Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BK5962

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
14-810504-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verminderd toerekeningsvatbare verdachte, die met een meisje van haar zevende tot haar negende jaar ontucht heeft gepleegd, waaronder meermalen seksueel binnendringen (tong in vagina), veroordeeld tot 279 dagen gevangenisstraf met aftrek, waarvan 60 dagen voorwaardelijk. Bijzondere voorwaarde gesteld, dat veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering (verplichte begeleiding), ook indien dit inhoudt ambulante behandeling door een daartoe aan te wijzen behandelinstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Locatie Alkmaar

Parketnummer : 14/810504-07

Datum uitspraak : 24 juni 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [straatnaam en huisnummer], [postcode en woonplaats],

gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank:

- het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren;

- de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 279 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met daaraan gekoppeld een bijzondere voorwaarde, te weten houden aan de aanwijzingen van de Reclassering Nederland, ook als die inhouden ambulante behandeling bij een door de Reclassering aan te wijzen instelling;

- de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M. van der Himst, advocaat te Den Helder, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juli 2005 tot en met 13 november 2007 in de gemeente Anna Paulowna, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte (telkens) zijn tong in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd;

2.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juli 2005 tot en met 13 november 2007 in de gemeente Anna Paulowna, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit

- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- het laten strelen en/of betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] en/of - het betasten en/of kussen en/of likken van de vagina van die [slachtoffer].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 13 november 2007 in de gemeente Anna Paulowna, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, telkens handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte telkens zijn tong in de vagina van die [slachtoffer] gebracht;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 13 november 2007 in de gemeente Anna Paulowna, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande uit

- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- het laten strelen en/of betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] en/of - het betasten en/of kussen en/of likken van de vagina van die [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

4. BEWIJSMIDDELEN

? Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL10RR/07-272619 van 15 november 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam] en [naam], doorgenummerde pagina’s 50 tot en met 54.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 november 2007 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer] (ouders van het slachtoffer):

Wij wonen op de [straatnaam en huisnummer] in Anna Palowna. [verdachte] woont twee huizen verder op nummer [huisnummer]. We hebben aan [slachtoffer] gevraagd wat er altijd bij de buurman (de rechtbank begrijpt: verdachte) en buurvrouw gebeurt. Tegen [moeder slachtoffer] vertelde [slachtoffer] dat de heer [verdachte] aan haar poesje heeft gelikt. Met poesje bedoelt zij haar vagina. [slachtoffer] vertelde dat het een keer of 4 à 5 is voorgekomen dat [verdachte] aan haar poesje heeft gelikt. Dit was al voor de zomer gebeurd.

? Het proces-verbaal van 27 november 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Het misbruik is allemaal in 2007 gebeurd. Ik ben drie keer met mijn tong één of twee centimeter in de vagina van mijn buurmeisje [slachtoffer] geweest.

? Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL10RR/07-272619 van 24 november 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam] en [naam], doorgenummerde pagina’s 14 tot en met 20.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 november 2007 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van verdachte:

De eerste keer dat ik [slachtoffer] op haar poesje heb gekust, was in april, mei of juni 2007. Dit gebeurt altijd in de slaapkamer.

? Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL10RR/07-272619 van 24 november 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam] en [naam], doorgenummerde pagina’s 21 tot en met 29.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 november 2007 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van verdachte:

Wat ik met [slachtoffer] heb gedaan, is volgens mij seks.

Ik heb wel eens met mijn tong in de vagina van [slachtoffer] gezeten. Hooguit 1 of 2 centimeter. Ik denk dat dit 3 of 4 keer is gebeurd. De laatste keer was denk ik drie weken geleden.

[slachtoffer] heeft mijn piemel aangeraakt. Zij heeft hem gestreeld.

[slachtoffer] heeft aan mijn piemel getrokken. Zij weet hoe ze dat moet doen omdat ik dat tegen haar heb gezegd.

? Het proces-verbaal van studioverhoor met nummer PL10RR/07-282619 van 27 november 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam], doorgenummerde pagina’s 56 tot en met 87.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het op 22 november 2007 in de zogenaamde verhoorstudio plaatsgevonden gesprek tussen genoemde verbalisant en het slachtoffer [slachtoffer].

V = vraag van [naam verbalisant]

A = antwoord van [slachtoffer]

A: Ik ben gekomen om over mijn buurman te praten. Want ik kwam soms wel eens bij mijn buurman en toen had hij aan mijn poesje gelikt.

V: Hoe vaak is dat gebeurd [slachtoffer]?

A: Een stuk of vijf zes zeven keer of zo.

V: Een stuk of vijf, zes, zeven keer of zo?

A: vier.

V: Ja. En hoe weet je dat het zoveel keer is?

A: Dat weet ik eigenlijk niet, want ik schat het zo ongeveer.

V: En waar likt hij precies aan?

A: Aan alles. Aan de binnenkant en aan de buitenkant.

V: Dus jij zegt hij likt dan aan de binnenkant, wat bedoelt je met de binnenkant? Wat zit er onder je poesje?

A: Een dingetje. Een klein en puntig eivormpje zit aan de binnenkant.

V: En waarmee likte hij aan jouw poesje?

A: met zijn tong.

A: Met zijn handen hield hij mijn poesje uit elkaar. Dat deed hij omdat hij zo bij de binnenkant kon.

V: (verbalisant tekent schaamlippen)

A: Nou had hij hier zo zijn handen en douwde hij ‘m zo uit elkaar

V: De eerste keer, kun je me daar eens over vertellen, hoe dat is gegaan? Hoe oud was jij dat dat gebeurde?

A: volgens mij 9.

V: 9. En hoe oud ben je nu?

A: 9.

V: In welke groep zat je dat dat gebeurde?

A: volgens mij in groep 5. Nu zit ik in groep 6.

V: En kan er naast plas ook nog wat anders uit de piemel komen?

A: ook volgens mij gal.

V: heb jij dat gal wel eens gezien?

A: (knikt ja)

V: Ja? En van wie heb je dat gal wel eens gezien?

A: ook van de buurman

V: Van de buurman. En hoe ziet dat gal er uit?

A: Wit. Het lijkt een beetje op slijm. Toen was hij zijn piemel aan het masseren en toen kwam er allemaal g…. en toen moest ik het doen van de buurman en toen kwam er allemaal gal uit.

V: Gal uit. En buurman was zijn piemel aan het masseren zeg je en hoe deed de buurman dat dan zijn piemel masseren?

A: Hij had hem zo vast en toen deed hij dit (beweegt haar linker hand op en neer en met duim en wijsvinger is een rondje gevormd).

V: hoe vaak heb je dat gal nu gezien?

A: 1 keer.

? Een geschrift, zijnde een door de gemeente Den Helder op 2 april 1998 opgemaakte akte van geboorte, met aktenummer [nummer], pagina 91.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven:

[slachtoffer] is op [geboortedatum] te Den Helder geboren als dochter van [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer].

Dit geschrift is slechts gebezigd in verband met de inhoud van de overige genoemde bewijsmiddelen.

5. NADERE MOTIVERING

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat alleen het eerste deel van de verklaring van de verdachte bij de politie eigener beweging is afgelegd. Daarna zijn de door [slachtoffer] tijdens het studioverhoor gedane uitlatingen aan de verdachte voorgehouden. De verdachte reageerde hier veelal eerst op met de mededeling “het niet meer te weten” en pas na het uitoefenen van druk kwamen de door de verdachte afgelegde (belastende) verklaringen. Volgens de raadsman heeft de verdachte deze verklaringen niet uit vrije wil afgelegd en zijn deze derhalve niet aan hem toe te rekenen.

Ofschoon de rechtbank onderkent dat op de verdachte druk is uitgeoefend tijdens de politieverhoren, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de verdachte – zeker voor zover het hierboven bewezenverklaarde betreft – zodanig “gestuurde” verklaringen heeft afgelegd dat deze onjuist zijn. Dit leidt de rechtbank onder meer af uit de omstandigheid dat de verdachte aan het begin van zijn eerste verhoor zelf aangeeft te weten waar het verhoor over zal gaan, namelijk de ontucht met zijn buurmeisje [slachtoffer] (pagina 14). Voorts merkt de verdachte op dat moment op dat hij het schandalig van zichzelf vindt dat hij dit heeft kunnen doen. Van een sturing is op dat moment geen sprake. Voorts heeft de verdachte tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris voornoemd verklaard dat de door hem bij de politie afgelegde verklaringen kloppen en heeft hij (nogmaals) verklaard drie keer met zijn tong één of twee centimeter in de vagina van zijn buurmeisje [slachtoffer] te zijn geweest. De rechtbank gaat aldus van de juistheid van de door de verdachte afgelegde verklaringen uit, voor zover deze als bewijsmiddel zijn gebruikt.

6. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

2.

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

7. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

De verdachte heeft in zijn slaapkamer op verschillende momenten seksueel misbruik gemaakt van en ontucht gepleegd met een jong meisje, dat bij hem thuis kwam om te spelen met de huisdieren en de hond uit te laten. Door zijn handelen heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat de slachtoffers van delicten als de onderhavige veelal op latere leeftijd te kampen krijgen met de traumatische gevolgen van hetgeen hen op jonge leeftijd is overkomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting, met name uit de toelichting van de raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. Mentink, is naar voren gekomen dat het slachtoffer te kampen heeft met de gevolgen van het handelen van verdachte. Zij is aangemeld voor kinderpsychiatrische therapie in Haarlem. Voorts heeft verdachte niet alleen op grove wijze het vertrouwen beschaamd dat het slachtoffer in hem als volwassene stelde, maar ook dat van de ouders die hun kind in goed vertrouwen bij hem thuis lieten spelen. De rechtbank rekent de verdachte deze feiten dan ook zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, gedateerd 26 november 2007, waaruit blijkt dat de verdachte onbekend is in de Justitiële Documentatie;

- het over de verdachte uitgebrachte vroeghulpinterventierapport gedateerd 30 november 2007 van R. Delis als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland;

- het over de verdachte uitgebrachte rapport gedateerd 21 maart 2008 van prof. dr. C. Jonker, gedragsneuroloog te Amsterdam;

- het over de verdachte uitgebrachte rapport gedateerd 25 april 2008 van drs. H. Scharft, psycholoog NIP te Leek;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 6 juni 2008 van R. Delis als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland.

Het neurologisch rapport gedateerd 21 maart 2008 houdt onder meer het volgende in:

Op diagnostisch niveau is sprake van een beginnende front-subcorticale dementie in het kader van de ziekte van Parkinson. De gedragskeuzen c.q. gedragingen van betrokkene ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde zijn zonder twijfel beïnvloed door het hersenorganisch lijden, in casu de dementie. Direct gerelateerd aan het hier beschreven type dementie is, naast de kenmerkende cognitieve functiestoornissen, de impulsiviteit, die met name optreedt in complexe situaties waar betrokkene het overzicht mist. Als gevolg daarvan was betrokkene niet in staat zijn impulsen onder controle te houden, en heeft als het ware reflexmatig gehandeld zonder dat hij de consequenties van zijn handelen overzag. Hij miste het vermogen tot zelfreflexie, waardoor hij zijn handelen niet kon toetsen aan een adequaat referentiekader van normen en waarden. Bovendien was hij door zijn cognitieve beperkingen niet instaat het eenmaal ingezette gedrag te onderbreken. Het is niet ondenkbaar dat het gebruik van dopaminerge middelen (i.c. sinemet) het impulsieve gedrag heeft gestimuleerd, hoewel de bijdrage hiervan – gezien de wetenschappelijke literatuur op dit terrein – vermoedelijk beperkt is.

De dementie van betrokkene kan de geheugenproblemen geheel verklaren. De problemen met het ophalen van informatie uit het geheugen zijn een direct gevolg van het fronto-subcorticale karakter van de dementie.

Voor het gemeenschappelijke advies wordt verwezen naar de rapportage van de psycholoog drs. H. Scharft.

Het psychologisch rapport gedateerd 25 april 2008 houdt onder meer het volgende in:

Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid kan men – gelet op het verrichte neurologisch onderzoek – opmerken dat betrokkene niet volledig in staat is geweest om zijn impulsen onder controle te houden en als het ware reflexmatig heeft gehandeld toen hij de ten laste gelegde feiten pleegde. Aan de andere kant bevindt het dementiële beeld zich nog in de beginfase en laat betrokkene in zijn algemene doen en laten (nog) geen duidelijk ontremd gedrag zien. Men kan hem dus deels verantwoordelijk houden voor zijn gedrag. Op grond hiervan wordt geadviseerd om hem het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

Mocht betrokkene in de toekomst in vergelijkbare situaties terechtkomen als ten tijde van het tenlastegelegde, dan kan met recidivegevaar reëel aanwezig achten. Gezien het bij betrokkene aanwezige ziektebeeld zou het raadzaam zijn als hij psychogeriatrische zorg zoekt. Geadviseerd wordt daarom om betrokkene een bijzondere voorwaarde op te leggen bij een voorwaardelijk strafdeel met als voorwaarde dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering ook als dat een zich onder psychogeriatrische zorg stellen inhoudt.

Op grond van de hierboven weergegeven conclusies, welke de rechtbank overneemt en tot de hare maakt, is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde aan de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

In het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 6 juni 2008 van R. Delis is het advies opgenomen om betrokkene, indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook indien de aanwijzingen inhouden dat betrokkene zich onder psychogeriatrische behandeling stelt.

Ter terechtzitting heeft R. Delis het rapport mondeling toegelicht.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is. Bij de bepaling van de duur van die vrijheidsstraf heeft de rechtbank in het bijzonder laten meewegen de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheid dat verdachte geen strafblad heeft en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

9. BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij [vader slachtoffer], wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer], wonende op het adres [straatnaam en huisnummer], [postcode en woonplaats], heeft, door tussenkomst van de gemachtigde raadsvrouw mr. G.A.M. van Dijk, vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 2.000,-- als voorschot op de immateriële schade en € 93,82 voor de materiële schade (extra telefoonkosten en reiskosten) die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De kantoorgenote van mr. Van Dijk, mr. Mentink, heeft de vordering ter terechtzitting van 10 juni 2008 mondeling toegelicht.

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de vordering integraal kan worden toegewezen, nu de materiële schade goed is gedocumenteerd en een immateriële schadevergoeding van € 2.000,-- gezien de ernst van de feiten redelijk is.

De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting verklaard dat aan de redelijkheid van de vordering niet wordt getwijfeld, maar stelt dat de vordering aanzienlijk dient te worden gematigd gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van zijn cliënt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden.

Met betrekking tot het standpunt van de raadsman van verdachte omtrent de matiging van de schade in verband met de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

De civiele vordering van de benadeelde partij in het strafproces is gebaseerd op de onrechtmatige daad. Zij moet voldoen aan de eisen van artikel 6:162 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 6:165 BW bepaalt dat de omstandigheid dat een gedraging is verricht onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming geen beletsel is voor toerekening.

De rechtbank acht de gevorderde immateriële schade naar maatstaven van billijkheid voor toewijzing vatbaar. Voorts zal de rechtbank de gevorderde materiële schade toewijzen, nu deze schade voldoende is onderbouwd en het rechtstreeks gevolg is van de handelingen van verdachte.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

10. SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

11. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 244 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

12. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 279 dagen.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 60 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, ook indien deze aanwijzingen inhouden dat de verdachte zich ambulant zal laten behandelen bij een door de Reclassering Nederland aan te wijzen instelling.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer], wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer], tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.093,82 (tweeduizend drieënnegentig euro en tweeëntachtig cent) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] te betalen een som geld ten bedrage van € 2.093,82 (tweeduizend drieënnegentig euro en tweeëntachtig cent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Westdorp, voorzitter,

mr. F.J. Lourens en mr. E.J.M. Tuijp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Kramer, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juni 2008.

mr. Tuijp is buiten staat dit vonnis

mede te ondertekenen.