Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BH5266

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
09-03-2009
Zaaknummer
94426 - HA ZA 07-293
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Over de aanvang van de verjaringstermijn van de vordering tot verwijdering van bomen binnen twee meter van de erfgrens. Omdat de nabuur zich ingevolge artikel 5:42 lid 3 BW niet kan verzetten tegen de aanwezigheid van bomen die niet hoger reiken dan een scheidsmuur, kan de aanwezigheid of het plaatsen van een schutting invloed hebben op de aanvang van de verjaringstermijn. De rechtbank onderscheidt verschillende situaties. Als de schutting is geplaatst toen de bomen al waren geplant en de bomen reikten op het moment van die plaatsing niet hoger dan de schutting, dan is met die plaatsing de mogelijkheid om verwijdering van de bomen te vorderen opgehouden te bestaan. Op het moment dat de bomen alsnog boven de schutting uitkwamen, ontstond opnieuw de mogelijkheid om verwijdering te vorderen en een dag na dat moment begon dus ook een nieuwe verjaringstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

MK/NB

zaaknummer / rolnummer: 94426 / HA ZA 07-293

datum: 28 januari 2009

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[NAAM EISER],

wonende te Andijk,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. C.H.P. de Boer,

tegen

[NAAM GEDAAGDE],

wonende te Andijk,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. R.G.J. Laan.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1. De procedure

1.1. Bij tussenvonnis van 7 november 2007 heeft de rechtbank [eiser] toegelaten bewijs te leveren.

1.2. Ter uitvoering daarvan heeft [eiser] ter terechtzitting van 14 maart 2008 twee getuigen doen horen.

1.3. Vervolgens heeft [gedaagde] ter terechtzitting van 22 mei 2008 twee getuigen doen horen in contra-enquête.

1.4. Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. Bij tussenvonnis van 7 november 2007 is [eiser] toegelaten te bewijzen dat er op 3 februari 2004 tussen partijen een mondelinge overeenkomst tot stand is gekomen, met de inhoud die [eiser] op 4 februari 2004 schriftelijk heeft vastgelegd. [eiser] heeft daartoe twee getuigen doen horen: zichzelf, als partijgetuige, en zijn echtgenote.

2.2. [eiser] en zijn echtgenote hebben beiden verklaard dat in het gesprek met [gedaagde] en zijn echtgenote op 3 februari 2004 afspraken zijn gemaakt over de bomen in de tuin van [gedaagde] en dat die afspraken zijn bezegeld met een handdruk. Deze afspraken heeft [eiser] vervolgens schriftelijk vastgelegd.

2.3. In contra-enquête heeft [gedaagde] vervolgens twee getuigen doen horen: zichzelf en zijn echtgenote. [gedaagde] en zijn echtgenote hebben beiden verklaard dat zij in het gesprek met [eiser] en zijn echtgenote slechts hebben toegezegd de twee coniferen te blijven snoeien zoals zij dat altijd al deden. Er is gesproken over het omhalen van andere bomen maar daarop zouden [gedaagde] en zijn echtgenote terugkomen; afspraken daarover zijn niet gemaakt.

2.4. De rechtbank moet vaststellen dat de verklaringen van [eiser] en zijn echtgenote enerzijds en die van [gedaagde] en zijn echtgenote anderzijds elkaar tegenspreken over de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen zoals [eiser] die op 4 februari 2004 schriftelijk heeft vastgelegd. De rechtbank stelt voorop dat een verklaring van een partijgetuige als [eiser] ingevolge artikel 164, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor de door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring dient voor aanvulling van onvolledig bewijs. De verklaring van [eiser] heeft daarom alleen bewijskracht als de verklaring van zijn echtgenote onvolledig bewijs oplevert. Ook onvolledig bewijs moet echter essentiële punten betreffen en voldoende overtuigend zijn, zodat daarnaast nog slechts een aanvulling nodig is om het bewijs volledig te maken. Uit de verklaring van de echtgenote van [eiser] kan de rechtbank echter volledig noch onvolledig bewijs putten. Omdat zij de echtgenote is van [eiser] en dezelfde belangen heeft als hij, vindt de rechtbank haar verklaring niet voldoende overtuigend.

2.5. De rechtbank moet daarom concluderen dat [eiser] er niet in is geslaagd te bewijzen dat tussen partijen de gestelde overeenkomst tot stand is gekomen. Er is dus geen grondslag voor de subsidiaire vordering van [eiser] om [gedaagde] met oplegging van een dwangsom te veroordelen tot nakoming van de gestelde overeenkomst. De rechtbank wijst deze subsidiaire vordering dan ook af.

2.6. Daarmee komt de rechtbank toe aan de bespreking van de primaire vordering van [eiser]. De grondslag voor deze vordering is artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge dit artikel is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van andermans erf bomen te hebben. [gedaagde] heeft daartegenover met name gesteld dat deze vordering is verjaard.

2.7. Ingevolge artikel 3:306 BW bedraagt de termijn van verjaring van deze vordering twintig jaren. Ingevolge artikel 3:314 BW begint deze termijn met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van de onrechtmatige toestand kan worden gevorderd. Hoewel ingevolge artikel 5:42, eerste lid, BW de onrechtmatige toestand aanvangt op het moment van het planten van de bomen binnen twee meter van de erfgrens, kan de nabuur zich ingevolge artikel 5:42, derde lid, BW niet verzetten tegen de aanwezigheid van bomen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven. Hieruit volgt dat, ook als vaststaat dat bomen zijn geplant binnen twee meter van de erfgrens, het bestaan de van de mogelijkheid om verwijdering daarvan te vorderen afhankelijk kan zijn van een al aanwezige of pas na het planten geplaatste scheidsmuur.

Vaststaat dat tussen de achtertuinen van partijen een schutting staat. Niet duidelijk is echter of die schutting er al stond toen de bomen werden geplant en zo ja, of die bomen op dat moment al hoger reikten dan de schutting. De rechtbank onderscheidt de volgende situaties.

2.7.1. Als de schutting er al stond toen de bomen werden geplaatst, dan is de verjaringstermijn begonnen op de dag na het moment waarop de bomen hoger reikten dan de schutting.

2.7.2. Als er geen schutting was toen de bomen werden geplant, dan is de verjaringstermijn begonnen op de dag nadat ze zijn geplant.

2.7.3. Als de schutting is geplaatst toen de bomen al waren geplant en de bomen reikten op het moment van die plaatsing niet hoger dan de schutting, dan is met die plaatsing de mogelijkheid om verwijdering van de bomen te vorderen opgehouden te bestaan. Op het moment dat de bomen alsnog boven de schutting uitkwamen ontstond opnieuw de mogelijkheid om verwijdering te vorderen en een dag na dat moment begon dus ook een nieuwe verjaringstermijn.

2.7.4. Als de schutting is geplaatst toen de bomen al waren geplant en de bomen reikten op het moment van die plaatsing hoger dan de schutting, dan is met die plaatsing de mogelijkheid om verwijdering van de bomen te vorderen niet opgehouden te bestaan. De dag na het planten van de bomen begonnen verjaringstermijn is dus ongehinderd doorgelopen.

2.8. Gelet hierop is het voor de beantwoording van de vraag of de vordering van [eiser] is verjaard van belang om duidelijkheid te verkrijgen over het moment van planten van de betrokken dennen en coniferen, het moment van plaatsing van de schutting tussen de achtertuinen van partijen en de hoogte van de op het moment van plaatsing al geplante dennen en/of coniferen ten opzichte van die schutting.

2.9.Verder is het voor de beantwoording van de vraag of de vordering van [eiser] is verjaard van belang vast te stellen op welke datum moet worden bezien of sprake is van verjaring. Nu niet is gesteld of gebleken dat de verjaring van de vordering al vóór het uitbrengen van de dagvaarding in deze zaak is gestuit, is de datum daarvan - 29 maart 2007 - maatgevend bij de beantwoording van deze vraag.

2.10.Op [gedaagde] rust de bewijslast van zijn stelling dat de rechtsvordering van [eiser] is verjaard en dus ook van het moment waarop de verjaringstermijn is aangevangen. De door [gedaagde] overgelegde kopieën van foto's met verklaringen van de vorige eigenaar van zijn woning en een boomverzorger vindt de rechtbank niet genoeg om te concluderen dat hij dat bewijs al heeft geleverd. Dit alleen al omdat op de kopieën van de foto's eenvoudigweg niet goed is te zien of de betrokken twee dennen en vier coniferen erop staan. Nu [gedaagde] bewijs van zijn stelling heeft aangeboden, zal hij tot bewijsvoering worden toegelaten. Wat [gedaagde] dient te bewijzen staat hierna onder 3.1.

2.11.[gedaagde] heeft nog gesteld dat uitoefening door [eiser] van zijn mogelijke recht om verwijderen van de betrokken bomen te vorderen moet worden gezien als misbruik van bevoegdheid. Dit vanwege de onevenredigheid tussen het niet aangetoonde belang van [eiser] bij verwijdering van de bomen en zijn belang bij het behoud ervan. [gedaagde] heeft in dat kader privacybescherming, persoonlijk woongenot, behoud van natuurschoon en de hoge kosten van verwijdering van de dennen en coniferen genoemd.

[eiser] heeft vervolgens ter comparitie verklaard dat hij door de bomen veel schaduw in zijn tuin heeft en dat hij overlast ondervindt van vallende naalden.

De rechtbank vindt de belangen van beide partijen in dezen reëel. Naar haar oordeel is geen sprake van een zodanige onevenredigheid daartussen dat de verwijdering van de bomen zou moeten worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid. Er is dus geen grond om [eiser] zijn vordering om die reden te ontzeggen.

in conventie en in reconventie

2.12.De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. laat [gedaagde] toe te bewijzen:

dat de twee dennen en vier coniferen vóór 29 maart 1987 zijn geplant

én

a. in het geval de schutting al vóór 29 maart 1987 is geplaatst, dat deze dennen en coniferen al vóór 29 maart 1987 hoger reikten dan de schutting en gedurende twintig jaren onafgebroken hoger zijn gebleven dan de schutting;

dan wel

b. in het geval de schutting ná 29 maart 1987 is geplaatst, dat deze dennen en coniferen op het moment van die plaatsing al hoger reikten dan de schutting en na die plaatsing altijd hoger zijn gebleven dan de schutting;

3.2.bepaalt dat, indien [gedaagde] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M. Kraefft;

3.3.bepaalt voorts dat de advocaat van [gedaagde] zich ter rolle van 25 februari 2009 zal uitlaten of en zo ja, hoeveel getuigen zullen worden voorgebracht met vermelding van de verhinderdata van beide partijen, hun raadslieden en mogelijk de getuigen in de maanden maart, april en mei. De rechter zal zo nodig het tijdstip voor het verhoor vaststellen;

3.4.bepaalt dat [gedaagde], indien hij het bewijs niet (alleen) door getuigen wil leveren maar (ook) door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, hij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - en aan de wederpartij moet opgeven;

in conventie en in reconventie

3.5.houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Kraefft en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2009.