Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BH2368

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
03-02-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
08/2202
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag om een tegemoetkoming in de door grauwe ganzen aangerichte schade aan perceel wintertarwe op Texel afgewezen. Aanvrager heeft onvoldoende maatregelen genomen om de schade te voorkomen of te beperken. Verweerder mocht op grond van zijn beleid van aanvrager verwachten dat hij naast visuele maatregelen, in dit geval vogelverschrikkers en palen met linten, tevens akoestische maatregelen zou nemen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 08/2202 BESLU

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

tegen

het bestuur van het Faunafonds,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 19 februari 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een tegemoetkoming in de door grauwe ganzen aangerichte schade aan het bij hem in gebruik zijnde perceel wintertarwe afgewezen. Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 2 juli 2008 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit bij brief van 18 juli 2008 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 12 januari 2009, waar eiseres, vertegenwoordigd door [naam], is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. drs. J.C.Q. Bult en H.G. Engberink.

Motivering

1. In deze gaat het om de vraag of verweerder terecht heeft besloten om eiseres geen tegemoetkoming te verlenen in haar schade die door grauwe ganzen is veroorzaakt aan haar perceel wintertarwe.

2.1 Bij de beoordeling van deze vraag is de volgende regelgeving van belang.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) kunnen, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, gedeputeerde staten, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74 ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ffw is er een Faunafonds dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, in samenhang met artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ffw wordt door het Faunafonds een tegemoetkoming slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

2.2 Volgens artikel 6, eerste lid, van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (zoals gepubliceerd in Stcrt. 2002, 69, laatstelijk gewijzigd op 7 februari 2008, Stcrt. 2008, 48, hierna: de Regeling) kan het bestuur van het Faunafonds een tegemoetkoming verlenen uitsluitend voor schade veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b van de Ffw, welke door vraat, betreden, verontreiniging, graven, wroeten en vegen aan bedrijfsmatige landbouw, bosbouw of visserij is veroorzaakt.

Volgens artikel 7, eerste lid, van de Regeling zal het bestuur een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, slechts verlenen, indien en voor zover naar zijn oordeel de grondgebruiker de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

Volgens het tweede lid staan maatregelen of inspanningen ter voorkoming of beperking van schade, waarvan het bestuur meent dat deze naar eisen van redelijkheid en billijkheid door de grondgebruiker kunnen worden genomen, vermeld in het door het bestuur vastgestelde Handboek Faunaschade.

Volgens het derde lid wordt een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b van de Ffw en waarvoor ingevolge artikel 68 van de Ffw een ontheffing kan worden verleend slechts toegekend indien:

a. de ontheffing op deugdelijke wijze is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door de betreffende provincie is geweigerd;

b. de ontheffing is verleend en er ondanks dat daarvan naar het oordeel van het bestuur op adequate wijze gebruik is gemaakt, bedrijfsmatige schade aan gewassen, teelten of overige producten is opgetreden.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn besluit tot afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming gehandhaafd, omdat eiseres onvoldoende preventieve maatregelen heeft getroffen om de door grauwe ganzen veroorzaakte schade aan haar perceel wintertarwe te voorkomen dan wel te beperken. Verweerder heeft aan zijn weigering ten grondslag gelegd dat naar vast beleid van een grondgebruiker mag worden verwacht dat hij minimaal twee typen afweermiddelen inzet, te weten een visueel en een akoestisch afweermiddel. Hiervan was, aldus verweerder, geen sprake nu eiseres slechts visuele middelen, te weten drie vogelverschrikkers en 15 palen met linten, ter preventie heeft toegepast, maar geen akoestische middelen op het perceel heeft geplaatst. Voorts heeft verweerder aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat eiseres geen adequaat gebruik heeft gemaakt van de verleende afschotontheffing als bedoeld in artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw.

4. Eiseres betoogt dat zij, gelet op de praktijksituatie op Texel, haar uiterste best heeft gedaan om samen met de jagers de grauwe ganzen van het perceel te houden en daarmee schade te voorkomen. Naar haar mening heeft zij wel degelijk tijdig de vereiste preventieve maatregelen getroffen en voldoende van de verleende afschotontheffing gebruik gemaakt. Direct na het inzaaien van het gewas wintertarwe zijn, zo stelt eiseres, vogelverschrikkers en palen met linten geplaatst. Daarnaast gingen de jagers dagelijks naar het perceel om de ganzen, indien deze aanwezig waren, met behulp van afschot te verjagen. Ook hebben de jagers enkele ganzen met een jachtgeweer afgeschoten, maar desondanks kwamen, aldus eiseres, de grauwe ganzen steeds terug met als gevolg dat er schade aan het gewas is aangericht. Eiseres stelt verder zij geen knalapparaat heeft geplaatst, omdat dat onrust geeft voor het nabij gelegen natuurgebied.

5. Niet in geschil is dat eiseres op 13 februari 2008 de door de grauwe ganzen veroorzaakte schade aan haar gewas heeft geconstateerd en dat zij hieraan voorafgaand maatregelen, in de vorm van drie vogelverschrikkers en 15 palen met linten, heeft genomen om dergelijke schade te voorkomen of te beperken.

6. In het Handboek Faunaschade 2002 heeft verweerder bepaald dat de grondgebruiker, ten einde voor vergoeding in aanmerking te komen, een aantal van de in het Handboek vermelde maatregelen moet hebben getroffen. Volgens het Handboek kan over het algemeen gesteld worden dat de grondgebruiker minimaal twee van de genoemde preventieve maatregelen afwisselend en door elkaar heen moet hebben toegepast om voor een eventuele tegemoetkoming in aanmerking te kunnen komen. Naar vast beleid van verweerder, zoals gepubliceerd in diverse stukken op zijn website en toegelicht ter zitting, dient de grondgebruiker minimaal twee typen afweermiddelen in te zetten, te weten een visueel en een akoestisch afweermiddel. Dit beleid heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet kennelijk onredelijk geacht (zie hiervoor de uitspraak van 14 december 2005, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer: AU7940).

7. De rechtbank overweegt dat algemeen bekend is dat op Texel een grote populatie grauwe ganzen aanwezig is, die het op percelen waarop gewas als dat van eiseres staat, gemunt heeft. Eiseres had onder die omstandigheden eens te meer bedacht moeten zijn op het ontstaan van schade en die (minimale) preventieve maatregelen moeten treffen die voldoen aan hetgeen waartoe zij naar redelijkheid en billijkheid gehouden was.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op bovengenoemd vast beleid, van eiseres dan ook mocht verwachten dat zij naast visuele maatregelen, in dit geval vogelverschrikkers en palen met linten, tevens akoestische maatregelen zou nemen. Niet is gebleken dat eiseres een akoestisch afweermiddel heeft ingezet. Voor zover eiseres heeft bedoeld te betogen dat het door de jagers verjagen van ganzen door het perceel te bezoeken en enkele ganzen af te schieten op grond van een krachtens artikel 68 van de Ffw verleende ontheffing als een akoestische preventieve maatregel kan worden aangemerkt, slaagt dat betoog niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dat reeds uitgemaakt in haar uitspraak van 26 juli 2006 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer: AY5043).

8. De conclusie is dan ook dat verweerder zich op grond van zijn beleid terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres onvoldoende maatregelen heeft genomen om de schade te voorkomen of te beperken. De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar betoog dat verweerder daarbij de praktijksituatie op Texel uit het oog heeft verloren. Dat grauwe ganzen overlast bezorgen en schade wellicht niet voorkomen had kunnen worden, betekent nog niet dat verweerder, gelet op de opzet van de regeling, niet van eiseres mocht verwachten dat zij tenminste de minimale preventieve maatregelen zou treffen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat voor haar onmogelijk was.

9. Het betoog van eiseres dat verweerder op grond van bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van het beleid dat een grondgebruiker minimaal één visuele en één akoestische maatregel zal moeten hebben toegepast om in aanmerking te komen voor een eventuele tegemoetkoming, treft geen doel. Eiseres heeft immers met haar stellingen dat zij op het perceel geen knalapparaat heeft gebruikt omdat dit verstorend werkt voor het nabij gelegen natuurgebied, alsmede dat de APV van de gemeente Texel strenge eisen stelt aan het gebruik van het knalapparaat - wat hier ook van zij - , niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was een (ander) in het Handboek genoemd akoestisch middel in te zetten. Ook de door eiseres aangevoerde omstandigheid dat de jagers vrijwel dagelijks ganzen hebben verjaagd en zo nu en dan ook hebben afgeschoten levert geen bijzondere omstandigheid op, op grond waarvan verweerder van zijn beleid had moeten afwijken.

10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat artikel 7, eerste lid, van de Regeling in dit geval aan verlening van een tegemoetkoming in de schade in de weg staat. Nu eiseres reeds op grond hiervan niet voor schadevergoeding in aanmerking komt, behoeft hetgeen zij heeft aangevoerd met betrekking tot het gebruik van de verleende afschotontheffing geen bespreking meer.

11. Verweerder heeft zijn besluit tot afwijzing van de aanvraag van eiseres bij het bestreden besluit terecht gehandhaafd. Het beroep van eiseres is dus ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 3 februari 2009 door mr. J. Blokland, voorzitter, mr. J.L. Roubos en mr. L. Boonstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.