Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BH0674

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
12-12-2008
Datum publicatie
23-01-2009
Zaaknummer
08/307
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK1952, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor het gebruik van een speelterrein als openbaar parkeerterrein in Noordeinde, nabij een Vogel- en Habitatrichtlijngebied. Belanghebbendebegrip. Geen speerpunt van beleid en geen strijd provinciaal beleid. De Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet staan niet aan het gebruik van het perceel als openbaar parkeerterrein in de weg. Belangenafweging. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2009/10 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/307

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

[eiser 1] en [eiser 2], beiden wonend te [plaatsnaam 1], [eiser 3], handelend onder de naam “[bedrijfsnaam]”, gevestigd te Noordeinde, en [eiser 4], wonend te [plaatsnaam 2],

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Graft-De Rijp,

verweerder.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen de stichting “Noordeinder Vermaning”.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 4 december 2007 heeft verweerder aan de gemeente Graft-De Rijp vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend voor het gebruik van het terrein gelegen achter [adres 1] en [adres 2] te Noordeinde als openbaar parkeerterrein. Daarnaast heeft verweerder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO verleend voor het plaatsen van een hekwerk ter afscherming van het parkeerterrein.

Hiertegen hebben eisers bij brief van 24 januari 2008 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 20 november 2008, waar eiseres [eiser 1] in persoon is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigden D. van der Goot, H.P. van de Ven en S. Koper. Verder is de stichting “Noordeinder Vermaning”, vertegenwoordigd door W.R.N. de Boer en P. Theel, verschenen.

Motivering

1. Het terrein achter de percelen [adres 1] en [adres 2] is in gebruik als speelterrein. Dit speelterrein, dat bestaat uit een gedeelte dat is betegeld en uit een gedeelte dat is ingezaaid met gras, bevindt zich op grond in eigendom van de gemeente Graft-De Rijp. Achter het speelterrein bevindt zich open, landelijk gebied. Voor het gebruik van het speelterrein als parkeerterrein is bij besluit van 13 juli 1999 vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO verleend. Deze vrijstelling heeft betrekking op het betegelde deel van het speelterrein en niet op het grasveld. Hiervan mag uitsluitend gebruik worden gemaakt in geval van sociaal-culturele activiteiten in het voormalig kerkgebouw van de stichting “Noordeinder Vermaning” (hierna: de stichting). Het kerkgebouw wordt ook verhuurd voor niet-culturele activiteiten, zoals bruiloften en recepties. Met de huurinkomsten hieruit kan de stichting het als rijksmonument aangemerkte kerkgebouw onderhouden en in stand houden. Om te bewerkstelligen dat ook in geval van niet-culturele activiteiten op het bewuste parkeerterrein kan worden geparkeerd, heeft verweerder bij het bestreden besluit vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend. Het gaat om ongeveer 21 parkeerplaatsen, die op het betegelde gedeelte van het speelterrein en op een deel van het grasveld worden aangelegd overeenkomstig de bij het bestreden besluit behorende tekening. Het beoogde parkeerterrein grenst aan de tuin van de woningen, waarin [eiser 1] en [eiser 2] woonachtig zijn en waarin [eiser 3] zijn bedrijf houdt. Het is via een weg, die langs deze woningen loopt, toegankelijk.

2. Voor zover het beroep van eisers zich richt tegen de verleende vrijstelling voor het plaatsen van een hekwerk, overweegt de rechtbank als volgt.

3. Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet wordt de verlening van vrijstelling geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

Dit artikel is in dit geval van toepassing, omdat de vrijstelling voor het hekwerk strekt tot het realiseren van een bouwvergunningplichtig bouwplan. Voor zover vrijstelling is vereist ten einde bouwvergunning voor een project te kunnen verlenen, volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 maart 2004, LJ-Nummer: AO6065, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat de beslissing op het vrijstellingsverzoek niet zelfstandig appellabel is. Daartegen kan worden opgekomen in het kader van een beslissing op een voor dat project ingediende bouwaanvraag. In dit geval is nog geen bouwaanvraag voor een hekwerk ingediend.

Voor zover het beroep van eisers is gericht tegen het vrijstellingsbesluit voor het hekwerk, moet het dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of eisers kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het besluit tot verlening van de vrijstelling voor het gebruik van het speelterrein als openbaar parkeerterrein.

5. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De wetgever heeft deze eis gesteld ten einde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juli 2006, LJ-nummer: AY3651, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

6. De rechtbank stelt voorop dat eisers [eiser 1] en [eiser 2] woonachtig zijn op [adres 1] respectievelijk [adres 2]. Het bedrijf van eiser [eiser 3] is gevestigd op [adres 1]. Nu zij op korte afstand van het beoogde parkeerterrein woonachtig zijn dan wel bedrijf houden en hierop zicht hebben, worden zij door het bestreden besluit rechtstreeks in hun individuele belangen getroffen en zijn zij daarom als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aan te merken. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank niet voor eiser [eiser 4], die woonachtig is in [plaatsnaam 2]. Voor zover hij beoogt te stellen dat hij als wettige erfgenaam van eiseres [eiser 1] door de verleende gebruiksvrijstelling rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt, volgt de rechtbank hem niet. Niet is gebleken dat een eigen, individueel belang aan de zijde van [eiser 4] is geschonden en dat dit bij het bestreden besluit voldoende rechtstreeks is betrokken. Het beroep van [eiser 4] dient dan ook niet-ontvankelijk verklaard te worden.

7. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Noordeinde” rust op het onderhavige perceel de bestemming “Recreatie” met als subbestemming “Speelterrein”.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming recreatie – subbestemming speelterrein – bestemd voor speelterreinen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het verboden de onbebouwde gronden binnen het plangebied te gebruiken of te laten gebruiken op een andere wijze of voor een ander doel dan blijkens die bestemmingen en voorschriften kennelijk toelaatbaar is of is aan te merken als een normaal bestanddeel van kennelijk toelaatbaar gebruik.

8. Vaststaat dat realisering van een openbaar parkeerterrein vanwege het beoogde gebruik strijdig is met de ingevolge het bestemmingsplan “Noordeinde” op het perceel rustende bestemming “recreatie – subbestemming speelterrein –”. Op grond van die bestemming, bezien in samenhang met het in artikel 20 van de planvoorschriften opgenomen algemene gebruiksverbod, is het gebruik van het speelterrein als openbaar parkeerterrein immers niet toegestaan. Ten einde verwezenlijking van het project niettemin mogelijk te maken heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, zoals dat artikel ten tijde van de besluitvorming luidde, vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

Een dergelijke vrijstelling moet zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

9. Gedeputeerde staten van Noord-Holland hebben op 19 juli 2005 de notitie “Beleid inzake de toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening” vastgesteld. In deze notitie is, voor zover hier van belang, bepaald dat burgemeester en wethouders zonder verklaring van geen bezwaar vrijstelling kunnen verlenen krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO voor projecten, die niet afwijken van vastgesteld provinciaal ruimtelijk beleid of van vastgesteld ruimtelijk rijksbeleid en die geen speerpunten van beleid, zoals aangegeven in de notitie, betreffen.

10. Eén van de speerpunten van beleid betreft speerpunt 6: natuurgebieden en ecologische hoofdstructuur. Volgens de notitie gaat het daarbij om projecten, gesitueerd binnen de in de streekplannen aangeduide natuurgebieden en de ecologische hoofdstructuur, alsmede natuurgebieden aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet en de gebieden vallende onder de Habitat- en Vogelrichtlijn.

11. [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3], handelend onder de naam “[bedrijfsnaam]”, (hierna: eisers) betogen dat het grasgedeelte van het speelterrein, waarop de vrijstelling betrekking heeft, binnen de begrenzing van de speciale beschermingszone Eilandspolder als bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn valt. Ter staving van hun stelling hebben zij gewezen op de door hen overgelegde (vergroting van de) ontwerpkaart behorende bij het ontwerpbesluit van het Natura2000-gebied Eilandspolder.

12. Deze ontwerpkaart, die in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 30 juni 2008 is opgesteld, geeft aan waar de grenzen van het Vogel- en Habitatrichtlijngebied Eilandspolder liggen. Ter zitting heeft de rechtbank aan de hand van deze kaart vastgesteld dat de achterzijde van de boerderij van Staatsbosbeheer, die naast de percelen [adres 1] en [adres 2] is gelegen, gelijk is aan de grens van het Vogel- en Habitatrichtlijngebied, zoals groen aangegeven op de ontwerpkaart. Gelet hierop en op de door verweerder ter zitting overgelegde tekeningen met betrekking tot de situering van het nieuwe parkeerterrein valt dit terrein, inclusief het gedeelte dat op het grasveld wordt gerealiseerd, buiten het Vogel- en Habitatrichtlijngebied.

Voor zover eisers wijzen op de zogenaamde exclaveringsformule op de ontwerpkaart overweegt de rechtbank dat deze formule inhoudt dat bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen worden uitgezonderd van het aangewezen gebied. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat deze genoemde plaatsen wel liggen in het aangewezen gebied, maar dat zij in juridisch opzicht geen deel van het aangewezen gebied uitmaken. Nu, zoals hierboven is overwogen, zowel het betegelde gedeelte als het grasgedeelte waarop het parkeerterrein wordt gerealiseerd buiten de begrenzing van het aangewezen gebied valt, is de exclaveringsformule, anders dan eisers menen, hier niet van toepassing.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het project, nu het niet is gesitueerd in een Vogel- en Habitatrichtlijngebied, niet onder speerpunt 6 van bovengenoemde beleidsnotitie valt, noch een ander speerpunt van beleid betreft.

13. Evenmin ziet de rechtbank in hetgeen eisers hebben aangevoerd grond voor het oordeel dat met het project wordt afgeweken van vastgesteld provinciaal ruimtelijk beleid of van vastgesteld ruimtelijk rijksbeleid. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het verharde gedeelte van het planperceel reeds wordt gebruikt als parkeerterrein. Gelet op dit bestaande gebruik kan de aanleg van de nieuwe parkeerplaats naar het oordeel van de rechtbank als kleinschalige ontwikkeling worden beschouwd.

Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat de realisering van het parkeerterrein een verkeersaantrekkende werking tot gevolg zal hebben. De parkeerplaats voorziet blijkens de stukken in de behoefte om de huidige parkeerproblemen in het dorp op te lossen en de verkeersveiligheid te bevorderen. Met het parkeerterrein wordt de parkeerdruk geconcentreerd op één locatie en wordt dus een faciliteit gecre?erd om parkerende auto’s zoveel mogelijk van het Noordeinde te weren. Niet valt in te zien dat hierdoor de geluidskwaliteit van het stiltegebied, waarin het lintdorp Noordeinde geheel is gelegen, verder verslechtert. Anders dan eisers stellen, is van strijd met het ‘standstill’-beginsel dan ook geen sprake, zodat het provinciaal ruimtelijk beleid niet aan de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen in de weg staat.

14. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich derhalve terecht bevoegd geacht om ten behoeve van het project, zonder een verklaring van geen bezwaar bij gedeputeerde staten aan te vragen, krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen.

15. Eisers betogen dat het gebruik van het onverharde deel van het speelterrein als parkeerterrein in strijd is met het bestemmingsplan.

De rechtbank overweegt dat deze strijdigheid door middel van het verlenen van onderhavige gebruiksvrijstelling is opgeheven. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande besluit en kan om die reden niet slagen.

16. Eisers stellen voorts dat de verleende vrijstelling het ten onrechte mogelijk maakt dat ook in geval van niet-culturele activiteiten in het voormalig kerkgebouw op het terrein mag worden geparkeerd.

De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid van verweerder om vrijstelling te verlenen een discretionaire bevoegdheid is. De bestuursrechter mag de uitoefening van die bevoegdheid slechts marginaal toetsen. Dat houdt in dat de rechtbank een besluit omtrent de gebruikmaking van die bevoegdheid slechts mag vernietigen, indien een dergelijk besluit als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. In de omstandigheid dat verweerder buiten de in 1999 verleende vrijstelling is getreden, is geen grond gelegen voor het oordeel dat hij onderhavige vrijstelling, die op haar eigen merites moet worden beoordeeld, niet heeft kunnen verlenen.

17. Eisers betogen verder - kort gezegd - dat door het gebruik van het perceel als openbaar parkeerterrein het beschermde natuurgebied Eilandspolder wordt aangetast. Naar hun mening staat de Natuurbeschermingswet 1998 aan het beoogde gebruik in de weg. Verder stellen zij dat een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet moet worden aangevraagd. In verband hiermee voeren zij aan dat de bevindingen en conclusies in de rapporten van ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot onvolledig zijn en dat de ruimtelijke onderbouwing in zoverre ontoereikend is.

18. De rechtbank stelt voorop dat naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie geringer is minder zware eisen hoeven te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project. Gelet op het vigerende planologische regime en in aanmerking genomen de feitelijke situatie ter plaatse en de overige omgevingsfactoren is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van een geringe inbreuk als hiervoor bedoeld.

19. De ruimtelijke onderbouwing die aan de vrijstelling ten grondslag ligt, wordt gevormd door het bepaalde hierover in het bestreden besluit en de rapporten “Toetsing in het kader van de Flora- en faunawet van de herinrichting van een parkeerterrein aan [adres 1] en [adres 2]” en “Habitattoets parkeerterrein [adres 1] en [adres 2]”, opgesteld in 2007 door ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot.

20. De Natuurbeschermingswet 1998 is bij wet van 20 januari 2005 gewijzigd, welke wijziging op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Beoogd is de gebiedsbeschermingsbepalingen uit de Habitat- en Vogelrichtlijn te implementeren. Het natuurgebied Eilandspolder, dat aan de rand van de projectlocatie ligt, betreft een gebied dat is aangewezen als Vogelrichtlijngebied als bedoeld in artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998. Een deel van dit gebied (Eilandspolder Oost) is ook aangemeld als Habitatrichtlijngebied.

21. De vragen of voor de uitvoering van het project een vergunning nodig is ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 en/of een ontheffing nodig is op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze kunnen worden verleend, komen aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet en/of de Natuurbeschermingswet 1998, waarbij tevens de effecten van het project op de Eilandspolder Oost als Habitatrichtlijngebied dienen te worden beoordeeld. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen vrijstelling voor het project had mogen verlenen indien en voor zover hij op voorhand had moeten inzien dat de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staan.

22. In het rapport van Van der Goes en Groot “Habitattoets parkeerterrein [adres 1] en [adres 2]” is ingegaan op de invloed van het openbare parkeerterrein op de Eilandspolder. Gezien de ligging en de geringe grootte van het plangebied ten opzichte van de Eilandspolder, de optredende storende factoren en de gevoeligheid van de soorten daarvoor, is het volgens het rapport duidelijk dat het plan geen significante gevolgen kan hebben voor de natuurlijke kenmerken van het gebied, oftewel de instandhoudingsdoelen ervan. Ook bij het huidig gebruik is reeds sprake van verstorende effecten. Geconcludeerd wordt dat door de ligging en de aard van de activiteiten er geen negatieve gevolgen zijn, wat betreft oppervlakteverlies, geluid, trilling, mechanische effecten en verstoring door mensen.

Voor zover eisers stellen dat kinderen na realisering van het parkeerterrein op het hieraan grenzende grasveld gaan spelen en dat dit aspect in de beoordeling door Van der Goes en Groot had moeten worden meegenomen, faalt deze stelling. Activiteiten die plaatsvinden op het resterende grasveld vallen buiten het bestek van de vrijstelling.

Verder overweegt de rechtbank dat eisers hun stelling dat de aspecten lichthinder en NOx uitstoot nader onderzoek behoeven niet met nadere gegevens hebben onderbouwd. Hetzelfde geldt voor hun stelling dat cumulatieve effecten aanwezig zijn. Eisers hebben niet aannemelijk kunnen maken, bijvoorbeeld door het overleggen van een door een deskundig te achten persoon of instantie opgesteld tegenrapport, waarvoor voldoende gelegenheid was, dat de door Van der Goes en Groot verrichte habitattoets naar inhoud of wijze van totstandkoming onjuist of onvolledig is.

Evenmin hebben eisers een met objectieve gegevens onderbouwd stuk in het geding gebracht, waarin de bevindingen uit het rapport "Toetsing in het kader van de Flora- en faunawet van de herinrichting van een parkeerterrein" worden bestreden. In dit rapport zijn de in het plangebied aanwezige biotopen en de beschermde soorten beschreven. Vervolgens is per soortgroep beoordeeld of die beschermde soorten ter plaatse aanwezig zijn en zo ja, of ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. In het rapport worden enkele aanbevelingen gedaan, waarvan in het bestreden besluit is bepaald dat zij bij gebruikmaking van de vrijstelling dienen te worden opgevolgd.

23. Hetgeen eisers hebben aangevoerd geeft de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit niet op bovengenoemde rapporten van Van der Goes en Groot heeft kunnen baseren. Verweerder heeft het standpunt kunnen innemen dat de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet niet aan het gebruik van het perceel als openbaar parkeerterrein in de weg staan. De door eisers overgelegde foto’s van flora – wat daar verder ook van zij – kunnen aan het voorgaande niet afdoen.

24. Ook in hetgeen eisers verder hebben aangevoerd met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat deze niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval moeten worden gesteld. De ruimtelijke onderbouwing is toereikend om het vrijstellingsbesluit te kunnen dragen.

25. Eisers betogen verder dat voor realisering van de parkeerplaats diverse alternatieve locaties voorhanden zijn.

De rechtbank overweegt dat het bestaan van een alternatief, indien de beoogde locatie op zichzelf aanvaardbaar is, slechts dan tot het onthouden van medewerking aan vrijstelling noopt, indien met het alternatief een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Van een situatie waarin op voorhand duidelijk is dat met de door eisers voorgestane alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In de stukken heeft verweerder afdoende gemotiveerd dat en om welke reden het onderhavige plan de voorkeur geniet. De motivering van verweerder waarom eventuele alternatieven ruimtelijk gezien niet inpasbaar en vanwege verkeersveiligheidsaspecten niet geschikt waren, komt de rechtbank aannemelijk voor. De beroepsgrond treft geen doel.

26.Eisers betogen voorts dat de woningen en garages van eisers [eiser 1] en [eiser 2] op de toegangsweg naar het beoogde parkeerterrein uitkomen en dat deze door geparkeerde auto’s geblokkeerd zullen worden, zodat de ten gunste van hen gevestigde erfdienstbaarheid in het gedrang komt.

Deze beroepsgrond treft evenmin doel. De rechtbank overweegt – conform overweging 2.5 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 september 2001, in zaaknummer 200100819/1 – dat de toegangsweg geen deel uitmaakt van het parkeerterrein waarop de vrijstelling ziet. De verleende vrijstelling maakt de uitoefening van de gestelde erfdienstbaarheid op zich dan ook niet onmogelijk.

27. Ten aanzien van de stelling van eisers dat de verleende vrijstelling een waardedaling van de woningen [adres 1] en [adres 2] tot gevolg heeft, overweegt de rechtbank dat dat

– indien dat het geval zou zijn - op zichzelf geen reden hoeft te zijn voor verweerder om de voor het plan vereiste vrijstelling te weigeren. In artikel 49 van de WRO is immers voorzien in een aparte regeling voor de vergoeding van schade als gevolg van een verleende vrijstelling. Het staat eisers vrij om zich tot verweerder te wenden met een verzoek om schadevergoeding.

28. De door eisers gestelde vermindering van uitzicht en toenemende overlast van auto’s is naar het oordeel van de rechtbank niet dusdanig dat om die reden moet worden geoordeeld dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen.

In de stelling van eisers dat de verkeersoverlast op het Noordeinde niet is toe te rekenen aan het gebruik van het voormalig kerkgebouw en dus dat geen noodzaak bestaat om hiervoor een apart parkeerterrein in te richten, heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven te zien de vrijstelling te weigeren. Niet is gebleken dat met het project de belangen van eisers onevenredig worden geschaad, terwijl anderzijds het maatschappelijk belang gelegen in het creëren van extra parkeermogelijkheden in de directe omgeving van de kerk is gegeven. Verweerder heeft de gemaakte keuze afdoende onderbouwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat blijkens de stukken het draagvlak onder de inwoners van Noordeinde voor het parkeerterrein groot is vanwege het verkeersveiligheidsaspect. Voorts acht de rechtbank van belang dat het betrokken perceel thans ook al, wat het betegelde gedeelte betreft en voor zover sprake is van sociaal-culturele activiteiten in het voormalig kerkgebouw, als parkeervoorziening mag worden gebruikt, alsmede dat een deel van het terrein als speelveld beschikbaar blijft.

29. Voor zover eisers stellen dat het organiseren van niet-culturele activiteiten in het voormalig kerkgebouw in strijd is met de op dit perceel geldende bestemming, overweegt de rechtbank dat deze grond buiten het bestek van de verleende vrijstelling valt en daarom in het kader van deze procedure niet aan de orde kan komen.

30. Hetgeen eisers voor het overige hebben aangevoerd staat aan verlening van de vrijstelling niet in de weg en zou evenmin tot een andere belangenafweging moeten nopen.

31. Het beroep van eisers is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

32. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep van [eiser 4] niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3], handelend onder de naam “[bedrijfsnaam]”, voor zover het is gericht tegen het besluit tot verlening van vrijstelling voor het plaatsen van een hekwerk, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3], handelend onder de naam “[bedrijfsnaam]”, voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 12 december 2008 door mr. A.C. Loman, voorzitter, mr. J. Blokland en mr. A.J. Medze, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.