Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BH9160

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
26-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
14-701456-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis: Veroordeling advocaat wegens gebruikmaking van vervalst stuk in civiele procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/701456-08 (P)

Datum uitspraak : 26 maart 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[NAAM VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats en –datum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. C. de Goeij, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd, dat

hij in de periode van 28 april 2005 tot en met 19 mei 2005 in de gemeente Heerhugowaard, althans in het gerechtelijk arrondissement Alkmaar een offerte van de [naam financiële instelling] voor de heer [naam medeverdachte] en mevrouw [naam betrokkene 1] ten behoeve van een aanvraag van een OpMaat Hypotheek (ter waarde van 272.000 euro) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk de (telkens) op de voornoemde offerte voorkomende naam van [naam betrokkene 1] verwijderd, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op 19 mei 2005, althans in de periode van 28 april 2005 tot en met 19 mei 2005 te

Alkmaar, althans in het gerechtelijk arrondissement Alkmaar opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) offerte van de [naam financiële instelling] voor de heer [naam medeverdachte] ten behoeve van een aanvraag van een OpMaat Hypotheek (ter waarde van 272.000 euro), - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, deze offerte heeft ingebracht en/of opgevoerd in de civiele zaak, lopende bij de Sector civiel

recht van de rechtbank Alkmaar met zaak- en rekestnummer 77128/ES RK 04-1441, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat -ten onrechte- de naam van mevrouw [naam betrokkene 1] van voornoemde offerte was verwijderd.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

4a. Standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair ten laste gelegde dient te worden bewezen op grond van het volgende. Uit de verklaring van [naam betrokkene 2] blijkt dat zij voorafgaand aan de alimentatiezitting van 19 mei 2005 via haar advocaat mr. Stam de door verdachte aan de rechtbank vooraf toegezonden stukken heeft ontvangen. Volgens mondelinge opgave van de griffier van de alimentatiezitting, [naam griffier], is het exemplaar van de “offerte aanvraag hypotheek” in het civiele griffiedossier identiek aan het exemplaar van de offerte dat door [naam betrokkene 2] in het strafdossier is ingebracht. In afwijking van de verklaring van verdachte zijn er geen aanwijzingen dat medeverdachte [naam medeverdachte] persoonlijk dit exemplaar op de alimentatiezitting heeft overgelegd. Immers, uit het loop-proces-verbaal (pagina 6) blijkt dat de griffier van de alimentatiezitting heeft aangegeven dat [naam medeverdachte] zelf alleen een stuk betreffende ziektenkosten heeft overgelegd op zitting, terwijl de formulering in het proces-verbaal van de alimentatiezitting dat ‘de man’ stukken van de [naam financiële instelling] betreffende de hypotheek heeft overgelegd, uitsluitend duidt op zijn formele rol als procespartij. Dat juist verdachte de vervalsingen in de offerte heeft aangebracht blijkt uit de verklaring van [naam betrokkene 3] van 27 december 2007, inhoudende dat zij op verzoek het formulier van de hypotheek naar verdachte heeft gebracht, dat verdachte de papieren bekeek en zei dat de naam van [naam betrokkene 1] eruit gehaald moest worden en dat je het tegenwoordig zo mooi kunt weghalen dat het niet te zien is, en dat [naam verdachte] even later terug kwam met een papier waarop, naar [naam betrokkene 3] zag, de naam van [naam betrokkene 1] verwijderd was. De verklaring van [naam betrokkene 1] ondersteunt deze verklaring.

4b. Standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hoewel vast staat dat de in het civiele geding ingebrachte hypotheekofferte op naam van de heer [naam medeverdachte], is vervalst, is niet duidelijk of [naam betrokkene 2] al vóór de zitting over dit stuk de beschikking had, danwel dat zij dit ter zitting overhandigd heeft gekregen van [naam medeverdachte]. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die (vooraf) het stuk heeft vervalst.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2009 levert voldoende bewijs voor het subsidiair ten laste gelegde. Verdachte heeft geen vol opzet hierop gehad, maar wel voorwaardelijk opzet aangezien verdachte er rekening mee hield dat het stuk zoals ter zitting aangeleverd door medeverdachte [naam medeverdachte] vervalst zou kunnen zijn.

4c. Beoordeling van de tenlastelegging.

Op 13 september 2005 deed [naam betrokkene 4] namens de [naam financiële instelling] schriftelijk aangifte van valsheid in geschrift.

De aangifte houdt onder meer zakelijk weergegeven het volgende in :

Op of omstreeks 28 april 2005 heeft de [naam financiële instelling] een hypotheekofferte uitgebracht ten behoeve van [naam medeverdachte], wonende [adres] en zijn partner/vriendin [naam betrokkene 1]. Deze offerte werd door partijen ondertekend op 10 mei 2005. Op of omstreeks 31 augustus 2005 ontving [naam financiële instelling] te Utrecht een melding van mevrouw [naam betrokkene 2], inhoudende dat in het kader van een echtscheidingsprocedure op 19 mei 2005 door [naam medeverdachte] voornoemd al dan niet via zijn procureur [naam verdachte] een kopie van de hypotheekofferte in deze procedure zou zijn overgelegd. Mevrouw [naam betrokkene 2] deelde mede dat de in genoemde procedure door [naam medeverdachte] overgelegde hypotheekofferte van de [naam financiële instelling] kennelijk opzettelijk was vervalst. Zij verstrekte bij haar melding een kopie van de in deze procedure overgelegde hypotheekofferte van de [naam financiële instelling] d.d. 28 april 2008.Uit door mij ingesteld onderzoek is komen vast te staan dat de kopie van de hypotheekofferte inderdaad afwijkt van de originele hypotheekofferte.

De volgende afwijkingen zijn door mij geconstateerd:

1. De originele hypotheekofferte is gericht aan [naam medeverdachte] en [naam betrokkene 1]. Op de kopie is de naam van mevrouw [naam betrokkene 1] niet aanwezig.

2. Op de originele hypotheekofferte staat op de eerste zes pagina’s onderaan de tekst “paraaf de heer [naam medeverdachte] en mevrouw [naam betrokkene 1]”. Op de kopie offerte is van deze zinsnede de getypte tekst “en mevrouw [naam betrokkene 1]” niet meer aanwezig.

Derhalve is door mij vastgesteld dat de kopie hypotheekofferte die van mevrouw [naam betrokkene 2] werd ontvangen en die volgens haar door [naam medeverdachte] is gebruikt in de echtscheidingsprocedure kennelijk opzettelijk is vervalst. Doordat in de kopie-offerte de naam en verdere gegevens van mevrouw [naam betrokkene 1] zijn weggehaald kan uit deze vervalste hypotheekofferte ten onrechte worden opgemaakt dat de te vestigen hypotheek alleen door [naam medeverdachte] is afgesloten bij de [naam financiële instelling].

Op 20 juni 2006 heeft mevrouw [naam betrokkene 2] onder meer zakelijk weergegeven het volgende verklaard :

Op de zitting van 19 mei 2005 kwam de draagkracht van [naam medeverdachte] [naam medeverdachte] ter sprake met het oog op de voorziening in het onderhoud van onze twee kinderen. Bij de uitspraak bleek dat er geen ruimte meer was voor partneralimentatie. Het bleek de rechter dat er kennelijk onvoldoende draagkracht was bij [naam medeverdachte] om mij financieel te ondersteunen. Dat alles op basis van de aangeleverde stukken, waaronder een kopie van de offerte van de [naam financiële instelling], waaruit blijkt dat de woonlasten voor hem dermate hoog zouden zijn dat een financiële ondersteuning van mij niet mogelijk was.

Op de zitting is ter sprake gekomen dat [naam medeverdachte] een partner heeft. Dat heeft te maken met de vaststelling van de financiële bijdrage van [naam medeverdachte]. [naam medeverdachte] heeft toen de rechter geantwoord dat er sprake was van een partner maar dat samenwonen nog niet aan de orde was. Ik ben de offerte van de [naam financiële instelling] aan [naam medeverdachte] later nader gaan bekijken. Ik voelde wel aan dat er een persoon ontbrak in de offerte, namelijk de naam van zijn partner [naam betrokkene 1].

In het proces-verbaal van de op 19 mei 2005 gehouden terechtzitting van de Rechtbank te Alkmaar in de zaak van [naam medeverdachte] [naam medeverdachte] tegen [naam betrokkene 2] is met betrekking tot het ter terechtzitting voorgevallene onder meer het volgende vermeld :

[Naam verdachte]: Ik heb een draagkrachtberekening meegestuurd.

Mr. Stam: Het inkomen van de man is hoger, gelet op de door de man overgelegde stukken van de [naam financiële instelling] betreffende de hypotheek.

De man: Ik heb een vriendin. Ik weet niet wat de toekomst gaat brengen. Ik weet niet of wij gaan samenwonen.

Ter terechtzitting van 12 maart 2009 heeft verdachte onder meer het volgende verklaard:

A. Ik heb een hypotheekofferte gezien met ook de naam van mevrouw [naam betrokkene 1] erop. Die heb ik aan [naam medeverdachte] mee teruggegeven. Ik heb tegen hem gezegd dat hij naar de [naam financiële instelling] moest gaan om een offerte te krijgen op alleen zijn naam. De avond vóór de zitting belde hij mij in paniek op dat het niet gelukt was een offerte te verkrijgen op alleen zijn naam. De dag van de zitting zelf heeft hij bij mij in mijn kantoor aan huis stukken staan kopiëren ten behoeve van de zitting. Dat wilde hij zelf doen, ik mocht dat niet doen. Dat was de hypotheekofferte denk ik. Ik zei “ik wil er niks van weten”. Voorafgaand aan de zitting vreesde ik met grote vreze, want het was mij duidelijk dat [naam medeverdachte] niet eerlijk was. Aan de hand van het verloop van de zitting begreep ik dat de hypotheekofferte alleen op zijn naam stond. Ik heb toen niet ingegrepen en wilde dat ook niet.

B. Alleen het achterste deel van de hypotheekofferte op beider naam, zoals ik die eerst van [naam medeverdachte] kreeg (pagina 118 proces-verbaal van politie) heb ik aan de rechtbank toegezonden. Aan de hand daarvan heb ik ook een draagkrachtberekening opgesteld en aan de rechtbank toegezonden, ook al had ik [naam medeverdachte] opdracht gegeven die offerte aan te laten passsen zodat deze alleen op zijn naam zou staan. Rond 9 mei 2005 heeft hij zijn schoonmoeder inderdaad stukken bij mij thuis laten brengen welke nodig waren voor de zitting van 19 mei 2005. De hypotheekofferte heb ik toen niet gezien. Zij wil [naam medeverdachte] natuurlijk beschermen met haar verklaring bij de politie. [naam medeverdachte] heeft zelf op de offerte alles afgedekt en de naam [naam betrokkene 1] gewist. Het is niet aannemelijk dat ik voorafgaand aan de zitting de hypotheekofferte op alleen de naam van [naam medeverdachte] aan de wederpartij heb toegestuurd, zoals [naam betrokkene 2] verklaart. Dan zou haar advocaat namelijk direct geageerd hebben op het gegeven dat [naam medeverdachte]s inkomen kennelijk hoger was, hoog genoeg om alleen deze hypotheek te verkrijgen.

De rechtbank acht de verklaring van de moeder van [naam betrokkene 1] , [naam betrokkene 3], inhoudende dat verdachte een stuk van haar aannam met daarop de namen van [naam betrokkene 1] en [naam medeverdachte] en aan haar teruggaf met alleen daarop de naam van [naam medeverdachte], en dat zij niet weet of dit een hypotheekofferte was, onvoldoende om de overtuiging te bekomen dat verdachte de hypotheek offerte heeft vervalst. Bij dit oordeel weegt mee dat de belangen van haar dochter [naam betrokkene 1] in deze zaak in geding (kunnen) zijn, terwijl daarnaast verdachte het vervalsen van de hypotheekofferte stellig ontkent. Verdachte zal van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank is voorts van oordeel, gelet op de aangifte van de [naam financiële instelling], de verklaringen van mevrouw [naam betrokkene 2] en van verdachte zoals weergegeven onder A. alsmede het proces-verbaal van de alimentatie zitting van 19 mei 2005, dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat zijn cliënt [naam medeverdachte] zich ter zitting van 19 mei 2005 zou gaan bedienen van een vervalste offerte, in de zin dat de naam van [naam betrokkene 1] daaruit valselijk verwijderd zou zijn, dat verdachte geconstateerd heeft dat een aldus vervalste offerte ter zitting is gebruikt en dat verdachte op geen moment heeft ingegrepen. Verdachte wist dat zijn cliënt er veel aan gelegen lag over een offerte te beschikken op alleen zijn naam. Wanneer verdachte dan de indruk heeft dat zijn cliënt via oneigenlijke middelen een dergelijke offerte ter beschikking krijgt, is het zijn plicht als advocaat daar actie op te ondernemen. De keuze van verdachte om als advocaat van zijn cliënt niet te informeren naar of en zo ja, de wijze waarop zijn cliënt de beschikking heeft gekregen over een offerte op alleen zijn naam, levert voorwaardelijk opzet op het gebruik maken de vervalste hypotheek offerte op.

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde, het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst, wettig en overtuigend bewezen.

4d. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder subsidiair ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 mei 2005 te Alkmaar opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalste offerte van de [naam financiële instelling] voor de heer [naam medeverdachte] ten behoeve van een aanvraag van een OpMaat Hypotheek - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, deze offerte heeft ingebracht in de civiele zaak, lopende bij de Sector civiel recht van de rechtbank Alkmaar met zaak- en rekestnummer 77128/ES RK 04-1441, en bestaande die vervalsing hierin dat -ten onrechte- de naam van mevrouw [naam betrokkene 1] van voornoemde offerte was verwijderd.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar omdat niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

7. De strafoplegging

A. De eis van de officier

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, te

weten:

Oplegging van een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis.

B. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een voorwaardelijke werkstraf op zijn plaats zou zijn, gelet op onder meer de leeftijd van verdachte. Indien de rechtbank toch een onvoorwaardelijke straf zou willen opleggen dan zou dit een geldboete moeten zijn.

C. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van advocaat/procureur in een civiele procedure voor de rechtbank te Alkmaar ten behoeve van de draagkrachtvaststelling van zijn cliënt gebruik gemaakt van een stuk. Voorafgaand aan de zitting had verdachte al serieus rekening gehouden met de mogelijke vervalsing. Ter zitting heeft hij de vervalsing daadwerkelijk geconstateerd. Niettemin heeft hij noch vooraf noch tijdens de zitting enige maatregel genomen om dit strafbare feit te voorkomen. Verdachte heeft aldus op ernstige wijze de integriteit van het rechtssysteem ondermijnd. Tevens is hierdoor de rechter en diens alimentatiebeschikking ten nadele van de ex-echtgenoot van zijn cliënt gemanipuleerd.

Verdachte heeft ter terechtzitting geweigerd enige schuld aan het bewezenverklaarde te aanvaarden en acht zich niet verantwoordelijk voor door zijn cliënt in het geding gebrachte processtukken. Hieruit blijkt dat het verdachte ten ene male ontbreekt aan inzicht in de reikwijdte van zijn verantwoordelijkheid en handelen.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel verdachte blijkens het op zijn naam staand Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 19 maart 2008 niet eerder ter zake van enig misdrijf tot straf is veroordeeld, met name gelet op professionele hoedanigheid waarin verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan en de proceshouding van verdachte, in beginsel het opleggen van een vrijheidsstraf recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde.

Echter rekening houdend met de omstandigheid dat verdachte geen rechtstreeks belang had bij het plegen van het bewezen verklaarde, dat het bewezen verklaarde feit vier jaren geleden is begaan, de leeftijd van de verdachte en het gegeven dat hij niet langer als advocaat fungeert, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot het verrichten van een werkstraf.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d en 225 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 200 uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 100 dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. P.E. van der Veen en mr. T.H. Bosma, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2009.