Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BP0489

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
21-10-2008
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
08/2521 en 08/2523
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 augustus 2007 heeft verweerder aan vergunninghouder vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een kap op de garage/berging op het perceel X te Bergen. Het hiertegen door verzoekers gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 15 januari 2008 ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4806
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/2521 en AWB 08/2523

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van:

[naam] en [naam.1],

wonende te [plaatsnaam],

verzoekers,

gemachtigde mr. P.G. Wemmers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen,

verweerder.

Aan het geding neemt tevens deel[naam.2], wonende te [plaatsnaam], vergunninghouder,

gemachtigde mr. E.C.W. van der Poel.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 3 augustus 2007 heeft verweerder aan [naam.2] vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een kap op de garage/berging op het perceel [adres] [huisnummer] te [plaatsnaam]. Het hiertegen door verzoekers gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 15 januari 2008 ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen dit besluit bij brief van 22 februari 2008 beroep ingesteld.

Bij brief van 20 maart 2008 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 16 mei 2008 heeft de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 januari 2008 vernietigd en het besluit van 3 augustus 2007 geschorst tot zes weken nadat verweerder opnieuw op het bezwaar heeft beslist. Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Bij besluit van 11 juli 2008 heeft verweerder, opnieuw beslissend, het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 21 augustus 2008 beroep ingesteld. Daarbij is de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld ter zitting van 9 oktober 2008, waar verzoekers, daartoe ambtshalve opgeroepen, zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, is verschenen bij gemachtigde mr. P.J.M. Hink. Voorts zijn ter zitting verschenen de heer en mevrouw [naam.2], bijgestaan door hun voornoemde gemachtigde.

Motivering

1. Op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek een voorlopige voorziening te treffen de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geding aan de orde zijn geweest meent de voorzieningenrechter dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De voorzieningenrechter zal dan ook gebruik maken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een kap op een garage/berging op het perceel [adres] [huisnummer] te [plaatsnaam]. Ten aanzien van de stelling van verzoekers dat de bouwtekening bij de aanvraag niet waarheidsgetrouw is, althans niet spoort met de werkelijke situatie ter plaatse nu de kap hoger is dan 5.519 meter, en dientengevolge niet wordt voldaan aan de in de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab) gestelde vereisten, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers hun stelling dat de bij de aanvraag overgelegde bouwtekeningen niet in overeenstemming zijn met de feitelijke situatie, wat de betekenis daarvan ook moge zijn, niet aannemelijk gemaakt. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat ter zitting aan de hand van de bouwtekening voor de garage/berging is gebleken dat het peil bij het verlenen van de bouwvergunning voor de garage/berging in 1955 aan de hand van de bouwverordening is vastgesteld. De voorzieningenrechter ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het getoonde peil, dat op de onderhavige bouwtekening op gelijke plek, te weten aan onderzijde van de voordeur, is ingetekend. Nu, gemeten vanuit het peil, de goothoogte van de berging 3.171 en de nokhoogte van de garage 5.519 meter bedraagt, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in zoverre geen sprake van een onjuiste tekening. De omstandigheid dat in werkelijkheid de begane grond van de garage/berging mogelijk onder het peil is gerealiseerd, kan voor verzoekers niet tot het beoogde resultaat leiden nu voor de meting van de hoogte van de kap moet worden uitgegaan van het vastgestelde peil. De voorzieningenrechter is ook overigens van oordeel dat de tekening in overeenstemming is met hetgeen is beoogd nu de nokhoogte van de garage/berging overeenkomt met de goothoogte van de woning, hetgeen in dit geval uitdrukkelijk wordt beoogd.

3. Ingevolge artikel 40, eerste lid, onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

4. Ingevolge het bestemmingsplan “Uitbreidingsplan Gemeente Bergen NH 1937” hebben de onderhavige gronden de bestemming “Villa’s en landhuizen”.

Ingevolge artikel 4 van de voorschriften – voor zover hier van belang – mag de hoogte van bijgebouwen tot de onderkant van het dak niet meer bedragen dan 2.50 meter. Deze hoogtematen worden gemeten boven het maaiveld.

5. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 komen, voor zover hier van belang, voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking een uitbreiding van een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat terecht onder verlening van vrijstelling bouwvergunning is verleend. Verweerder wijst er in dat verband op dat het in het voorontwerp, waarmee het bouwplan niet geheel in overeenstemming is, ten onrechte opgenomen criterium “noodzakelijk” inmiddels is gewijzigd in “wenselijk”. Verweerder wijst in dat verband voorts op de notitie beleidslijnen bestemmingsplan waarin is neergelegd dat in het bestemmingsplan een vrijstellingsmogelijkheid zal worden opgenomen voor een kap. Ook de stedenbouwkundige heeft het bouwplan wenselijk geacht. Gelet voorts op de afstand van de garage met kap tot de omliggende woningen en de resultaten van het bezonningsonderzoek kan niet worden gesteld dat omwonenden door realisering van het bouwplan onevenredig in hun belangen worden geschaad.

Nu het bouwplan voorts in overeenstemming is met de algemene welstandscriteria bestaat ook om die reden geen aanleiding de bouwvergunning te weigeren.

7. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat de vrijstelling is verleend in strijd met verweerders geldende beleid, terwijl voor het afwijken van dat beleid geen enkele aanleiding bestond. Verzoekers stellen zich verder op het standpunt dat het bouwplan nog immer niet voldoet aan de daarvoor geldende welstandscriteria.

8. Op grond van de uitspraak in deze zaak van de voorzieningenrechter van 16 mei 2008 staat vast dat verweerder in het onderhavige geval bevoegd is vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO te verlenen. De bestuursrechter mag de uitoefening van die – discretionaire – bevoegdheid slechts marginaal toetsen. Dat houdt in dat de voorzieningenrechter een besluit omtrent de gebruikmaking van die bevoegdheid slechts mag vernietigen, indien een dergelijk besluit als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt.

9. Ten aanzien van de stelling van verzoekers dat verweerder in strijd met zijn eigen beleid vrijstelling heeft verleend, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter stelt vast dat, zoals door verweerder ter zitting ook is bevestigd, verweerder bij gebruikmaking van zijn hier bedoelde bevoegdheid geen op die gevallen gericht vrijstellingenbeleid hanteert. Voor zover partijen stellen dat het voorontwerpbestemmingsplan “Bergen-dorpskern Zuid” dient te worden aangemerkt als het hiervoor bedoelde beleid, volgt de voorzieningenrechter hen daarin niet, reeds omdat niet is gebleken van een daartoe strekkend besluit.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder, hetgeen door hem ter zitting ook is bevestigd, verzoeken als de onderhavige in beginsel wel als een vaste gedragslijn toetst aan genoemd voorontwerpbestemmingsplan. Daarvan is in het onderhavige geval afgeweken omdat het bouwplan daarmee niet volledig in overeenstemming was. Verweerder heeft om die reden in het onderhavige geval, in afwijking van zijn vaste gedragslijn, zonder verwijzing (in overwegende mate) naar het voorontwerp bestemmingsplan, gemotiveerd om welke reden naar zijn oordeel vrijstelling kan worden verleend van het bestemmingsplan.

10. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding verzoekers te volgen in hun stelling dat verweerder bij de beoordeling van het verzoek om vrijstelling had moeten uitgaan van het advies van de stedenbouwkundige van 17 april 2007, waarin deze heeft aangegeven dat hij wil vast blijven houden aan de maximale hoogte van 5.00 meter zoals in het voorontwerpbestemmingsplan staat aangegeven en dat hij voor dit specifieke geval geen uitzondering wil maken. Daartoe is redengevend dat is gebleken dat de stedenbouwkundige nadien op zijn eerdere opvatting is teruggekomen. De stedenbouwkundige heeft de aanvaardbaarheid van het onderhavige bouwplan gemotiveerd door te stellen dat het wenselijk is een kap op de garage/berging te bouwen met een dakhelling en vorm die overeenstemt met het hoofdgebouw teneinde de bestaande onbalans te herstellen. De aansluiting van de nok van het bijgebouw bij de goothoogte van het dak van het hoofdgebouw (op één lijn) versterkt dat nog. Het past bovendien bij de karakteristiek van het gebied dat aan aan- en uitbouwen bij woningen als de onderhavige worden voorzien van een kap. Aan die opvatting heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter betekenis mogen toekennen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verweerder heeft kunnen afwijken van de in het ontwerpbestemmingsplan genoemde maximale hoogte. Temeer nu dit ontwerpbestemmingsplan nog immer onderwerp van discussie is.

11. Ten aanzien van de stelling van verzoekers dat zij door de verleende vrijstelling dermate in hun belangen worden geschonden dat verweerder van verlening had moeten afzien, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Gelet op de bezonningstekeningen waaruit blijkt dat de schaduw op het perceel van verzoekers in omvang en tijd (nihil tot) beperkt is, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder de vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Bij dat oordeel heeft de voorzieningenrechter tevens de afstand van het bouwwerk tot de woning van verzoekers en de op hun perceel reeds aanwezige garage betrokken.

12. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder, teneinde realisatie van het bouwplan mogelijk te maken, in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen van het vigerend bestemmingsplan.

13. Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder d – voor zover hier van belang – van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

14. Uit het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde nadere advies van de welstandscommissie van 4 juli 2008 volgt dat deze zich rekenschap heeft gegeven van de omstandigheid dat het bouwplan, zoals door de voorzieningenrechter was geoordeeld in de uitspraak van 16 mei 2008, strijdig is met het in de welstandsnota neergelegde gebiedsgerichte criterium dat uitbreidingen op reeds bestaande aan-, op-, en uitbouwen niet zijn toegestaan.

Uit hoofdstuk 3 “Algemene welstandscriteria” van de welstandsnota volgt dat in bijzondere situaties wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn, het nodig kan zijn expliciet terug te grijpen op de algemene welstandscriteria.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de welstandscommissie in dit geval terecht geoordeeld dat van een dergelijke situatie sprake was. Daartoe is redengevend dat de gemeenteraad in de welstandsnota (vastgesteld in juni 2004) weliswaar tot uitgangspunt heeft genomen dat uitbreidingen op reeds bestaande aan-, op- en uitbouwen niet zijn toegestaan, maar dat de gemeenteraad nadien, in 2006, juist het standpunt heeft ingenomen dat het verlenen van een vrijstelling voor het mogelijk maken van een kap op bestaande bebouwing wel tot de mogelijkheden behoort. Omdat deze beide standpunten van de gemeenteraad met elkaar onverenigbaar zijn heeft de welstandscommissie moeten afwijken van de welstandsnota teneinde te kunnen aansluiten bij het meest recente standpunt van de gemeenteraad.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de welstandscommissie - analoog aan het bepaalde in artikel 12, derde lid, van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 12b, eerste lid, van de Woningwet - terecht heeft gewezen op de omstandigheid dat voor zover de toepassing van welstandscriteria leidt tot strijd met het (voorontwerp)bestemmingsplan, deze criteria buiten toepassing blijven.

15. Ter voorlichting van partijen overweegt de voorzieningenrechter ten aanzien van de doorbreking van de aanhoudingsplicht nog het volgende. Ten tijde van de aanvraag was geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd, maar wel een voorbereidingsbesluit van kracht. Nu verweerder ter zitting heeft bevestigd dat geen opvolgend voorbereidingsbesluit is genomen, is er van een aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 50 van de Woningwet geen sprake, zodat deze evenmin behoeft te worden doorbroken.

16. Bij faxbericht van 8 oktober 2008, derhalve op de dag voor de zitting, heeft vergunninghouder een nader stuk ingezonden en de voorzieningenrechter verzocht het aan het procesdossier toe te voegen. Nu verzoekers zich ter zitting tegen de (late) inbreng van genoemd stuk hebben verzet, laat de voorzieningenrechter het stuk buiten beschouwing.

17. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder terecht bouwvergunning heeft verleend. De strijdigheid met het bestemmingsplan is door de verleende vrijstelling immers opgeheven en het bouwplan voldoet voorts aan de redelijke eisen van welstand.

18. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij die stand van zaken geen aanleiding.

19. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 21 oktober 2008 door mr. P.H. Lauryssen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Tegen de uitspraak op het beroep kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uit-spraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld.