Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BH8941

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
30-03-2009
Zaaknummer
14-810268-08(P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld wegens twee pogingen tot skimmen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/810268-08 (P)

Datum uitspraak : 26 februari 2009

OP TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. F.P. Vroegh, advocaat te Haarlem, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot aanpassing van de tenlastelegging ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 20 mei 2008 tot en met 21 mei 2008 in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer betaalpas(sen) en/of waardekaart(en), bestemd voor het verrichten en/of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, valselijk op te maken en/of te vervalsen en/of te manipuleren, door valselijk de (oorspronkelijke) (magneetstrip)gegevens van de originele betaalpassen en/of originele waardekaarten te kopiëren/laden naar/op (een)

(betaal)pas(sen)/kaart(en) welke zijn/waren voorzien van een magneetstrip,

zulks met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen,

het volgende heeft gedaan:

verdachte en/of zijn mededader(s), is/zijn naar een winkel van de (naam winkel) toegegaan, (waarna) verdachte, en/of (een van zijn) mededader(s) zich in die winkel -na sluitingstijd- heeft/hebben laten insluiten, (waarna)

verdachte van een of meer van zijn mededader(s) (telefonisch) aanwijzingen heeft gekregen over de manier waarop de/het aanwezige pinautoma(a)t(en) diende(n) te worden gemanipuleerd, althans aangepast en/of veranderd, (waarna) verdachte, en/of zijn mededader(s) die/deze pinautoma(a)t(en) heeft/hebben opengemaakt en/of een geheugendrager in die/deze pinautoma(a)t(en) heeft/hebben bijgeplaatst, althans die/deze pinautoma(a)t(en) heeft gemanipuleerd, althans aangepast en/of veranderd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2008 tot en met 24 mei 2008 te Overveen, gemeente Bloemendaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer betaalpas(sen) en/of waardekaart(en), bestemd voor het verrichten en/of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, valselijk op te maken en/of te vervalsen en/of te manipuleren door valselijk de (oorspronkelijke) (magneetstrip)gegevens van de originele betaalpassen en/of originele waardekaarten te kopieren/laden naar/op (een) (betaal)pas(sen)/kaart(en) welke zijn/waren voorzien van een magneetstrip, zulks met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, met een of meer van zijn mededader(s), naar Strand en duinpaviljoen [naam paviljoen] is/zijn toegegaan, (waarna) verdachte, en/of (een van zijn) mededader(s) in dit paviljoen een of meer pinautoma(a)t(en) heeft/hebben ontkoppeld (om deze (buiten) te bewerken en/of te manipuleren),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2008 tot en met 24 mei 2008 te Overveen, gemeente Bloemendaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit Strand en duinpaviljoen [naam paviljoen] aldaar heeft weggenomen een mobiel pinapparaat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan restaurant [paviljoen], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

4.1. De bewijsmotivering ten aanzien van feit 1.

A. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft het volgende naar voren gebracht.

Op 21 mei 2008 is door personeel van de [winkel] in Leeuwarden ontdekt dat één van de pinapparaten was voorzien van een valse beveiligingszegel. Ook bleek een alarmsensor afgeplakt met een plastic kommetje (ZD p. 382).

De in het apparaat geplaatste apparatuur was in staat om én de magneetstrip- gegevens én de pincodes weg te nemen.

Hoe deze apparatuur in het pinapparaat terecht is gekomen is in onderzoek Yankee duidelijk geworden.

Uit het proces-verbaal van bevindingen, pagina 89, blijkt dat [medeverdachte] de gebruiker is van het nummer [telefoonnummer]. Bij zijn aanhouding heeft hij de telefoon met dit nummer ook daadwerkelijk in zijn bezit (ZD p. 97).

Uit de processen-verbaal van bevindingen (pagina 217, 225 en 232) blijkt dat [verdachte] de gebruiker is van het nummer [telefoonnummer].

Vanaf 19 mei 2008 worden er gesprekken over de tap gehoord tussen o.a. [medeverdachte] en [verdachte], die achteraf te maken blijken te hebben met dit in Leeuwarden gepleegde feit.

Op 19 mei 2008 wordt over de tap gehoord dat [medeverdachte] en [verdachte] een lange rit aan het maken zijn en uiteindelijk in een winkel zijn. Daar kunnen ze echter niet doen wat ze willen doen, omdat ze door de vrouwen in de winkel in de gaten worden gehouden. De volgende dag zullen ze terug gaan. (ZD p. 20-22).

Op 20 mei hebben [medeverdachte] en [verdachte] inderdaad weer telefonisch contact. [Medeverdachte] haalt [verdachte] op bij het Amstelstation. [Verdachte] zegt iets wits aan te hebben, iets wat later op de beelden van de [winkel] ook is waargenomen.

Op 20 mei om 15.54 straalt de gsm van [medeverdachte] een paal aan in Leeuwarden, op de Nieuweweg.

[Verdachte] laat zichzelf insluiten in de winkel en via de tap is dan exact te volgen wat er zich in Leeuwarden allemaal afspeelt. Het betreft onder meer de volgende berichten/gesprekken (ZD p. 32 e.v.):

18.38: [Medeverdachte] stuurt [verdachte] een sms: Hoor je nog wat geluiden binnen? Vanaf buiten lijkt het verlaten maar kom nog niet eruit.

18.40: [Verdachte] stuurt een sms naar [medeverdachte]: binnen is niets te horen ik wacht nog steeds hier.

18.56: In een gesprek met [betrokkene] zegt [medeverdachte]: “ik zal hem zo meteen bellen en ik zal zeggen dat hij op het apparaat (pinpad) twee tekens moet zetten om exact de positie van de pinpad aan te geven zodat hij ‘dat’ in dezelfde positie moet plaatsen.

[Medeverdachte] en [betrokkene] zijn duidelijk degenen die weten waar ze mee bezig zijn. [Medeverdachte] geeft [verdachte] instructies over wat hij precies moet doen met het pinapparaat.

Om 20.21 krijgt [verdachte] instructies over wat hij moet doen met het pinapparaat, namelijk: “het zwarte er uit halen en daarna in het midden de blauwe en de rode”.

Om 23.59 krijgt [verdachte] instructies om te luisteren of het apparaat tik-tik doet en of er een bon uitkomt.

00.44: [Medeverdachte] zegt tegen [verdachte] dat hij eerst de zwarte eruit moet halen en “er weinig op moet doen en blazen tot het hard is en niet meer beweegt”.

01.01: [Medeverdachte] zegt tegen [verdachte]: het zegel moet eerst verbroken, dan het deksel open, steeds een beetje tot dat het hard wordt.

01.31: [Medeverdachte] zegt tegen [verdachte] dat hij voorzichtig moet doen met de stekkertjes.

Om 04.05 krijgt [medeverdachte] een slecht bericht van [verdachte], het apparaat geeft aan dat het “out of use” is.

De volgende ochtend is [medeverdachte] weer onderweg naar Leeuwarden om [verdachte] op te halen. Dan blijkt ook dat de pinautomaat op ‘stand by’ staat. Dat is een slecht teken. [Betrokkene] zegt tegen [medeverdachte] dat het apparaat het dan niet doet en dat [medeverdachte] het ding moet laten stelen, zodat ze het niet kwijt raken, want dan draaien ze verlies en krijgt [betrokkene] ruzie met mensen.

Het stelen van het pinapparaat lukt echter niet meer. Om 11.41 vloekt [medeverdachte] omdat het ‘ding’ is weggehaald.

Uit de afgeluisterde gesprekken is tot in detail terug te horen wat er door [medeverdachte] en [verdachte] in Leeuwarden wordt gedaan.

De volgende dag blijkt het pinapparaat ook daadwerkelijk te zijn gemanipuleerd. Er blijkt een microchip in het apparaat te zijn bijgeplaatst. (Aanvullend proces-verbaal pagina 531)

Uit de tap blijkt overigens niet alleen uit de tap dat het [medeverdachte] en [verdachte] waren die dit hebben gedaan. Er is meer:

- [Medeverdachte] en [verdachte] staan op de beelden in de [winkel] (ZD p. 350-354).

- het pluche hart dat door [medeverdachte] als afleidingsmanoeuvre in de [winkel] is gekocht, is bij de doorzoeking van de woning [adres, plaatsnaam] aangetroffen in zijn kamer (ZD p. 381).

- de schuilplaats waar [medeverdachte] en [verdachte] in de getapte gesprekken over praten is aangetroffen in de [winkel]. (ZD p. 388).

- op een bonbondoosje (waarover door [verdachte] wordt gesproken in het gesprek op pagina 68) is de vingerafdruk van [verdachte] aangetroffen (ZD p. 393).

- de verf op het doosje op de sensor is mogelijk soortgelijk aan de verf aangetroffen in de kamer van [medeverdachte] (ZD p. 398)

- de auto van [medeverdachte] is gezien terwijl deze op 21 mei op de terugweg was van Leeuwarden naar Amsterdam en de afsluitdijk was gepasseerd (ZD p. 345). En:

- Leeuwarden stond ingevoerd in de tomtom aangetroffen in de auto van [medeverdachte] (ZD p. 413).

Op grond van het voorgaande moet de conclusie luiden dat er voldoende bewijs aanwezig is dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan een poging tot skimmen.

B. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende technisch bewijs is om verdachte aan dit feit te koppelen:

- er zijn geen DNA-sporen aangetroffen;

- de gevonden vingerafdruk is onvoldoende om te komen tot een

bewezenverklaring.

- gevonden urinesporen kunnen niet aan verdachte worden gekoppeld.

- noch het touwtje, noch het aangebroken flesje frisdrank, noch de gevonden peuken

leveren een identificatie van verdachte op.

- vaststaat dat [verdachte] valselijk is voorgehouden dat er een simkaartje bij hem is

aangetroffen met het nummer [telefoonnummer]. Op geen enkele wijze is komen

vast te staan dat verdachte in het bezit was van dat nummer, terwijl aan de

vermeende stemherkenning geen enkele bewijskracht toekomt.

C. Beoordeling van de tenlastelegging

Op 23 mei 2008 is door Equens Nederland B.V. aangifte gedaan van een poging tot skimmen met betrekking tot een pin terminal/betaalautomaat in de winkel [winkel]. Op 21 mei 2008 heeft een medewerker van genoemde winkel gezien dat dit pinapparaat was voorzien van een valse cq vervalste beveiligingszegel. In de betreffende pinterminal bleek skimapparatuur te zijn geplaatst die in staat is om zowel pincodes als magneetstripgegevens aan de binnenzijde van de pinterminal weg te nemen. De pinterminal is tevens voorzien van een stukje geheugen.

Op beelden, opgenomen door een in genoemde winkel aanwezig videosysteem in de periode van 20 mei 2008 tot en met 21 mei 2008, is onder meer het volgende te zien :

Foto 1: een beeld van een onbekende man, nader te noemen, nn-man 1, in de [winkel] te Leeuwarden op 20 mei 2008 te 20:26:39. Op dit moment was de [winkel] te Leeuwarden reeds gesloten.

Foto 2: een beeld van nn-man 1, met zijn handen op de grond in een hoek van de [winkel] te Leeuwarden op 21 mei 2008 te 10:35:14 uur. Op dit moment was [winkel] te Leeuwarden reeds geopend. Tevens is op de bewegende beelden een man te zien, nader te noemen [medeverdachte].

Foto 3: een beeld van nn-man 1 voor de stellingen in de [winkel] te Leeuwarden op 21 mei 2008 te 10:38:03 uur.

Foto 4: een beeld van nn-man 1 ter hoogte van de trap naar de begane grond in de [winkel] te Leeuwarden op 21 mei 2008 te 10:39:21.

Foto 5: een beeld van [medeverdachte], nabij de spiegels in de [winkel] te Leeuwarden op 21 mei 2008 te 10:34:36 uur.

Foto 6: een beeld van [medeverdachte] bij de kassa van de [winkel] te Leeuwarden op 21 mei 2008 te 10:36:39.

Door verbalisant wordt de man die in het proces-verbaal [Medeverdachte] wordt genoemd op de beelden herkend als [medeverdachte]. Het gelaat en signalement van de man op de beelden komen overeen met het gelaat en signalement van [medeverdachte].

De in het proces-verbaal genoemde onbekende man, nader te noemen nn-man 1, is door verbalisant herkend als verdachte [verdachte].

Verdachte, op 26 juni 2008 door de politie gehoord met betrekking tot de persoon op de hiervoor genoemde afbeelding, heeft verklaard dat die persoon op hem lijkt.

Op 16 september 2008 worden [medeverdachte 2] door de politie twee foto’s getoond van de man die zich op 20 mei 2008 heeft laten insluiten in de [winkel] te Leeuwarden. Nadat hem die foto’s zijn getoond heeft [medeverdachte 2] verklaard: “Het is de persoon met wie ik ben aangehouden. Hij heet [verdachte]. “

Op 25 juni 2008 verklaart [medeverdachte 2]: [verdachte] wordt ook [naam] genoemd. Iedereen noemt hem zo.

In de winkel van [winkel] wordt op een bonbondoosje, aangetroffen in een bergruimte tussen vier stellingen, een dactyloscopisch spoor aangetroffen dat geïdentificeerd wordt als afkomstig van de rechter ringvinger van [verdachte]. ’ ’ ’

Tijdens het onderzoek Yankee is het telefoonnummer van [medeverdachte], [telefoonnummer], getapt. Op 20 en 21 mei 2008 vinden er telefoongesprekken plaats tussen [medeverdachte] en de persoon, die zich in de winkel heeft laten insluiten. [Medeverdachte] geeft deze persoon aanwijzingen waar hij zich kan verbergen, hoe hij in de winkel het alarmsysteem kan ontlopen, wanneer hij naar buiten moet gaan, hoe hij sporen moet verwijderen en hoe hij het pinapparaat moet manipuleren. ’ ’ ’ ’ ’ ’ ’ ’ Tenslotte belt [medeverdachte] met een andere persoon met de mededeling dat het manipuleren van het pinapparaat is mislukt. Het apparaat doet het niet.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte dit feit heeft begaan.

4.2. De bewijsmotivering ten aanzien van feit 2.

A. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Op 22 mei 2008 om 17.21 uur blijkt uit een tap dat verdachte en [medeverdachte] op weg gaan in de richting van Zandvoort. (ZD p. 17 e.v.)

Om 19.12 wordt verdachte op het nummer [telefoonnummer] gebeld door [medeverdachte] dat hij na moet kijken of er “goed gespoten is”. Verdachte zegt dat hij dat al heeft gedaan en dat er niet goed gespoten is.

Naast contacten tussen [medeverdachte] en verdachte is er ook contact met ene [betrokkene] op het nummer [telefoonnummer]. [Verdachte] ([telefoonnummer]) en [medeverdachte] hebben contact over waar af te spreken.

Wat ze gaan doen begint duidelijk te worden in een gesprek op 23 mei om 22.30 tussen [medeverdachte] en [betrokkene] (ZD p. 32):

“[Betrokkene] zegt dat ze elke keer als ze dat ding plaatsen, vóórdat ze het inzetten eerst checken of het werkt. [Medeverdachte] vraagt hoe dat gaat. [Betrokkene] zegt dat als de “welkom bij ...” melding komt nadat hij verbonden is, dan werkt het.”

Om 2.12 uur straalt de gsm van [medeverdachte] de zendmast aan de Zeeweg in Overveen Bloemendaal aan. (ZD p. 37) (tot 3.09 deze zendmast)

Vanaf 2.30 uur is duidelijk dat ze bij de strandtent zijn aangekomen.

Om 2.45 uur volgt een gesprek tussen [medeverdachte] en [betrokkene] waaruit opnieuw het voornemen blijkt om de pinautomaten te bewerken.

[medeverdachte] zegt dat beide met twee aansluitingen voorzien zijn. [Medeverdachte] zegt dat [verdachte] eerst naar binnen is gegaan en dat hij nu ook binnen is. [Medeverdachte] zegt dat ze 4 aansluitingen hebben. Op de ene staat “welkom not in use” en op de andere “niet aangemeld”, één heeft 3 stekkers, twee grote en een kleine. En de andere heeft 2 stekkers een grote en een kleine. [Betrokkene] zegt dat hij die met 3 stekkers moet hebben. [Medeverdachte] zegt dat die is met “welkom not in use” en vraagt of hij die moet bewerken. [Betrokkene] zegt ja. (ZD p. 39)

Maar dan gaat het mis. Om 3.09 uur belt [medeverdachte] naar [betrokkene] en zegt dat het “muziekje/ alarm” op het apparaat was aangesloten. [Medeverdachte] wilde met het apparaat naar buiten om het buiten te bewerken, niet daar binnen en toen hij die kleine had ontkoppeld, ging het alarm af. (ZD p. 40)

Om 3.15 uur blijkt uit een gesprek tussen [medeverdachte] en [betrokkene] dat [medeverdachte] het apparaat heeft meegenomen (ZD p. 41).

Wat er is gebeurd sluit aan bij de aangifte (ZD p. 413).

Op 24 mei om 02.44 uur is het alarm afgegaan.

Er zijn drie bewegingsmelders tegen de buitenwand aangebracht. Twee van de drie zijn bespoten met verf. Bij een van de sensoren heeft de verf gelekt en lag op de vensterbank.

Er is één pinautomaat weggenomen.

In de fouillering van [medeverdachte] is een kaartje aangetroffen voor de parkeerplaats bij [paviljoen] (p. 344) op 15-5.

Bij de doorzoeking op 26 mei 2008 werd in de kamer van [medeverdachte] een pinautomaat aangetroffen waarvan de herkomst niet meer te achterhalen is (ZD p. 356).

Er is een kommetje met verf aangetroffen. De verf is niet van de verf in de kamer van [medeverdachte] te onderscheiden (p. 386).

In de tomtom, aangetroffen in de auto van [medeverdachte], staan de adressen [adres] en [adres].

B. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende technisch bewijs is om verdachte aan zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit te koppelen. Er zijn geen DNA-sporen aangetroffen, noch is er enig ander technisch bewijs.

Het enige bewijs dat de politie meent te hebben, zijn de tapgegevens. Verdachte blijft bij zijn verklaring dat het telefoonnummer [telefoonnummer] niet aan hem toebehoorde en dat de aangehaalde gesprekken niet door hem zijn gevoerd.

C. Beoordeling van de tenlastelegging

Op 29 mei 2008 heeft [aangever] aangifte gedaan van diefstal van een pinautomaat uit Strand- & Duinpaviljoen [naam paviljoen], gelegen [adres] in de nacht van 23 op 24 mei 2008 Daarbij heeft aangever verklaard dat bij het buffet een pinautomaat staat. In de tussenruimte zijn drie bewegingsmelders aanmgebracht. Op 23 mei 2008, omstreeks 22.00 uur, werd het paviljoen afgesloten. Op 24 mei 2008, omstreeks 09.00 uur, werd het bedrijf geopend en ontdekten wij dat er was ingebroken. De pinautomaat van het buffet was weggenomen. Twee van de drie bewegingssensoren waren bespoten met verf. Bij één van de sensoren lag er verf op de vensterbank. Varel heeft een alarm gekregen omstreeks 02.44 uur. De opvolging was omstreeks 03.33 uur ter plaatse. Om 03.43 uur is het alarm weer ingeschakeld. .

Tijdens het onderzoek Yankee is het telefoonnummer van [medeverdachte], [telefoonnummer], getapt. Uit het onderzoek is gebleken dat [medeverdachte] meerdere malen contact heeft met een persoon met het mobiele telefoon nummer [telefoonnummer] met betrekking tot de uitvoering van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Op 22 mei 2008 te 19.39 uur wordt door [medeverdachte] gebeld met het nummer [telefoonnummer]. [Medeverdachte] zegt dat hij die dingen heeft opgelost, namelijk hij heeft ze geverfd. Hij heeft die dingen rijkelijk gespoten maar het zou goed zijn als [betrokkene] morgenochtend of in de middag even daarlangs zal gaan om te kijken of de verf niet heeft gedruppeld. [Betrokkene] zal morgenochtend daarlangs gaan.

Op 23 mei 2008 om 21.17 uur wordt door [medeverdachte] andermaal met voornoemd nummer gebeld. [Medeverdachte] vraagt hoe laat ze nog wat doen. [betrokkene] laat het aan [medeverdachte] over. [Medeverdachte] zegt dat [betrokkene] hem met de auto weg moet brengen. [Betrokkene] moet hen weer ophalen als ze klaar zijn. [Medeverdachte] zegt dat [betrokkene] [verdachte] moet bellen dat hij om 23 bij hem [betrokkene] moet zijn.

Op 23 mei 2008 wordt [medeverdachte] om 23.04 gebeld door nummer [telefoonnummer]. De beller vraagt waar ze elkaar ontmoeten. [Medeverdachte] zegt dat hij bij [betrokkene] is. [Medeverdachte] zegt dat beller ook naar [betrokkene] moet komen.

Op 24 mei 2008 wordt om 02.45 uur door [medeverdachte] gebeld. Hij zegt dat beide van twee aansluitingen zijn voorzien. [Medeverdachte] zegt dat [verdachte] eerst naar binnen is gegaan en dat hij nu ook binnen is. [Medeverdachte] zegt dat ze 4 aansluitingen hebben. De persoon aan de andere kant van de lijn zegt dat [medeverdachte] die met 3 stekkers moet hebben.

Om 03.09 uur die nacht wordt door [medeverdachte] gebeld en gezegd dat het muziekje alarm op het apparaat was aangesloten. [Medeverdachte] zegt dat hij zelf 2 keer op en neer is geweest en [verdachte] ook twee keer op en neer is geweest. Toen [verdachte] naar buiten kwam is [medeverdachte] naar binnen gegaan. Hij heeft de kleinste ontkoppeld en toen ging het alarm af. [Medeverdachte] zegt dat zij zich op dat moment ergens buiten op het veld bevinden en dat hij het apparaat heeft meegenomen.

Om 04.35 belt [medeverdachte] en vraagt of ze opgehaald kunnen worden in Santpoort Noord.

Het door [medeverdachte] genoemde tijdstip waarop het alarm (“muziekje”) zou zijn afgegaan komt overeen met het in de aangifte genoemde tijdstip van 02:44 uur, het tijdstip waarop het alarm bij de centrale was ontvangen. Uit onderzoek is voorts gebleken dat [medeverdachte] met betrekking tot deze zaak meerdere malen contact heeft met een persoon die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer], zowel in de onder 1 bewezen verklaarde zaak als in deze zaak. Uit de gesprekken blijkt dat [medeverdachte] aanwijzingen geeft aan een persoon die hij [bijnaam verdachte] noemt. ’ ’

[Medeverdachte 2] heeft op 25 juni 2008 verklaard dat [verdachte] door iedereen [bijnaam] wordt genoemd. Dat is zijn bijnaam.

Met het telefoonnummer [telefoonnummer] wordt op 8 juni 2008 gebeld met [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 2] heeft op 16 september 2008 verklaard dat dit gesprek plaats vond met [verdachte] en dat hij door [verdachte] werd gebeld. ’

Verdachte heeft op 25 juni 2008 verklaard dat hij 7 talen spreekt, Roemeens, Engels, Frans, Italiaans, beetje Nederlands, Roma-taal en Siciliaans.

Op 6 juni 2008 is met de mobiele telefoon [telefoonnummer] gebeld met een mevrouw in Roemenië. Tijdens dat gesprek is door de beller verklaard dat hij [leeftijd] jaar oud is en dat hij 7 talen kent: zigeunertaal, Roemeens, Siciliaans, Italiaans, Engels, Frans en Nederlands.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat verdachte gedurende een bepaalde tijd gebruik heeft gemaakt van een mobiele telefoon met het nummer [telefoonnummer].

De rechtbank is voorts van oordeel dat, mede gelet op hetgeen is bewezen met betrekking tot de samenwerking tussen [medeverdachte] en verdachte gedurende het onder 1 bewezen verklaarde feit, de korte tijd gelegen tussen het onder 1 bewezen verklaarde feit en het onder 2 ten laste gelegde feit en de inhoud van de hiervoor aangehaalde telefoongesprekken, wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte tezamen met [medeverdachte] dit feit heeft begaan.

D. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 20 mei 2008 tot en met 21 mei 2008 in de gemeente Leeuwarden,

tezamen en in vereniging met anderen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk betaalpassen, bestemd voor het verrichten en/of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg,

valselijk op te maken door valselijk magneetstripgegevens van de originele betaalpassen te kopiëren naar kaarten welke zijn voorzien van een magneetstrip,

zulks met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, het volgende heeft gedaan:

verdachte en één van zijn mededaders, zijn naar een winkel van de [winkel] toegegaan, waarna verdachte, zich in die winkel -na sluitingstijd- heeft laten insluiten, waarna

verdachte van zijn mededaders telefonisch aanwijzingen heeft gekregen over de manier waarop de aanwezige pinautomaat diende te worden gemanipuleerd, waarna verdachte die pinautomaat heeft opengemaakt en een geheugendrager in die pinautomaat heeft bijgeplaatst,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de periode van 23 mei 2008 tot en met 24 mei 2008 te Overveen, gemeente Bloemendaal,

tezamen en in vereniging met anderen, ,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk betaalpassen, bestemd voor het verrichten en/of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg,

valselijk op te maken door valselijk de magneetstripgegevens van de originele betaalpassen te kopiëren naar kaarten welke zijn voorzien van een magneetstrip,

zulks met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen,

met een van zijn mededaders, naar Strand en duinpaviljoen [naam paviljoen] is toegegaan,

waarna deze mededader in dit paviljoen een pinautomaat heeft ontkoppeld (om deze buiten te manipuleren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit dat het bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd als een poging tot handelen in strijd met artikel 232 Sr, nu uit de uitvoeringshandelingen niet kan worden opgemaakt dat hier sprake is van een poging tot vervalsing of manipulatie van een betaalpas.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende:

Skimmen kan op verschillende manieren plaatsvinden. Het is mogelijk door een apparaat voor de pinpas-gleuf te plaatsen waar de pinpas wordt ingevoerd en tegelijkertijd op een andere plaats een camera op te hangen met als doel het aflezen van de pincode.

Ook bestaan er manieren om een apparaat zo te manipuleren dat in één keer én de pasgegevens én de pincode gelezen kunnen worden.

De geskimde gegevens worden met behulp van een computer geplaatst op een magneetstrip van een blanco pas, een zogenaamde white card.

Eerst op dat moment kan dan gesproken worden van een voltooide overtreding van artikel 232 Sr.

Met deze bewerkte white card kunnen gelden worden opgenomen van de bankrekening van de persoon van wie de pas is gekopieerd.. In de praktijk worden passen in land A geskimd en vinden vervolgens de opnames in land B plaats.

Skimmen is een vorm van vermogenscriminaliteit die in verschillende fasen wordt uitgevoerd en waarbij specifieke technische kennis en apparatuur vereist is. Het skimmen en uiteindelijk het innen van gelden vereist meerdere handelingen en doorgaans ook een nauwe samenwerking met anderen.

Uit het vorenstaande volgt dat, teneinde een betaalpas valselijk te kunnen opmaken, eerst handelingen moeten worden verricht om de daarvoor benodigde gegevens te verkrijgen. Een van die handelingen kan bestaan uit het verkrijgen en/of manipuleren van een pinautomaat teneinde deze te voorzien van apparatuur om de gegevens van andere betaalpassen – zoals rekeningnummer en pincode - te verkrijgen.

Uit de bewezen verklaarde feiten blijkt dat het de verdachte en zijn mededaders niet is gelukt de pinautomaten bij [winkel] in Leeuwarden en strand- en duinpaviljoen [paviljoen], ondanks pogingen daartoe, zo te manipuleren dat er gegevens konden worden geskimd. Hetgeen verdachte en zijn mededaders feitelijk hebben gedaan, vormt naar het oordeel van de rechtbank echter een begin van uitvoering van het delict, omschreven in artikel 232 van het Wetboek van Strafrecht. Dat misdrijf moet worden aangemerkt als het door verdachte voorgenomen misdrijf.

Het bewezen verklaarde levert op:

Telkens:

Medeplegen van poging tot

opzettelijk een betaalpas, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, valselijk opmaken met het oogmerk om zichzelf of een ander te bevoordelen,

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar omdat niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

7. De strafoplegging

Verdachte heeft met anderen twee maal een poging ondernomen om gegevens te verkrijgen welke nodig waren voor het valselijk opmaken van betaalpassen, het zogenaamde skimmen.

A. De eis van de officier

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, te weten:

Oplegging van gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden en opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

B. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een straf gelijk aan het voorarrest (gevangenisstraf voor de duur van zes maanden) recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten, mede gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte.

C. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat

verdachte zich tezamen met anderen schuldig heeft gemaakt aan twee pogingen tot het verkrijgen van gegevens teneinde daarmee valse betaalpassen te - laten - maken. Het zogenaamde skimmen van elektronische gegevens. Het elektronische betalingsverkeer in ons land en wereldwijd is gebaseerd op vertrouwen. Steeds meer betalingen worden door middel van pinnen verricht. Verdachte heeft door de bewezen verklaarde feiten in ernstige mate een inbreuk gemaakt op het vertrouwen, vereist voor het goed kunnen functioneren van het nationale en internationale elektronische financiële verkeer.

De rechtbank is van oordeel dat de mate van overlast en schade, die door skimmen wordt veroorzaakt, in de straftoemeting tot uitdrukking dient te komen, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat het in onderhavige zaak bij een tweetal -zij het brutale- pogingen is gebleven.

De rechtbank heeft gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 19 juni 2008 waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake vermogensdelicten is veroordeeld tot vrijheidsstraffen. Deze veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

De rechtbank is van oordeel dat slechts het opleggen van een vrijheidsstraf recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten.

Rekening houdend met de jeugdige leeftijd van de verdachte en het feit dat hij bij de uitvoering van de bewezen verklaarde pogingen een meer ondergeschikte rol heeft gespeeld, zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 232 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. Beslissing

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 12 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. Jongkind-Jonker, voorzitter,

mr. B.H. Franke en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2008.