Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BH7903

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
16-03-2009
Datum publicatie
26-03-2009
Zaaknummer
108115 / OT RK 09-121
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlening van een machtiging gesloten jeugdzorg op grond van artikel 29a lid 1 Wjz juncto artikel 29b lid 3 Wjz ten behoeve van een jeugdige die inmiddels meerderjarig is geworden. Voortzetting van de vrijheidsbeneming kan naar het oordeel van de rechtbank, ook in het licht van artikel 5 EVRM, toelaatbaar worden geacht.

De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van een concreet toekomstperspectief, van een adequate opleiding en scholing alsmede van een adequaat netwerk voor de jeugdige een belemmering vormen voor haar ontwikkeling naar volwassenheid en dat de behandeling in een besloten setting, gericht op het zelfstandig kunnen functioneren in de samenleving teneinde haar weerbaar te kunnen maken tegen negatieve invloeden van buitenaf, in het belang van de jeugdige als ook in het belang van de samenleving moet worden geacht. De zeer specifieke omstandigheden in de onderhavige zaak brengen mee dat aan continuering van de behandeling in een gesloten setting groot gewicht moet worden toegekend, mede nu BJZ ter zitting heeft verklaard te verwachten dat de behandeling voor de datum waarop het indicatiebesluit zal expireren, of zoveel te eerder als mogelijk is, zal worden afgerond. De vrijheidsbeperking acht de rechtbank ook na het bereiken van de meerderjarigheid van de jeugdige toelaatbaar en staat naar het oordeel van de rechtbank in redelijke verhouding tot het doel dat ermee wordt beoogd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR opvolgende machtiging gesloten jeugdzorg

Sector civiel recht

JCL

Rekestnummer: 108115 / OT RK 09-121

Datum uitspraak: 16 maart 2009

Beschikking van de meervoudige kamer in bovenvermelde rechtbank, gegeven in de zaak met betrekking tot de jeugdige:

[voornaam] [geslachtsnaam] geboren op [geboortedatum] te [plaats]

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij beschikking van 6 januari 2009 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de machtiging om de jeugdige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verlengd tot 2 maart 2009.

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 5 februari 2009, heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, vestiging Alkmaar, (hierna: BJZ) verzocht, ter effectuering van het bijgevoegde indicatiebesluit, op grond van artikel 29a lid 1 juncto artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg (hierna: Wjz) een machtiging te verlenen voor plaatsing van bovengenoemde jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van het indicatiebesluit.

Bij beschikking van 25 februari 2009 heeft de kinderrechter de machtiging gesloten jeugdzorg om de jeugdige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg ambtshalve verlengd tot 19 maart 2009, iedere verdere beslissing aangehouden en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De jeugdige [voornaam] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, op 25 februari 2009 niet ter zitting verschenen.

Zij heeft op de uitnodigingsbrief van de rechtbank om ter terechtzitting van 25 februari 2009 te worden gehoord, haar mening kenbaar gemaakt. Haar raadsman, mr. Hoekstra, is telefonisch gehoord. Van deze zitting is een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De zitting met gesloten deuren van de meervoudige kamer heeft op 5 maart 2009 plaatsgevonden.

Verschenen zijn: mr. E. Lam, jurist, mevrouw J. Reilman, gezinsvoogd tevens coördinator gesloten jeugdzorg, en de heer J. van Veen, gezinsvoogd, allen namens BJZ, alsmede

mr. Hoekstra voornoemd, raadsman van [naam jeugdige].

De ouders van [naam jeugdige], de heer [naam vader] en mevrouw [naam moeder] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Zij hebben bij brief van 1 maart 2009, ingekomen ter griffie op 4 maart 2009, medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen en verzocht niet meer als belanghebbenden te worden aangemerkt.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is - onder meer en voorzover thans van belang - het volgende gebleken.

[naam jeugdige] is na haar geboorte door haar biologische moeder afgestaan, op vierjarige leeftijd door haar huidige (adoptief) ouders geadopteerd en naar Nederland gekomen. Zij is op 2 maart 2009 meerderjarig geworden.

Bij beschikking van 14 september 2006 van de kinderrechter van deze rechtbank is [naam jeugdige] onder toezicht gesteld van BJZ. De ondertoezichtstelling is nadien jaarlijks verlengd, laatstelijk tot 2 maart 2009.

Uit de overgelegde stukken over het verloop van de ondertoezichtstelling alsmede het indicatiebesluit van BJZ d.d. 26 november 2008 met bijbehorende rapportages komt naar voren dat door de ouders vanaf november 2004 ambulante hulpverlening in een vrijwillig kader is ingeschakeld, onder meer omdat zij steeds minder vat op [naam jeugdige] kregen. Nadat de initiële hulpverlening was mislukt hebben de ouders een langdurig en intensief traject langs verschillende hulpverleningsinstanties gevolgd teneinde begeleiding van de jeugdige en haar gedrags- en hechtingsproblematiek, onder meer samenhangend met haar adoptie, te verkrijgen.

Uit de rapportage blijkt voorts dat uiteindelijk alle vrijwillige hulpvormen en maatschappelijke opvang alsmede 'het Keerpunt' in verband met schooluitval zijn ingezet, maar dat niets heeft geleid tot een positief resultaat.

Vanaf januari 2006 werd ouderbegeleiding en individuele begeleiding van [naam jeugdige] in het kader van de Jeugdgezondheidszorg gegeven, maar [naam jeugdige] liep weg en onttrok zich aan het gezag van de ouders.

Vanaf januari 2007 tot heden is zij met de daarvoor vereiste en door de kinderrechter van deze rechtbank verleende machtigingen tot uithuisplaatsing achtereenvolgens geplaatst in de justitiële jeugdinrichting 'Het Poortje' (crisisplaatsing), een behandelafdeling van 'Harreveld', KTC 'Waterhoen' te Alkmaar en IZT 'Arkplein' (Parlan). In de periode augustus tot en met oktober 2008 heeft zij tijdelijk verbleven in een netwerkpleeggezin.

Sinds 13 november 2008 verblijft [naam jeugdige] met een machtiging gesloten jeugdzorg in 'de Veenpoort' te Veenhuizen.

Blijkens het verblijfsplan Juvaid Justitiële jeugdinrichting, locatie Veenhuizen, vastgesteld na de eerste drie maanden van het verblijf in de jeugdinrichting, volgt [naam jeugdige] thans onderwijs in de klas Maatwerk en wil ze na het behalen van het HAVO-diploma het VWO volgen om later als archeologe te gaan werken.

In het plan van aanpak gezinsvoogdij van BJZ d.d. 3 maart 2009 wordt als algemeen zorgpunt omschreven dat [naam jeugdige] niet in staat is om te gaan met vrijheden die zij krijgt en de verplichtingen die daarbij horen. Zij heeft veel ondersteuning nodig om structuur te geven aan haar leven; zij is zelf niet in staat deze structuur aan te brengen en vol te houden. Zodra er geen externe aansturing is, vertoont [naam jeugdige] zwervend gedrag, drugsgebruik, onveilige seksuele contacten en onverantwoorde contacten in een crimineel circuit.

Geconcludeerd wordt dat, gezien het huidige patroon en de herhaaldelijke terugval in vergelijkbare gevaarlijke leefsituaties, [naam jeugdige] in meer of mindere mate zelfdestructief bezig lijkt te zijn en zichzelf in dat opzicht verwaarloosd. Zij heeft geen gezinsleden, familieleden of een netwerk waar zij op terug kan vallen, hetgeen niet bijdraagt aan een positieve verbetering van haar situatie en waardoor de kans op terugval aanwezig blijft. Alhoewel de adoptiefouders hun uiterste best hebben gedaan [naam jeugdige]bij te sturen, heeft dit niet de gewenste resultaten gehad en is het contact nu waarschijnlijk duurzaam verbroken, aldus het plan van aanpak.

De standpunten van partijen

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft BJZ onder verwijzing naar de ingediende stukken uiteengezet dat, nu ten aanzien van [naam jeugdige] al voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een machtiging gesloten jeugdzorg gold, het op grond van artikel 29a lid 1 Wjz mogelijk is de behandeling van [naam jeugdige]in een instelling voor gesloten jeugdzorg ook na het bereiken van haar meerderjarigheid voort te zetten.

BJZ heeft daartoe - kort weergegeven - betoogd dat het niet mogelijk is om [naam jeugdige], thans geplaatst in 'de Veenpoort', vanuit een gesloten setting voldoende voor te bereiden en te steunen in het proces naar zelfstandig wonen. Naar verwachting zal zij per april 2009 worden overgeplaatst naar Transferium Jeugdzorg te Driehuis, alwaar de vervolgbehandeling, gericht op zelfstandigheid, zal starten.

BJZ is van mening dat de behandeling in Transferium als voortzetting van eerdere behandelingstrajecten en het verblijf aldaar als overbruggingsfase naar zelfstandig wonen moet worden beschouwd.

BJZ concludeert dat de gronden van artikel 29b lid 3 Wjz nog aanwezig zijn, en dat, mede gelet op het advies van de Raad van State bij het wetsvoorstel gesloten jeugdzorg, toepassing van artikel 29a lid 1 Wjz in de onderhavige zaak niet in strijd is met artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Ter zitting heeft mr. Hoekstra zich gerefereerd aan het verzoek van BJZ. Hij heeft naar voren gebracht voorafgaand aan de zitting telefonisch contact te hebben gehad met [naam jeugdige] en uiteengezet dat zij gemotiveerd is voor een behandeling in Transferium. Volgens mr. Hoekstra ziet [naam jeugdige] in dat plaatsing aldaar een ultieme kans is voor haar en hing haar verzoek destijds om buiten de regio Noord-Holland te worden geplaatst samen met haar wens om contact met de ouders te vermijden. Nu ook de ouders blijkens hun brief afstand nemen van [naam jeugdige] is er volgens mr. Hoekstra geen beletsel meer voor plaatsing van haar in Transferium.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 29a Wjz is het hoofdstuk inzake gesloten jeugdzorg ook van toepassing op jeugdigen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, ten aanzien van wie op het tijdstip waarop zij meerderjarig werden, een machtiging gold.

Een machtiging voor opneming en verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg kan ingevolge artikel 29b lid 3 Wjz slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft, zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

Blijkens de Memorie van Toelichting bij deze wetsartikelen biedt het EVRM enige ruimte om een jeugdige die inmiddels meerderjarig is geworden zijn vrijheid te benemen, mits het gaat om een aansluitende periode na het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd in het geval er sprake is van een overbruggingsperiode. Aldus kunnen de mogelijkheden tot vrijheidsontneming onder omstandigheden ook in het belang van jeugdigen van 18 jaar en ouder die nog opvoedkundige begeleiding nodig hebben, worden geacht. Ingevolge het EVRM dient de beslissing inzake voortzetting van de behandeling na het bereiken van de

18-jarige leeftijd aan de criteria van subsidiariteit en proportionaliteit te worden getoetst.

In de onderhavige zaak is vast komen te staan dat er bij [naam jeugdige] sprake is van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen, die ook thans nog haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en waarvoor opneming en verblijf in een gesloten setting noodzakelijk zijn gebleken. Voorts is vast komen te staan dat langdurige hulpverlening van [naam jeugdige] in een vrijwillig en gedwongen kader niet hebben geleid tot een afname van haar bedreigde ontwikkeling. De in de rapportages beschreven bedreigingen, te weten het niet in staat zijn verantwoordelijkheid te dragen voor haar eigen leven, het niet vol kunnen houden van een normale verblijfplaats en/of dagbesteding, het ontbreken van initiatieven en inzet om een positieve verandering te bereiken en het ontbreken van een ondersteunend en affectief sociaal netwerk waardoor zij terugvalt op onverantwoorde en risicovolle mensen en zich bloot stelt aan gevaar van misbruik en exploitatie zijn ook thans nog actueel.

De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van een concreet toekomstperspectief, van een adequate opleiding en scholing alsmede van een adequaat netwerk voor [naam jeugdige] een belemmering vormen voor haar ontwikkeling naar volwassenheid en dat de behandeling in een besloten setting, gericht op het zelfstandig kunnen functioneren in de samenleving teneinde haar weerbaar te kunnen maken tegen negatieve invloeden van buitenaf, in het belang van [naam jeugdige] als ook in het belang van de samenleving moet worden geacht. Deze behandeling dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook als voortzetting van reeds ingezette behandeltrajecten te worden beschouwd alsmede ter overbrugging gedurende een beperkte periode naar de fase van zelfstandig wonen, een werkkring dan wel scholing, eventueel met aanvullende ambulante begeleiding en ondersteuning.

Voortzetting van de behandeling dient ook voor de veiligheid van [naam jeugdige] van belang te worden geacht, nu de vrees reëel lijkt, gelet op ervaringen in het verleden, dat zij maatschappelijk ten onder zal gaan indien de behandeling op dit moment wordt beëindigd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de zeer specifieke omstandigheden in de onderhavige zaak meebrengen dat aan continuering van de behandeling in een gesloten setting groot gewicht moet worden toegekend, mede nu BJZ ter zitting heeft verklaard te verwachten dat de behandeling voor de datum waarop het indicatiebesluit zal expireren, of zoveel te eerder als mogelijk is, zal worden afgerond.

Op grond van alle feiten en omstandigheden alsmede het vorenoverwogene komt de rechtbank tot het oordeel dat het verzoek op grond van de artikelen 29a, eerste lid, en 29b, derde lid, Wjz kan worden toegewezen.

De rechtbank acht voorts voldoende aannemelijk dat er voor [naam jeugdige] thans geen alternatieve behandelingsmogelijkheden voorhanden zijn dan de voorgestelde behandeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vrijheidsbeperking, die plaatsing van [naam jeugdige] in het kader van Jeugdzorg+ in het Transferium meebrengt, ook na het bereiken van haar meerderjarigheid, toelaatbaar is en in redelijke verhouding staat tot het doel dat ermee wordt beoogd.

Het voorgaande leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat voortzetting van de vrijheidsbeneming van de jeugdige, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, ook in het licht van artikel 5 EVRM, toelaatbaar kan worden geacht.

Nu [naam jeugdige] blijkens de verklaring van haar raadsman ter zitting zich niet zal verzetten tegen de behandeling in het Transferium en de raadsman zich refereert aan het verzoek van BJZ, zal de rechtbank het verzoek inzake verlening van de machtiging voor plaatsing van [naam jeugdige] in gesloten jeugdzorg voor de duur van de geldingstermijn van het indicatiebesluit, derhalve tot 25 november 2009, in het belang van [naam jeugdige] toewijzen.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat het wenselijk wordt geacht dat de huidige gezinsvoogd de begeleiding gedurende het vervolg van het behandelingstraject van [naam jeugdige] op zich zal nemen, mede gelet op haar hechtingsproblematiek en de ontstane vertrouwensband tussen de gezinsvoogd en [naam jeugdige] alsmede gelet op de beoogde korte periode waarin een en ander zal worden afgerond.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

De rechtbank:

- verleent aan de Stichting Bureau Jeugdzorg, vestiging Alkmaar, een machtiging de jeugdige:[voornaam][geslachtsnaam], geboren op [geboortedatum] te [plaats]

tot 25 november 2009 te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de Jeugdzorg en ter effectuering van het voornoemd indicatiebesluit.

Deze beslissing is gegeven te Alkmaar door mr. H.E.C. de Wit, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. A.S. van Leeuwen en W.C. Oosterbroek, rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2009, in tegenwoordigheid van

mr. J. Cornel-Lubberts, griffier.