitenkant terecht zou zijn gekomen.

Zoals hierboven onder 1.5 reeds besproken kan gelet op hetgeen de getuige-deskundigen ter terechtzitting dienaangaande hebben verklaard, de stelling van de raadsman naar het oordeel van de rechtbank niet worden onderschreven.

2.5.3.4. De locatie van het spermavloeistofspoor: een alternatief scenario?

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het negatieve testresultaat op de binnenkant van de slip, een ontlastend gegeven is dat bovendien aansluit bij de door [naam moeder slachtoffer] ter terechtzitting van 5 juni 2008 geopperde mogelijkheid dat het spoor via de wc-bril op de (buitenkant van de) onderbroek van [naam slachtoffer] terecht is gekomen. [naam moeder slachtoffer] heeft daarover verklaard dat er voor haar maar één logische verklaring is: als verdachte naar de wc gaat, doet hij zijn broek uit en gaat wijdbeens op de bril zitten, waarbij zijn geslachtsdeel op de bril kan komen. Voorts heeft zij na de aangifte een keer gezien hoe [naam slachtoffer] op de wc ging zitten. [naam slachtoffer] deed toen niet haar onderbroek naar beneden, maar draaide deze alleen maar om. Ik zei daar toen wat van. Ze zei dat ze het altijd zo deed.

Volgens de raadsman komt bij het omslaan van een slip de achterkant daarvan op de wc-bril wat zou kunnen aansluiten bij het feit dat het spoor op de achterkant is aangetroffen.

Nog geheel los van het feit dat [naam slachtoffer] bij de RC desgevraagd heeft verklaard niet op de beschreven wijze op de wc te zitten en ook niet daarop door moeder te zijn aangesproken, is de rechtbank van oordeel dat –zoals hierboven meermalen weergegeven- juist geen conclusies kunnen worden verbonden aan de locatie op de onderbroek, zodat het verweer alleen al op die grond niet kan slagen.

Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat het niet zo vreemd is dat het DNA-profiel overeen komt met dat van verdachte, omdat verdachte met [naam slachtoffer] in één huis woonde. Daarmee zouden talloze alternatieven zijn te bedenken hoe bedoeld spoor in de onderbroek van [naam slachtoffer] terecht kan zijn gekomen.

De rechtbank wijst er allereerst op dat het hier gaat om een volledig DNA-profiel van een man, dat is aangetroffen in de zogeheten spermacelfractie van het spermavloeistofspoor in het kruis van de onderbroek van [naam slachtoffer]. Het betreft hier met andere woorden wel een vrij specifieke en opvallend te noemen combinatie van factoren, hetgeen ook een rol speelt in de bewijskracht van het gevonden DNA-profiel. Waren het bijvoorbeeld haren of huidcellen in de onderbroek geweest, waarbij een match met verdachteDNA-profiel was vastgesteld, dan was dat inderdaad ook met een alternatieve lezing gemakkelijker te verklaren geweest. Daarnaast is ook het gegeven dat een volledig verkregen profiel is verkregen, van belang voor de bewijswaarde van het onderzoek .

Nu het gaat om spermavloeistof, ligt die alternatieve verklaring naar het oordeel van de rechtbank veel minder voor de hand. De raadsman noemt er enkele, zoals het gegeven dat alle vuile was in huis op één grote hoop zou liggen, terwijl verdachte en [naam moeder slachtoffer] veel seks hadden. Los van het feit dat de raadsman dit verweer niet gemotiveerd heeft onderbouwd, kan het naar het oordeel van de rechtbank verder buiten bespreking blijven, nu de rechtbank gelet op de beschikbare gegevens niet aannemelijk acht dat [naam slachtoffer] de onderbroek pas heeft aangetrokken nadat deze al bij de vuile was had gelegen.

Ook de door de raadsman slechts aangestipte mogelijkheid van bewuste manipulatie door [naam slachtoffer] kan naar het oordeel van de rechtbank buiten bespreking blijven bij gebrek aan voldoende onderbouwing. Ook in de door de raadsman genoemde “opvallende kenmerken aan het gedrag van [naam slachtoffer]” ziet de rechtbank geen onderbouwing van deze mogelijkheid en ook in het dossier zelf zijn daarvoor geen aanknopingspunten te vinden.

2.5.3.5 De hoeveelheid gevonden materiaal: nader onderzoek?

De raadsman heeft betoogd dat de getuige-deskundige in reactie op zijn vragen ter zitting zou hebben gezegd dat zij meer resultaten zou hebben verwacht als het seksueel contact zou hebben plaatsgevonden tussen een ejaculerende man en een meisje dat daarna een slip aantrekt, zich niet wast, waarbij binnen 24 uur na het seksueel contact een slip in beslag wordt genomen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat in de vraagstelling van de raadsman aannames zijn opgenomen die de rechtbank niet bekend zijn. Noch de precieze tijd die is verstreken tussen het vermeende contact en de afname van materiaal noch het pas na afloop aantrekken van de slip, is immers komen vast te staan.

Maar los daarvan berust de stelling van de raadsman op een verkeerde lezing van hetgeen de getuige-deskundige hierover heeft gezegd. De rechtbank verwijst in deze naar hetgeen aan het slot van 1.5 reeds is overwogen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat op meer locaties in de onderbroek een witte vloeistof is aangetroffen, zodat ook om die reden een harde conclusie over de hoeveelheid materiaal niet te trekken is. Nu evenwel de hoeveelheid van het materiaal naar het oordeel van de rechtbank in onderhavig geval niet als relevant kan gelden, omdat er vele onbekende factoren zijn die daarin een rol kunnen spelen, heeft de rechtbank geen nader onderzoek naar die andere mogelijke locaties in de slip gelast. De officier van justitie heeft dat desgevraagd ter zitting van 6 november 2008 evenmin noodzakelijk geacht en de raadsman heeft er evenmin om verzocht en zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.5.4. Conclusie met betrekking tot de waardering van het forensisch onderzoek door het NFI

Op grond van het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank de uitkomst van het onderzoek door het NFI aan de onderbroek van [naam slachtoffer], te weten de match met verdachte inzake het in het spermavloeistof gevonden volledige DNA-profiel, bruikbaar voor het bewijs in combinatie met hetgeen de getuige-deskundigen daarover ter terechtzitting hebben verklaard en ter onderbouwing van hetgeen [naam slachtoffer] heeft verklaard over het seksueel misbruik. De uitkomsten van het onderzoek aan de zedenkit en het laken doen daaraan volgens de rechtbank niet of niet voldoende af.

3. De aan verdachte ten laste gelegde feiten onder 1 en 2

Op grond van het bovenstaande onder A en D is de rechtbank van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend is komen vast te staan dat verdachte zijn stiefdochter [naam slachtoffer] van haar achtste tot haar vijftiende jaar seksueel heeft misbruikt door middel van het anaal en vaginaal met zijn penis bij haar binnendringen en door middel van het zich door [naam slachtoffer] laten pijpen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat daarbij voor het bewijs geen gebruik is gemaakt van de -door de verdediging bestreden aanvullende groepsverslagen-, zodat het verweer van de raadsman op dat punt geen verdere bespreking behoeft.

Hieronder zal allereerst worden ingegaan op de vraag of ook de voor het feit 1 onder primair vereiste dwang kan worden bewezenverklaard zodat gesproken kan worden van verkrachting.

3.1 Nadere overwegingen met betrekking tot feit 1 primair: dwang door middel van (bedreiging met) geweld of een feitelijkheid

Zoals uit de onder 1 weergegeven bewijsmiddelen naar voren komt, heeft verdachte binnen zijn gezin het gebruik van geweld tegen zijn kinderen niet geschuwd: hij heeft hen geslagen op onder andere het hoofd en op de billen. [naam moeder slachtoffer] heeft over haar man verklaard dat hij driftig kan zijn en een agressieve houding aan kan nemen. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij haar man meerdere van hun kinderen heeft zien slaan, waarbij dan (tegen de afspraken in) ook andere plaatsen op het lichaam of het hoofd geraakt werden .

[naam kind 1] heeft verklaard door zijn stiefvader geslagen te zijn en dat verdachte tegen hem altijd boos deed en hem overal sloeg, ook op zijn hoofd .

Over het gebruik van geweld, specifiek in relatie tot het seksueel misbruik heeft [naam slachtoffer] verklaard dat als zij zich tegen het misbruik door verdachte verzette doordat zij probeerde weg te gaan, hij haar begon te slaan, meestal op haar hoofd . Een keer heeft hij haar, toen ze hem een keer wegduwde, in zijn kwaadheid met de vuist geslagen. Dit resulteerde in een blauw oog bij [naam slachtoffer]. Tegen haar moeder moest zij van verdachte vertellen dat dit blauwe oog het resultaat was van een valpartij waarbij zij met haar oog op de rand van het badkamermeubel was gevallen . Zowel door verdachte zelf als door moeder is dit voorval van het blauwe oog bevestigd.

Meer specifiek over het misbruik dat in de keuken plaatsvond toen zij met het gezin reeds naar [plaatsnaam] waren verhuisd, heeft [naam slachtoffer] verklaard dat verdachte haar dan tegen het keukenblad aanzette en haar voorover duwde. Verdachte deed dan haar broek los en deed deze naar beneden. Als zij tegenwerkte werd haar vader boos. Als zij rechtop ging staan en weg wilde lopen trok hij haar terug en zette haar weer voor zich neer. Hij ging dan net zo lang door tot [naam slachtoffer] het misbruik liet gebeuren . In haar verklaring bij de rechter-commissaris heeft [naam slachtoffer] verteld dat als de seks plaatsvond op verdachte's slaapkamer, hij dan de deur op slot draaide.

[naam slachtoffer] heeft tevens verklaard, dat verdachte spuug of glijmiddel gebruikte om zijn penis in haar vagina te kunnen krijgen . Naar eigen zeggen ter terechtzitting had verdachte op zijn slaapkamer een zoals door [naam slachtoffer] beschreven blauw flesje glijmiddel tussen de kussens van het bed liggen.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is geweest van het gebruik van geweld en een andere feitelijkheid om [naam slachtoffer] daarmee tot het seksueel binnendringen te dwingen.

Niet van alle keren binnen de tenlaste gelegde periode van 7 jaren waarover [naam slachtoffer] verklaart, kan het vereiste causaal verband tussen het binnendringen en het gebruikte geweld steeds voldoende worden vastgesteld, nu in de verklaringen van [naam slachtoffer] op dat punt niet met betrekking tot alle keren afzonderlijk voldoende informatie kan worden gevonden. Zo is niet duidelijk of het binnendringen altijd op alle verschillende plaatsen en op alle verschillende momenten met geweld of een andere feitelijkheid door verdachte werd afgedwongen.

In de tenlastelegging onder 1 primair is evenwel ook de mogelijkheid benoemd dat verdachte door bedreiging met geweld of een feitelijkheid [naam slachtoffer] heeft gedwongen het binnendringen te ondergaan.

Wat dit betreft acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang:

a) [naam slachtoffer] heeft verklaard dat het misbruik op zeer jonge leeftijd is begonnen, namelijk in 2000. In het begin, toen het misbruik plaatsvond op de ouderslaapkamer in het huis in [adres], gebeurde dit volgens [naam slachtoffer], terwijl de deur door haar vader op slot was gedraaid. Verdachte deed in die situaties [naam slachtoffer] haar broek naar beneden .

b) Het misbruik gebeurde gedurende 8 jaren en vond regelmatig plaats. Aanvankelijk eens per week, maar later ook meermalen per week .

c) [naam moeder slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte naar de kinderen toe heel dwingend kon zijn. Zijn wil was wet. Als voorbeeld heeft zij genoemd dat de kinderen het vaak niet leuk vonden als verdachte in hun oor beet of in hun beentjes kneep, omdat hij dat vaak te hard deed. Hij ging dan net zo vaak door, totdat hij zijn zin had. Ook noemde ze als voorbeeld een situatie waarin [naam slachtoffer] op vakantie niet meer het koude water van een rivier in wilde. Verdachte bleef echter zodanig op zijn strepen staan, dat [naam slachtoffer] uiteindelijk toch weer het water in ging . [naam moeder slachtoffer] heeft hierover ook opgemerkt dat de dwingende wijze van optreden van haar man niet altijd haar goedkeuring had, maar dat het ook zijn voordelen had: de kinderen luisterden altijd naar hem .

d) Verdachte zelf heeft in zijn tweede politieverklaring specifiek over [naam slachtoffer] gezegd dat als hij haar boos aankijkt, de traantjes al beginnen te komen vanwege het tikken met de palu waar zij wel eens zichtbaar letsel van heeft opgelopen. Verdachte verklaart daarover dat hij dit slaan met de pollepel sinds zij 10 of 11 jaar oud is, niet meer doet en zegt dan letterlijk: “ze heeft het wel geleerd denk ik”.

e) Ook heeft verdachte verklaard dat de opvoeding in beginsel in handen was van zijn vrouw, maar als de kinderen niet wilden luisteren, hij erbij werd gehaald en dat hij sloeg met de palu .

In samenhang met het bovenstaande, kan naar het oordeel van de rechtbank geconcludeerd worden dat verdachte binnen het gezin waarin ook [naam slachtoffer] leefde, onder meer door te slaan gehoorzaamheid afdwong. Ook [naam slachtoffer] was het derhalve bekend dat er geslagen kon worden wanneer gedrag van de kinderen haar vader niet naar de zin was. De rechtbank is van oordeel dat, wanneer met enige regelmaat binnen een gezin geweld wordt gebruikt, terwijl ook seksueel misbruik met geweld gepaard kan gaan, ook het misbruik dat niet onmiddellijk volgt op het gebruikte geweld maar eerst na enige tijd plaatsvindt, mede wordt afgedwongen door het gebruik van dat eerdere geweld.

In die situaties waarin misbruik in directe zin te ver verwijderd is van een geweldsincident om daardoor veroorzaakt te zijn, is [naam slachtoffer] naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval ook door bedreiging met geweld tot het ondergaan van het misbruik is gedwongen.

Daarnaast is de vraag of het bestaan van een overwichtsituatie, zoals ook aan het slot van de tenlastelegging onder 1 primair benoemd, voldoende is om een (bedreiging met) een feitelijkheid op te leveren.

Vooropgesteld moet worden dat van door een feitelijkheid dwingen als bedoeld in artikel 242 Wetboek van Strafrecht slechts sprake kan zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan .

In deze zaak concludeert de rechtbank op grond van de verklaring van [naam slachtoffer], haar broertje [naam kind 1], de verklaring van [naam moeder slachtoffer] en de verklaring van verdachte, dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de verhouding die er op grond van zijn dwingende persoonlijkheid tussen hem en zijn stiefdochter bestond, waarbij hij misbruik heeft gemaakt van het gezag dat hij over elk van zijn kinderen en daarmee ook over zijn stiefdochter had.

Daarnaast heeft hij [naam slachtoffer] vanaf jonge leeftijd seksueel benaderd, waarbij in de eerste periode de slaapkamerdeur door verdachte op slot werd gedraaid zodat [naam slachtoffer] zich niet zonder meer aan de situatie kon onttrekken en verdachte vervolgens [naam slachtoffer] naar zijn wens voor het bed posteerde en hij haar broek naar beneden deed. De rechtbank merkt hierbij op dat de weerbaarheid van een meisje van de leeftijd van 8 jaar met een als streng te omschrijven vader zeer beperkt geacht mag worden te zijn ten opzicht van gedragingen van die vader, ook als die haar onwelgevallig zijn. Tenslotte is als relevant aan te merken dat het misbruik stelselmatig en van lange duur is geweest .

Op basis van de voornoemde factoren, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van de rechtbank, sprake geweest van een zodanig samenstel van feitelijkheden en (bedreiging met) geweld alsmede een zodanige geestelijke, fysieke en sociale ongelijkheid tussen aangeefster en verdachte dat het voor aangeefster niet mogelijk was zich aan de seksuele contacten met verdachte te onttrekken, zodat zij door verdachte daartoe is gedwongen.

Gelet op de relatie tussen verdachte en [naam slachtoffer] en de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij wist dat hij binnen het gezin werd ingezet om gehoorzaamheid af te dwingen, is de rechtbank bovendien van oordeel dat hij wist dat [naam slachtoffer] zijn toenaderingen niet zou kunnen weerstaan en dat van vrijwilligheid bij het slachtoffer geen sprake kon zijn en dat verdachte dit heeft beseft. Derhalve is tevens sprake van opzet op de onvrijwilligheid.

3.2 Nadere overwegingen met betrekking tot het onder feit 2 ten laste gelegde

Onder 2. is aan verdachte kort gezegd ten laste gelegd het plegen van seksuele handelingen met [naam slachtoffer], bestaande uit het tongzoenen met [naam slachtoffer], het zuigen aan haar borsten en het zich door [naam slachtoffer] laten bijten in verdachtes tepels terwijl verdachte zichzelf aftrok. Ten aanzien van deze beschuldigingen kan de rechtbank slechts afgaan op hetgeen [naam slachtoffer] hierover vrij summier heeft verklaard

Met betrekking tot het tongzoenen heeft [naam slachtoffer] als volgt verklaard: “Hij duwde wel eens zijn lippen tegen mijn mond. Dan hield ik mijn tanden op elkaar. Ik voelde dat hij met zijn tong langs mijn tanden ging, omdat ik niet mijn mond opendeed” De rechtbank is van oordeel dat enkel op grond van deze passage uit de verklaring van [naam slachtoffer] onvoldoende is komen vast te staan dat het ten laste gelegde tongzoenen door verdachte is begaan.

Voorts heeft [naam slachtoffer] verklaard: “Ik moest hem altijd in zijn tepels knijpen terwijl hij zichzelf aan het aftrekken was”. Nu in de tenlastelegging “bijten” in plaats van “knijpen” is opgenomen en verdere verklaringen met betrekking tot dit onderdeel ontbreken, acht de rechtbank ook dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen.

Voor het ten laste gelegde “zuigen aan de borsten van [naam slachtoffer]” bevindt zich in het dossier alleen een korte en summiere verklaring van [naam slachtoffer] dat dit ook wel eens is gebeurd, welke verklaring de rechtbank niet voldoende acht om tot een bewezenverklaring te komen van hetgeen verdachte onder 2 primair dan wel subsidiair wordt verweten.

3.3. Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 2. primair en subsidiair ten laste gelegde op grond van de hierboven onder 3.2.neergelegde overwegingen niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

E. Bewezenverklaring van feit 1 primair

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2000 tot en met 24 april 2007 te [adres], gemeente [plaatsnaam], en [plaatsnaam], gemeente [naam], en elders in Nederland en in het buitenland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer], telkens heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de anus van die [naam slachtoffer] geduwd/gebracht en/of hebbende verdachte zich door die [naam slachtoffer] laten pijpen, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid telkens uit de volgende in onderling verband en samenhang te beschouwen feiten en/of omstandigheden:

- verdachte heeft de deur van de slaapkamer alwaar die verkrachtingen plaatsvonden, op slot gedaan en/of

- verdachte heeft die [naam slachtoffer] tegen het hoofd althans tegen lichaam geslagen wanneer die [naam slachtoffer] zich verzette en/of

- verdachte heeft de broek en/of onderbroek van die [naam slachtoffer] omlaag gedaan en/of

- verdachte heeft glijmiddel en/of spuug bij die [naam slachtoffer] aangebracht en/of

- verdachte heeft aldus voor die [naam slachtoffer] een bedreigende situatie doen ontstaan, althans een situatie, waar zij zich vanwege het grote leeftijdverschil tussen die [naam slachtoffer] en verdachte en het fysieke en/of psychische overwicht van verdachte niet heeft kunnen onttrekken.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat in de tenlastelegging was opgenomen dat verdachte de deur van de slaapkamer van die [naam slachtoffer] op slot zou hebben gedaan. Blijkens de verklaring van [naam slachtoffer] bij de rechter-commissaris en van verdachte ter terechtzitting, zat er geen slot op de kinderslaapkamer, alleen op de slaapkamer van verdachte zelf. Nu blijkens de gebruikte bewijsmiddelen de verkrachtingen ook hebben plaatsgevonden op de slaapkamer van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat het uit de bewezenverklaring weglaten van het onderdeel “van die [naam slachtoffer]” geen denaturering van de tenlastelegging oplevert, te meer daar in die tenlastelegging ook al nader was gespecificeerd dat het ging om de deur van de slaapkamer waar (een deel van) die verkrachtingen plaatsvonden.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair

verkrachting, meermalen gepleegd

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar omdat niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

7. De strafoplegging

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde en tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle aan hem tenlastegelegde feiten.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Verdachte heeft gedurende een zeer lange periode zijn stiefdochter [naam slachtoffer] vele malen verkracht. Er was sprake van gewelddadig en dwingend gedrag waarbinnen ook het seksueel misbruik geplaatst kan worden. Het seksueel misbruik van zijn stiefdochter is aangevangen toen zij slechts acht jaar oud was en heeft voortgeduurd tot kort voor de aangifte, toen zij vijftien jaar oud was. In de op de terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van [naam slachtoffer] heeft zij op indringende wijze verwoord wat het misbruik door haar stiefvader voor haar heeft betekend en hoe het haar leven, naar alle waarschijnlijkheid, nog lange tijd zal beïnvloeden.

Zij heeft verklaard over het –vanaf een zeer jonge leeftijd- moeten leven met een zo groot geheim en het daardoor teweeggebrachte gevoel van intense eenzaamheid, waarbij zij het niet mocht vertellen en zij haar moeder geen verdriet wilde doen. Daarnaast heeft ze verklaard over de fysieke en psychische pijn veroorzaakt door het seksueel misbruik en de angst waaronder zij jarenlang heeft geleefd. Ook heeft zij verklaard over haar angst voor de toekomst en de mogelijke gevolgen van het seksueel misbruik op de rest van haar leven. Tevens heeft zij aangegeven dat het feit dat verdachte alles ontkent, het nog moeilijker maakt.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het hier een zeer ernstig feit betreft. In gevallen als het onderhavige is het doorgaans gebruikelijk dat de verdachte enige vorm van behandeling ondergaat onder meer om herhaling van ongewenst gedrag in de toekomst te helpen voorkomen.

Over verdachte is gerapporteerd door psycholoog H.E.W. Koornstra d.d. 29 oktober 2008. De rapportage heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een drietal gesprekken die de psycholoog met verdachte bij hem thuis heeft gevoerd op 19 augustus, 24 september en 14 oktober 2008 alsmede het afgenomen testpsychologisch onderzoek naar intelligentie en persoonlijkheid. Zij heeft geconcludeerd dat de feitelijk instabiele persoonlijkheid van verdachte zich kenmerkt door narcistische trekken waardoor hij slechts beperkt in staat geacht kan worden zich in te leven in de ander. Echter, gezien de stelligheid waarmee betrokkene het hem ten laste gelegde ontkent en weigert zich open te stellen over onderwerpen waarvan hij bang is dat deze tegen hem gebruikt kunnen gaan worden, is er geen ondersteuning gevonden voor het bestaan van enige (seksuele) afwijking anders dan dat hij zich als een narcistisch mens, pas richt op de ander als deze hem steunt.

Indien bewezen zal het echter van groot belang zijn, dat zicht komt op de motieven van betrokkene wat betreft zijn handelwijze en zal inzichtgevende en gedragsmodificerende therapie noodzaak zijn. Dit is echter alleen mogelijk bij een rudiment van inzicht en erkenning. Er kan derhalve geen concreet advies gegeven worden.

De rechtbank merkt op dat de rapporterend psycholoog de mogelijke relatie tussen verdachtes persoonlijkheid en het strafbare feit dat de rechtbank thans bewezen verklaart, niet voldoende heeft kunnen onderzoeken, terwijl ook geen uitspraken kunnen worden gedaan over het gevaar voor herhaling. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat –nu verdachte het strafbare feit ontkent en derhalve een mogelijke behandeling van verdachte weinig zinvol is, uitsluitend een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte zich gedurende een lange periode vele malen heeft schuldig gemaakt aan verkrachting van een kind dat aan zijn zorg als stiefvader was toevertrouwd, terwijl het seksueel misbruik is aangevangen toen [naam slachtoffer] nog zeer jong was;

- het feit dat verdachte ernstig misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke en morele overwicht op zijn stiefdochter en daarbij in ernstige mate het vertrouwen heeft geschonden dat [naam slachtoffer] in hem als (stief)vader mocht stellen;

- het feit dat verdachte bij het plegen van het bewezenverklaarde geen enkele rekening heeft gehouden met de gevoelens van [naam slachtoffer] en uitsluitend heeft gedacht aan de bevrediging van zijn seksuele behoeften.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder ter zake van zedenmisdrijven met politie en justitie in aanraking is geweest.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met het feit dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Ook houdt de rechtbank rekening met het lange tijdverloop gelegen tussen de aanvang van de strafvervolging in april 2007 en de datum waarop thans door de rechtbank uitspraak wordt gedaan. Meer in het bijzonder is het tijdsverloop gelegen tussen april 2007 en de eerste terechtzitting op 5 juni 2008 onwenselijk lang te noemen, terwijl de redenen om daarna de behandeling van de zaak aan te houden om nader onderzoek te doen, niet aan verdachte zijn te wijten, zodat verdachte daarmee gedurende een periode van twee jaren heeft moeten leven onder de dreiging van bedoelde strafvervolging

De rechtbank zal op grond van deze overwegingen een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

8. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [naam slachtoffer] heeft zich, door tussenkomst van de gemachtigde raadsvrouw mr. J.W.E. Groot, Zesstedenweg 207 te 1613 JE Grootebroek, met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van totaal € 10.354,- gevoegd in het strafproces. Bij brief van 4 november 2008 heeft de raadsvrouw de vordering aangevuld tot een bedrag van € 10.432,40. Bij brief van 7 april 2009 heeft de raadsvrouw de vordering aangevuld tot een bedrag van € 10.541,26.

De vordering van de benadeelde partij is opgebouwd uit de volgende onderdelen:

1. smartengeld (als voorschot): € 10.000,-;

2. eigen bijdrage psychotherapie: € 449,26 (aanvulling d.d. 4 november 2008 en 7 april 2009;

3. reiskosten psychotherapie: € 49,-;

4. reiskosten naar Justitie: € 43,-;

5. kosten medische verklaring GGZ: € P.M.;

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de kosten onder punt 5 op de terechtzitting van 9 april 2009 verklaard het gevorderde bedrag niet nader te kunnen noemen.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, met uitzondering van de post reiskosten therapie, geconcludeerd dat deze in zijn geheel kan worden toegewezen.

De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de door hem bepleite vrijspraken.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij eenvoudig genoeg is om in het strafproces te kunnen worden afgedaan.

Daarbij overweegt de rechtbank met betrekking tot de post eigen bijdrage psychotherapie allereerst dat het hier gaat om kosten die als rechtstreekse schade kunnen gelden van de bewezenverklaarde handelingen van verdachte, mede gelet op de bijgevoegde brief d.d. 22 mei 2008 van de behandelend psychotherapeut van [naam slachtoffer], mevrouw M. Brozius, waaruit valt op te maken dat [naam slachtoffer] wordt behandeld voor de gevolgen van het misbruik, waarbij de behandeling langdurig zal zijn, gezien de ernst van het misbruik en de grote breuk in het gezin

Uitgaande evenwel van de door de benadeelde partij zelf in de aanvullende vorderingen genoemde bedragen op dit onderdeel, zou naar het oordeel van de rechtbank het totaalbedrag van deze post neerkomen op een bedrag van 527,66 euro, terwijl een bedrag van 449,26 euro is gevorderd. De rechtbank gaat ervan uit dat dit verschil te wijten is aan een rekenfout, die de rechtbank herstelt.

Voorts is evenwel op grond van alle ingediende nota’s inzake de eigen bijdrage naar het oordeel van de rechtbank slechts komen vast te staan dat totaal 8 x 15,20 euro alsmede 22 x 15,60 euro aan eigen bijdrage is betaald (tot en met 8 december 2008), zodat deze post voor een bedrag van 464,80 euro toewijsbaar is.

Wat betreft de post reiskosten therapie, is in bijlage 3 en ter terechtzitting door mr. Groot toegelicht dat het daarbij gaat om slijtage van de fiets, die [naam slachtoffer] voor het vervoer gebruikt en is een tweetal nota’s van fietsreparaties (nieuwe trapas en nieuwe kettingkast) bijgevoegd.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze schadepost op basis van bedoelde nota’s niet eenvoudig is vast stellen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat in deze een bedrag in redelijkheid kan worden vastgesteld op € 25,- en zal voor het overige de vordering op dat punt afwijzen.

De rechtbank zal de vordering van de pro-memorie kosten van de medische verklaring GGZ niet-ontvankelijk verklaren wegens onbepaaldheid van de vordering.

Voor het overige kan de vordering naar het oordeel van de rechtbank worden toegewezen. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade merkt de rechtbank nog op dat sprake is van een ernstige aantasting in de persoon, waarbij lichamelijk en psychisch letsel van de benadeelde partij kan worden aangenomen en waarbij een bedrag aan smartengeld van 10.000 euro –mede gelet op de lange duur van het misbruik en de gevolgen die het voor [naam slachtoffer] heeft meegebracht- alleszins redelijk is.

Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden kan –mede gelet op het bovenstaande- de vordering tot een bedrag van totaal 10.532,80 worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De rechtbank zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 10.532,80 (tienduizend vijfhonderdtwee endertig euro en tachtig cent) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam slachtoffer] te betalen een som geld ten bedrage van € 10.532,80 (tienduizend vijfhonderdtweeendertig euro en 80 cent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 82 (tweeëntachtig) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.A. Egter van Wissekerke, voorzitter,

mr. T.H. Bosma en mr. A.E. van Montfrans-Wolters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 april 2009.