Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BH0551

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
22-12-2008
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
107046 / HA RK 08-84
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking door partij tevens advocaat in eigen zaak. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Wrakingskamer

zaaknummer: 107046 / HA RK 08-84

Datum uitspraak : 22 december 2008

BESLISSING op het schriftelijk verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:

A. [NAAM VERZOEKER],

wonende te Amsterdam,

hierna te noemen: verzoeker.

1 PROCESVERLOOP

Bij faxbericht van 16 december 2008 heeft verzoeker de wraking verzocht van mr. [naam rechter], rechter in de bij deze rechtbank, sector civiel, afdeling familiezaken, aanhangige zaak met zaaknummer 106262/ES RK 08-1235, hierna te noemen de rechter.

De rechter heeft schriftelijk gereageerd op het verzoek en heeft gemotiveerd laten weten niet te berusten in de wraking.

Verzoeker heeft zijn verzoek ter terechtzitting van de wrakingskamer van 22 december 2008 nader toegelicht en daarbij pleitnotities overgelegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 december 2008.

Vervolgens heeft de voorzitter de behandeling ter zitting gesloten. Na beraad in raadkamer is aan verzoeker meegedeeld dat de uitspraak is bepaald op heden. Daarop is terstond uitspraak gedaan.

2 BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Verzoeker heeft het verzoek tot wraking gegrond op hetgeen is voorgevallen op de terechtzitting van 11 december 2008. Die zaak ging om het treffen van voorlopige voorziening in een echtscheidingsprocedure tussen verzoeker en mevrouw Borst. De rechter was de behandelend rechter in die zaak. Voor de feiten en de gang van zaken verwijst de rechtbank naar het uitgebreide proces-verbaal van 11 december 2008, waarvan verzoeker de inhoud niet heeft bestreden.

Verzoeker heeft voorafgaand aan de behandeling van het wrakingsverzoek bezwaar

gemaakt tegen het gegeven dat de wrakingskamer is samengesteld uit rechters. Hij heeft meegedeeld aan dit gegeven geen conclusie te verbinden maar hij heeft zijn standpunt toegelicht op de wijze als hierna onder 1. weergegeven. Daarnaast heeft verzoeker tijdens de behandeling van het verzoek de wrakingsgronden nader toegelicht.

Het prealabele bezwaar en de wrakingsgronden laten zich als volgt samenvatten:

1. Rechters mogen niet over de wraking van een collega-rechter oordelen, omdat dit de schijn van partijdigheid wekt.

2. Verzoeker - zelf advocaat - mocht niet het recht ontzegd worden in toga ter zitting te verschijnen en zich tevens als partij door een andere advocaat te laten bijstaan.

3. De wederpartij had van het door verzoeker ingediende verweerschrift met bijlagen zonder meer kennis moeten en kunnen nemen, omdat deze weliswaar in een laat stadium (een dag voor de zitting) maar wel tijdig (voor de zitting) was ingebracht, zodat ten onrechte discussie is geweest over de mogelijkheid van kennisneming .

4. De rechter had niet reeds tijdens de behandeling haar beslissing mogen laten doorschemeren.

5. De overige wrakingsgronden (de punten 3, 4 alsmede 6 tot en met 13) houden verband met de wijze waarop de zaaksrechter de behandeling heeft geleid en inhoudelijke beslissingen heeft genomen.

De rechtbank zal deze gronden hierna, ten dele puntsgewijs, bespreken.

1. Het Nederlands wettelijk stelsel is gebaseerd op het uitgangspunt dat rechters uit hoofde van hun aanstelling in staat worden geacht onpartijdig te oordelen over vragen omtrent de (on)partijdigheid van een zaaksrechter.

Daargelaten, dat verzoeker geen conclusie aan zijn standpunt heeft verbonden, is naar het oordeel van de wrakingskamer het enkele gegeven, dat de gewraakte persoon hetzelfde beroep uitoefent als de leden van de wrakingskamer, onvoldoende voor de slotsom van de schijn van vooringenomenheid.

Verzoeker heeft overigens nog onder de aandacht gebracht, dat het denkbaar is dat een dergelijk oordeel moeilijker kan worden naarmate sprake is van sterkere bekendheid met de persoon van de gewraakte rechter. De wrakingskamer tekent hierbij aan, dat overeenkomstig het 'Wrakingsprotocol rechtbank Alkmaar' de wrakingskamer is samengesteld uit leden van (in casu drie) verschillende sectoren van de rechtbank, terwijl voorts in bijzondere gevallen een beroep kan worden gedaan op rechters van andere colleges in dit hofressort. Van een bijzonder geval is nu echter geen sprake.

2. Bij de bespreking van de wrakingsgronden stelt de wrakingskamer het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende in dat opzicht bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Een partij kan zich in een gerechtelijke procedure laten bijstaan door een advocaat. In de onderhavige verzoekschriftprocedure heeft verzoeker op grond van artikel 279 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering de vrijheid om in persoon te verschijnen en zich daarbij door een advocaat te laten bijstaan. In de onderhavige zaak is verzoeker zelf verschenen, zowel als partij als ook als advocaat in toga, terwijl hij tevens bijstand wenste van een eveneens verschenen advocaat. Naar het oordeel van de wrakingskamer stond het de zaaksrechter, die immers mede belast is met het bepalen van de orde ter zitting, vrij om verzoeker voorafgaand aan de behandeling ter zitting - waarbij nog in aanmerking te nemen valt dat het om een zitting van de familiekamer gaat met het daarbij behorende bijzondere karakter - voor een keuze te plaatsen, te weten hetzij zelf als advocaat optreden hetzij af te zien van het dragen van een toga als uitdrukking van zijn hoedanigheid van advocaat en zijn advocaat - mede - het woord te laten voeren.

De wrakingskamer ziet in dit door verzoeker als indringend verzoek aangeduide voorstel van de rechter geen weigering aan een partij om zich te laten bijstaan door een advocaat van zijn of haar keuze. Ook overigens heeft verzoeker geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat in strijd is gehandeld met artikel 6 EVRM. Evenmin is aanleiding gevonden in hetgeen verzoeker hiertoe naar voren heeft gebracht om artikel 279 Rv onverbindend te verklaren.

3. De hierboven onder 3 beschreven wrakingsgrond faalt eveneens.

Het beginsel van hoor en wederhoor staat voorop. Een partij die, hoewel niet later dan voorgeschreven, in een zeer laat stadium stukken in het geding brengt waardoor de wederpartij niet dan wel slechts summier kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan, neemt daarmee het risico dat een rechter de beslissing neemt om de behandeling van de zaak te schorsen met het oog op kennisneming en bespreking van die stukken dan wel de behandeling van de zaak aan te houden.

Hiermee kan inderdaad tijd gemoeid zijn. Dat enkele nadeel kan uiteraard niet opwegen tegen het alternatief van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel. Een dergelijke beslissing levert geen wrakingsgrond op.

4. In een civiele procedure, ook in een familierechtelijke procedure waarin voorlopige voorzieningen moeten worden getroffen, is het zeer gebruikelijk dat een rechter aan partijen laat weten hoe het voorlopig standpunt van de rechter luidt dan wel reeds geheel of ten dele kenbaar te maken hoe beslissingen zullen uitvallen. Verzoeker heeft geen omstandigheden gesteld op grond waarvan dat in dit geval niet had mogen gebeuren.

5. De inhoud van een rechterlijke beslissing, welke verzoeker kennelijk onwelgevallig voorkomt, is evenmin een te honoreren wrakingsgrond. Daargelaten dat punt 13 van de wrakingsgronden feitelijke grondslag mist, falen de gronden welke samenhangen met de ter zitting gegeven beslissing om geen voorlopige ondertoezichtstelling uit te spreken maar het voorwaardelijk gedane verzoek tot ondertoezichtstelling door te geleiden naar de kinderrechter met het oog op nader onderzoek.

Hetzelfde geldt voor de gronden waarin betoogd wordt dat de rechter bij de mondelinge behandeling meer aandacht zou hebben moeten schenken aan de door verzoeker relevant geachte aspecten. De enkele teleurstelling over de wijze waarop de rechter de behandeling leidt vormt onvoldoende grond om de slotsom te kunnen dragen van een zwaarwegende omstandigheid welke rechtvaardigt dat verzoeker moet vrezen voor vooringenomenheid van de rechter.

Ook overigens zijn geen omstandigheden aangevoerd welke tot toewijzing van het wrakingsverzoek kunnen leiden, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

3 BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- beveelt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer 106262/ES RK 08-1235 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens het indienen van dit verzoek en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van de sector civiel van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mrs. P.H.B. Littooy, voorzitter, P. G. Vroom en C. M. van Wechem, leden van de wrakingskamer,

en uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Jeurissen, griffier, ter openbare terechtzitting van 22 december 2008.