Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BH7564

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
09/191
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2008 heeft verweerder besloten de uitkering van verzoeker ingevolge de Wet Werk en bijstand (WWB) met ingang van 1 december 2008 voor de duur van drie maanden met 50% te verlagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/191

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van:

[naam],

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker,

gemachtigde mr. V.Y. Jokhan,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 17 december 2008 heeft verweerder besloten de uitkering van verzoeker ingevolge de Wet Werk en bijstand (WWB) met ingang van 1 december 2008 voor de duur van drie maanden met 50% te verlagen.

Bij brief van 9 januari 2009 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 15 januari 2009 is de voorzieningenrechter namens verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 februari 2009. Verzoeker, daartoe ambtshalve opgeroepen, is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, is verschenen bij gemachtigden L. Kleijn en C.M. Spaan, beiden werkzaam bij verweerder.

Motivering

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Bij de beoordeling is de volgende regelgeving met name van belang.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder b, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels vast met betrekking tot het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie wet en inkomen.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB – voor zover relevant – verlaagt het college overeenkomstig de verordening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid – voor zover hier van belang – van de Afstemmingsverordening van de gemeente Alkmaar (hierna: Afstemmingsverordening) wordt, als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan danwel de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.

Ingevolge artikel 9 – voor zover hier van belang – van de Afstemmingsverordening worden gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, onderscheiden in de volgende categorieën:

1. Eerste categorie:

e. gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren.

2. Tweede categorie:

a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;

b. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Afstemmingsverordening wordt de maatregel, onverminderd artikel 2, tweede lid, vastgesteld op:

a. 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;

b. 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij gedragingen van de tweede categorie.

3. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hem ten onrechte een maatregel is opgelegd. De beëindiging van de proefplaatsingen kan niet worden toegeschreven aan zijn gedrag en kan hem dus niet worden verweten. De maatregel is voorts niet overeenkomstig de Afstemmingsverordening opgelegd.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan verzoeker terecht met ingang van

1 december 2008 een maatregel is opgelegd van 50% van de bijstandsnorm voor de duur van drie maanden. Het gedrag van verzoeker heeft er immers toe geleid dat van een re-integratie naar de reguliere arbeidsmarkt geen sprake is. Dit wordt aangemerkt als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, in welk geval een maatregel dient te worden opgelegd. De maatregel is afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van verzoeker.

5. In het verweerschrift stelt verweerder dat er veel pogingen zijn ondernomen om verzoeker bij een werkgever geplaatst te krijgen en dat al deze pogingen in de voorbereiding of tijdens de proeftijd zijn gestrand. De concrete aanleiding voor het opleggen van de onderhavige maatregel wordt gevormd door de beëindiging van de proefplaatsingen bij Quality Contacts en Egmond Plastics. Beide zijn beëindigd na door verzoeker niet eerder naar voren gebrachte klachten. Omdat verzoeker algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft aanvaard kon hem een maatregel van 100% voor de duur van drie maanden worden opgelegd. Verweerder heeft aanleiding gezien de maatregel te matigen naar 50% omdat verzoeker anders verstoken zou zijn van middelen om in zijn onderhoud te voorzien.

6. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Voor het toewijzen van het verzoek bestaat echter geen aanleiding. De aan verzoeker opgelegde maatregel doet recht aan de ernst van de gedragingen van verzoeker en zal in de bezwaarfase van een deugdelijke motivering worden voorzien, aldus verweerder.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Allereerst kan uit het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken niet worden opgemaakt op welke wettelijke grondslag het onderhavige besluit is gebaseerd. In het besluit is immers aan verzoeker tegengeworpen dat het re-integratietraject mede door het gedrag van verzoeker geen succes is geworden, hetgeen duidt op het niet nakomen van verplichtingen op grond van artikel 9 van de WWB, terwijl in dat besluit tevens is gesteld dat zijn gedrag wordt aangemerkt als een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt evenwel dat daaronder – onder meer – wordt verstaan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

8. Voor zover er op grond van het gestelde in het verweerschrift en het verhandelde ter zitting vanuit moet worden gegaan dat verweerder heeft beoogd te stellen dat verzoeker de verplichtingen die op grond van artikel 9 van de WWB op hem rusten niet is nagekomen, overweegt de voorzieningenrechter dat uit het besluit niet eenduidig kan worden opgemaakt welke verplichtingen verzoeker volgens verweerder niet zou zijn nagekomen. In de aan het besluit ten grondslag liggende stukken, met name het ambtelijk advies van 2 december 2008, lijkt verweerder op twee gedachten te hinken. Volgens de rapporteur bevindt de waarheid zich ergens tussen het weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid, als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder a van de Afstemmingsverordening en het door gedrag belemmeren van de inschakeling in arbeid, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder e, van de Afstemmingsverordening. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat verweerder in het rapport vervolgens wordt geadviseerd een maatregel op te leggen op grond van artikel 9, tweede lid, onder b, van de Afstemmingsverordening, een maatregel derhalve wegens het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Verweerder zal in het op bezwaar te nemen besluit op dit punt duidelijkheid moeten verschaffen, waarbij de voorzieningenrechter aanmerkt dat naar zijn (voorlopig) oordeel van een situatie waarin verzoeker reeds arbeid had geaccepteerd, nog geen sprake was.

9. Het is de voorzieningenrechter verder niet duidelijk geworden welke feitelijke gedragingen verweerder aan het opleggen van de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Het besluit noch de onderliggende stukken bieden daarover voldoende uitsluitsel. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoeker een maatregel is opgelegd vanwege het mislukken van de twee laatste proefplaatsingen bij Quality Contacts en Egmond Plastics. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen maatregel is, zo heeft verweerder aangegeven, betrokken dat verzoeker zich in het verleden eerder laakbaar heeft gedragen en hem voor elk van die gedragingen afzonderlijk een “10%-maatregel” kon worden opgelegd. Verweerder heeft bij het opleggen van de onderhavige maatregel voorts betrokken dat verzoekers gedrag er toe heeft geleid dat het re-integratietraject als geheel is mislukt terwijl er een nagenoeg 100% kans op uitstroom uit de WWB bestond.

10. De voorzieningenrechter overweegt naar aanleiding van verweerders standpunt allereerst dat onvoldoende is komen vast te staan dat het mislukken van de twee proefplaatsingen aan verzoeker kan worden verweten. Daarbij is van belang dat uit het dossier noch de onderliggende stukken kan worden afgeleid of en zo ja met welke lichamelijke beperkingen van verzoeker bij de proefplaatsingen rekening zou moeten zijn gehouden. Uit het ambtelijke advies volgt voorts dat verweerder zelf van mening was dat indien verzoeker zou uitvallen bij Quality Contacts, er, alvorens hij bij een ander bedrijf zou worden geplaatst, naar het psychisch aspect zou moeten worden gekeken en een keuring een optie zou kunnen zijn. De stelling van verweerder ter zitting dat is bedoeld eerst tot een psychische keuring over te gaan nadat ook de tweede proefplaatsing was mislukt en verzoeker door Agros voor directe bemiddeling was afgemeld, strookt niet met hetgeen in het ambtelijk advies is opgenomen en volgt de voorzieningenrechter dan ook niet.

Gebleken is dat verzoeker na het mislukken van de proefplaatsing bij Quality Contacts zonder nader onderzoek naar zijn psychische gesteldheid bij Egmond Plastics is geplaatst. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker de beëindiging van de beide proefplaatsingen niet zonder nader onderzoek naar zijn fysieke en psychische gesteldheid kan worden verweten.

11. Voor zover nader onderzoek uitwijst dat de beëindiging van de twee proefplaatsingen aan verzoeker valt te verwijten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom deze gedragingen hebben moeten leiden tot het opleggen van de onderhavige – zware – maatregel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn genoemde gedragingen immers veeleer te kwalificeren als gedragingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder e, van de Afstemmingsverordening waarvoor op grond van artikel 10, eerste lid, onder a, van de Afstemmingsverordening als uitgangspunt een maatregel wordt opgelegd van 10% voor de duur van een maand. Ook verweerder lijkt hiervan uit te gaan, gelet op zijn opmerking ter zitting dat er per gedraging in het verleden telkenmale een 10% maatregel had kunnen worden opgelegd en hetgeen is gesteld in het ambtelijk advies:

“Gezien het bovenstaande is het lastig vaststellen welke categorie gedraging er hier sprake van is en derhalve, welke maatregel er hier opgelegd moet worden. Gezien het bovenstaande is alles in het traject erop gericht geweest om cliënt naar algemene geaccepteerde arbeid te leiden. Het gedrag van cliënt bij de proefplaatsingen bij Quality contacts en Egmond Plastics heeft, naar mening van zowel Stephanie de Leeuw als leidinggevenden bij werkgevers, geleid tot het mislopen van een arbeidsovereenkomst. In die zin kan het gedrag van cliënt onder gebracht worden in categorie 2 van gedragingen – vastgelegd in artikel 9 van de afstemmingsverordening van de gemeente Alkmaar –. Cliënt heeft door zijn gedrag algemeen geaccepteerde arbeid geweigerd. Op grond hiervan zou een maatregel van 3 maanden 100% gepast zijn.

Echter, hier moet wel overwogen worden dat cliënt in beide hierboven gevallen net aan zijn proeftijd begonnen was. Deze proeftijd was nog onderdeel van het re-integratietraject en in die zin kan het gedrag van cliënt ook gezien worden als vastgelegd in de afstemmingsverordening onder artikel 9 eerste lid onder e: gedragingen die inschakeling in de arbeidsmarkt belemmert. Op gedraging van deze categorie staat een maatregel van één maand 10 procent.

Rapporteur is van mening dat de waarheid zich ergens tussen beiden bevind. Als cliënt in de loop van het traject steeds was afgestemd bij het mislukken van een poging, dan had elke keer 10% passend geweest, maar er moet hier wel in overweging genomen worden dat het traject als geheel mislukt is. En dat traject moest tot algemeen geaccepteerde arbeid leiden, en die kans was voor bijna 100% aanwezig. Door de gedragingen van cliënt loopt hij dus betaald werk (en dus uitstroom mis). Rapporteur is van mening dat de gedraging dan ook in die zin beoordeeld moet worden en dat een maatregel van 3 maanden 100% de uitgangspositie voor die maatregelenonderzoek moet zijn.”

12. Nu aan het opleggen van de maatregel enkel de beëindiging van de proefplaatsingen en derhalve licht maatregelwaardige gedragingen ten grondslag liggen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de beëindiging van de proefplaatsingen heeft geleid tot de aan verzoeker opgelegde maatregel. De omstandigheid dat verzoeker eerder ook (lichte) maatregelen hadden kunnen worden opgelegd vormt daartoe onvoldoende motivering. Bij zijn oordeel betrekt de voorzieningenrechter dat verweerder in het verleden kennelijk geen aanleiding heeft gezien verzoeker maatregelen op te leggen. De zorgvuldigheid brengt dan mee dat verweerder dat niet mag laten meespelen bij het opleggen van een maatregel die zijn grondslag vindt in de gedragingen bij Quality Contacts en Egmond Plastics. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor zover de beëindiging van de proefplaatsingen al aan verzoeker kan worden verweten, verweerder de aan verzoeker op te leggen maatregel dan ook uitsluitend op die gedraging(en) zal moeten afstemmen.

13. Nu niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de aan verzoeker opgelegde maatregel geen stand zal houden, ziet de voorzieningenrechter in het voorgaande aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als hierna aangegeven.

14. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, van de Awb, in samenhang met artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 2 (punten voor het opstellen van het verzoekschrift en voor het verschijnen ter zitting) en

€ 322,00 (waarde per punt) en 1 (gewicht van de zaak: gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het besluit van

17 december 2008 wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;

- bepaalt dat de gemeente Alkmaar aan verzoeker het griffierecht ten bedrage van € 39,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van verzoeker redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,00;

- wijst de gemeente Alkmaar aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 10 maart 2009 door mr. J. Blokland, voor¬zieningen¬rechter, in tegen¬woordig¬heid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.