Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BG6060

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
04-12-2008
Datum publicatie
04-12-2008
Zaaknummer
105866 / KG ZA 08-318
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst of managmentovereenkomst? Ontslagbesluit statutair bestuurder rechtsgeldig genomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0741
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

CVZ/HE

KG nummer: 105866/KG ZA 08-318

datum: 4 december 2008

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

1. [eiser 1],

wonende te Alkmaar,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 2],

gevestigd en kantoor houdende te Alkmaar,

EISERS IN KORT GEDING,

advocaat mr. E.B.M. Brons-Stikkelbroeck te Utrecht,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1],

gevestigd en kantoor houdende te Alkmaar,

2. [gedaagde 2],

wonende te Tuitjenhorn,

GEDAAGDEN IN KORT GEDING,

advocaat mr. B.J.H. Kesnich te Alkmaar.

Partijen zullen verder worden genoemd "[eisers]" respectievelijk "[gedaagden]".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 25 november 2008 heeft [eisers] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

[gedaagden] heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van [eisers] de originele dagvaarding en van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2.

DE UITGANGSPUNTEN

2.1 [eisers] is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres 2].

2.2 [gedaagden] is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1].

2.3 Deze beide beheermaatschappijen zijn aandeelhouders in [bedrijf 2], waarbij [bedrijf 1} 90% van de aandelen houdt en [eiser 2] 10% van de aandelen.

2.4 [gedaagden] en [eiseres 2] is houdster van alle aandelen in [gedaagde 1]. (hierna: [GEDAAGDE 1]).

2.5 [gedaagden] en [eisers] zijn beiden statutair bestuurder van [GEDAAGDE 1].

2.6 Op 26 september 2008 heeft [gedaagden] aan [eisers] de (verdere) toegang tot het bedrijfspand van [GEDAAGDE 1] ontzegd.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [eisers] vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad :

A Ten gunste van [eisers]:

-[GEDAAGDE 1] zal veroordelen tot hervatting van de loonbetaling vanaf 1 oktober 2008, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW wegens vertraagde betaling en de wettelijke rente, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen datum, totdat de arbeidsovereenkomst op rechtmatige wijze zal zijn geëindigd;

-[GEDAAGDE 1] zal veroordelen om [eisers] op de kortst mogelijke termijn, althans vanaf een door de voorzieningenrechter te bepalen datum, weer toe te laten tot de bedongen arbeid, teneinde zijn werkzaamheden te hervatten tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd,zulks op straffe van een onmiddellijk door [eisers] opeisbare dwangsom van [euro] 5.000,-- bij niet nakoming van dit gebod en van [euro] 2.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat die overtreding voortduurt;

-[GEDAAGDE 1] zal veroordelen tot vergoeding van een voorschot op het bedrag ter zake de geldlening, door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;

-[gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk zal houden voor de voldoening aan de hiervoor genoemde vorderingen, indien de één betaalt of voldoet de ander gekweten zal zijn;

-[GEDAAGDE 1] en [gedaagden] zal veroordelen in de kosten van het geding.

B ten gunste van [eisers] Beheer:

- subsidiair, voor het geval de voorzieningenrechter van mening is dat tussen Vermogen en [GEDAAGDE 1] geen arbeidsovereenkomst bestaat, tussen [eisers] Beheer en [GEDAAGDE 1] een managementovereenkomst aan te nemen en [GEDAAGDE 1] te veroordelen tot hervatting van de managementvergoeding vanaf 1 oktober 2008, althans vanaf een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen datum, vermeerderd met de wettelijke handelsrente totdat de managementovereenkomst op rechtmatige wijze zal zijn geëindigd;

- En alsdan [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk zal houden voor de voldoening van de hiervoor vermelde vordering, indien de één betaalt de ander gekweten zal zijn;

- [GEDAAGDE 1] en [gedaagden] zal veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 [eisers] legt aan zijn vorderingen de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag. [eisers] is op 1 december 1997 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van [GEDAAGDE 1]. Vanaf 2001 is hij tevens statutair directeur van [GEDAAGDE 1], maar de zeggenschap over de gang van zaken binnen [GEDAAGDE 1] is altijd bij [gedaagden] blijven liggen, als meerderheidsaandeelhouder. [eisers] was slechts bevoegd handelingen te verrichten die [gedaagden] tevoren had goedgekeurd. Voor zijn werkzaamheden ontving [eisers] ook salaris. Aanvankelijk werd dit salaris rechtstreeks door [GEDAAGDE 1] aan [eisers] in privé uitbetaald. Vanaf september 2006 werden de salarisbetalingen door [GEDAAGDE 1] (op advies van haar accountant) verricht aan [eisers] Beheer. De arbeidsovereenkomst is echter nimmer geëindigd. Op 26 september 2008 heeft [gedaagden] [eisers] letterlijk buitengesloten en hem de verdere toegang tot het pand van [GEDAAGDE 1] ontzegd. Tevens heeft [gedaagden] de sloten laten vervangen. [gedaagden] heeft [eisers] op 26 september 2008 meegedeeld dat op 9 oktober 2008 een algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AVA) bijeengeroepen zou worden waarbij het ontslag van [eisers] op de agenda geplaatst zou worden. De bewuste AVA heeft uiteindelijk op 13 oktober 2008 plaatsgevonden. Met ingang van 1 oktober 2008 zijn de salarisbetalingen door [GEDAAGDE 1] aan [eisers] gestopt. Aangezien het besluit van de AVA van 13 oktober 2008 ten aanzien van de wijze van totstandkoming niet voldeed aan de daarvoor gestelde eisen, is dit besluit vernietigbaar. Zo wist [eisers] niet welke redenen er aan het ontslag ten grondslag gelegd werden. [GEDAAGDE 1] heeft ook onderkend dat het besluit vernietigbaar was en heeft op 14 oktober 2008 opnieuw een AVA bijeengeroepen welke AVA is gehouden op 30 oktober 2008. Op de agenda van deze AVA stond 'beëindiging van management door Marco [eisers] als bestuurder van [gedaagden] [GEDAAGDE 1] Constructiewerkplaats B.V.' Aangezien uit de oproeping aan [eisers] niet kenbaar was in welke hoedanigheid hij werd opgeroepen kan uit die oproep evenmin worden afgeleid wat er met de AVA werd beoogd. Ook ontbraken in deze aankondiging wederom de redenen die men aan het ontslag ten grondslag legde, zodat [eisers] nog altijd niet wist waartegen hij zich moest verweren. Om die reden is ook het in de AVA van 30 oktober 2008 genomen ontslagbesluit niet rechtsgeldig tot stand gekomen en derhalve vernietigbaar. Hierop is door [eisers] ook een beroep gedaan. Nu ook dit besluit vernietigbaar is volgt hieruit dat de arbeidsovereenkomst tussen [eisers] en [GEDAAGDE 1] nog altijd niet rechtsgeldig is geëindigd. Er was geen grond voor ontslag op staande voet en er is ook geen redelijke opzegtermijn in acht genomen. Evenmin is er een redelijke vergoeding betaald in verband met de vermeende opzegging van de arbeidsovereenkomst, zodat deze vermeende opzegging onregelmatig en kennelijk onredelijk is. Nu de arbeidsovereenkomst nog niet rechtsgeldig is geëindigd, dient [GEDAAGDE 1] het salaris van [eisers] door te betalen en handelt [gedaagden] onrechtmatig jegens [eisers] door dit te weigeren. Een en ander aldus [eisers].

3.3 Voorts heeft [eisers] aangevoerd, voor het geval de voorzieningenrechter van oordeel zal zijn dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst maar van een managementovereenkomst, dat [gedaagden] deze managementovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd en dat hij derhalve de verschuldigde managementvergoedingen dient door te betalen tot het moment dat de managementovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd.

3.4 Ten aanzien van de gevorderde betaling van een voorschot op de geldlening heeft [eisers] aangevoerd dat hij in totaal een bedrag van [euro] 35.969,57 heeft geleend aan [GEDAAGDE 1] en dat hij thans aanspraak maakt op terugbetaling van dit bedrag.

3.5 Tot slot heeft [eisers] aangevoerd dat [gedaagden] door te handelen zoals hij heeft gedaan, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers]. Hieruit volgt dat [gedaagden] ook persoonlijk, naast [GEDAAGDE 1], aansprakelijk gehouden moet worden voor het nakomen van de door [eisers] ingestelde vorderingen, aldus [eisers].

3.6 [gedaagden] heeft verweer gevoerd en daartoe het volgende aangevoerd. Hoewel aanvankelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst met [eisers] is deze op enig moment in december 2004 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 omgezet in een managementovereenkomst. Dat was nadrukkelijk de bedoeling van partijen en daar is ook naar gehandeld. De facturen voor het managementfee werden ingediend door [eiseres 2}. Tot en met december 2006 werd het managementfee echter niet aan [eisers] Beheer uitbetaald, maar aan [eisers] in privé. Dit werd echter door [eisers] zelf bewerkstelligd aangezien hij de financiële man was binnen [GEDAAGDE 1]. Vanaf eind 2006 werd de managementvergoeding uitbetaald aan [eiseres 2], zoals de accountant van [GEDAAGDE 1] had geadviseerd. Zowel [eisers] als [gedaagden] zijn statutair bestuurder van [GEDAAGDE 1] en zijn gelijkelijk bevoegd, aangezien uit de statuten van [GEDAAGDE 1] niet anders blijkt. [gedaagden] heeft erkend dat [eisers] [GEDAAGDE 1] naar derden toe uitsluitend kon vertegenwoordigen tezamen met [gedaagden], maar heeft daarbij aangevoerd dat dit geen verschil maakt voor de hiervoor geschetste interne verhoudingen. De verhoudingen tussen [gedaagden] en [eisers] zijn in de zomer van 2008 onder druk komen te staan, omdat [eisers] bezwaar maakte tegen de aanschaf van een nieuwe bedrijfsauto voor [gedaagden], welke spanningen uiteindelijk geresulteerd hebben in een bespreking op 9 september 2008 waarbij [eisers] heeft aangegeven dat op deze wijze de samenwerking tussen hen niet kon worden voortgezet en dat er een oplossing gezocht zou moeten worden. Deze mededeling is door [GEDAAGDE 1] en [gedaagden] opgevat als een onmiddellijk aftreden van [eisers] als statutair bestuurder en derhalve als een onmiddellijke beëindiging van de arbeids- c.q. managementovereenkomst. [eisers] heeft derhalve zelf ontslag genomen en is niet ontslagen door [GEDAAGDE 1]. Het ontslag is geformaliseerd door het besluit van de AVA op 13 oktober 2008. [eisers] was tijdig van de aankondiging van deze AVA op de hoogte gesteld, zodat de oproeping wel degelijk voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Teneinde toch helemaal zeker te zijn is op 13 oktober 2008 gelijk een nieuwe AVA aangekondigd voor 30 oktober 2008 onder andere omtrent de beëindiging van het statutair bestuurderschap van [eisers] Beheer en [eisers]. Bij deze AVA is [eisers] niet verschenen. In die vergadering is wederom besloten tot ontslag. Aangezien [gedaagden] en [GEDAAGDE 1] begrepen hebben dat ook de rechtsgeldigheid van dit besluit door [eisers] wordt aangevochten, hebben zij andermaal een uitnodiging voor een AVA doen uitgaan, ditmaal voor 8 december a.s., waar nogmaals het ontslag aan de orde gesteld zal worden. Voor zover zij hebben begrepen wordt tegen deze aankondiging door [eisers] niet langer bezwaar gemaakt. Voor de door [eisers] gevorderde wedertewerkstelling is geen plaats, aangezien de verhoudingen tussen partijen totaal verstoord zijn en gelet op de korte resterende periode tot de AVA van 8 december 2008. Een en ander aldus [gedaagden].

3.7 Ten aanzien van het gevorderde voorschot op de geldlening heeft [gedaagden] de juistheid van de stelling dat er sprake is van een geldlening betwist en daarnaast betwist dat een eventuele geldlening opeisbaar zou zijn. In dat geval zou er immers sprake zijn van kapitaalverstrekking door de aandeelhouder aan de onderneming, welke kapitaalverstrekking naar zijn aard bedoeld is voor langere termijn. In dat geval zou een opzegtermijn van 1 jaar in acht genomen moeten worden, aangezien [GEDAAGDE 1] op dit moment deze gelden niet kan missen. Voorts heeft [gedaagden] een beroep gedaan op opschorting. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat [GEDAAGDE 1] nog een vordering heeft op [eisers] aangezien na zijn vertrek is gebleken van allerlei malversaties in de boekhouding. Deze vordering wordt thans begroot op ruim [euro] 53.000,-- , terwijl het onderzoek nog niet is afgerond. Daarnaast heeft [gedaagden] aangevoerd dat er moet worden aangenomen dat er sprake is van een restitutierisico gelet op de hoge schuld van [eisers] Beheer en de alimentatie verplichtingen van [eisers]. Een en ander aldus [gedaagden] en [GEDAAGDE 1].

3.8 Tot slot heeft [gedaagden] betwist dat hij persoonlijk hoofdelijk aansprakelijk gehouden kan worden voor het nakomen van de vordering door [GEDAAGDE 1]. Hierbij heeft hij aangevoerd dat hetgeen [eisers] aan deze vordering ten grondslag gelegd heeft, volstrekt onvoldoende is om deze vordering te kunnen dragen.

3.9 Voor zover voor de beslissing van belang zal op de verschillende standpunten van partijen hierna nader worden ingegaan.

4.DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

4.1 Ten aanzien van de primaire vordering (onder A) dient in de eerste plaats de vraag beantwoord te worden of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Door [gedaagden] is aangevoerd dat de aanvankelijke arbeidsovereenkomst in 2004 is vervangen door een managementovereenkomst. Door [eisers] is in dit verband aangevoerd dat deze wijziging was doorgevoerd op aanraden van de adviseur van de onderneming en dat tussen partijen overeengekomen was dat door de wijziging voor hem, [eisers], feitelijk niets zou veranderen. [eisers] heeft verklaard dat er feitelijk ook niets veranderd is en hij heeft in dat verband ook gewezen op het feit dat de salarisbetalingen (in ieder geval tot eind 2006) gewoon op zijn privérekening werden overgemaakt.

4.2 Voor de beantwoording van de vraag of er ondanks het bestaan van een managementovereenkomst sprake is van een arbeidsovereenkomst, komt het in de eerste plaats niet alleen aan op de bedoeling van partijen bij het sluiten van die overeenkomst, maar tevens op de wijze waarop vervolgens aan die overeenkomst uitvoering is gegeven. Vooropgesteld moet immers worden dat ook al zouden partijen de betrokken rechtsverhouding bestempeld hebben als een managementovereenkomst, de aard en feitelijke inhoud daarvan in een andere richting kunnen wijzen. Het wezen van de rechtsverhouding dient met andere woorden te prevaleren boven het door partijen daaraan gegeven etiket. Ter beoordeling ligt daarom de vraag of partijen een wezenlijke verandering van de arbeidsverhouding hebben beoogd of dat de wijze waarop partijen hun taken en bevoegdheden uitoefenen, nog immer de kwalificatie dienstbetrekking rechtvaardigt De voorzieningenrechter komt voorshands tot de conclusie dat tussen partijen nog immer sprake is van een arbeidsovereenkomst waarbij de overwegingen in het arrest van de Hoge Raad van 14 november 1997 (NJ 1998,149) tot leidraad zijn genomen. Daarbij is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, in hun onderling verband worden bezien. In dit verband verwijst de voorzieningenrechter eveneens naar het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2007 (JAR 2007,231). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter beantwoordt de verhouding tussen [eisers] en [GEDAAGDE 1] aan de drie in eerstgenoemd arrest genoemde kenmerkende elementen van een arbeidsovereenkomst, te weten een verplichting tot het persoonlijk verrichten van de arbeid, loon en gezag. Als vaststaand dient in de eerste plaats te worden aangenomen dat [eisers] gehouden was persoonlijk de hem opgedragen werkzaamheden te verrichten. Vaststaat voorts dat [eisers] voor deze werkzaamheden werd betaald door [GEDAAGDE 1], aanvankelijk rechtstreeks op zijn privérekening, later via de rekening van [eisers] Beheer. Ten aanzien van de gezagsverhouding heeft [gedaagden] tenslotte weliswaar betwist dat hij gezag uitoefende over [eisers], maar de voorzieningenrechter volgt hem hierin niet. Daartoe wordt doorslaggevend geacht dat [gedaagden] als meerderheidsaandeelhouder feitelijk de dienst uitmaakt binnen [GEDAAGDE 1], aangezien [gedaagden] 90 % van de aandelen houdt in de Holding, terwijl [eisers] slechts 10% van de aandelen in de Holding houdt. De voorzieningenrechter vermag dan ook niet in te zien dat in het onderhavige geval geen sprake zou zijn van (enige mate van) gezag tussen [gedaagden] en [eisers].

4.3 Vervolgens komt de vraag aan de orde of deze arbeidsovereenkomst geëindigd is en zo ja, of dit rechtsgeldig gebeurd is. In dit verband heeft [gedaagden] zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat [eisers] zelf het dienstverband met [GEDAAGDE 1] heeft opgezegd. Daartoe heeft [gedaagden] betoogd dat [eisers] meermalen onvoorwaardelijk zou hebben aangegeven dat hij niet meer met [gedaagden] samen wilde werken binnen [GEDAAGDE 1] en dat deze mededeling door [GEDAAGDE 1] en [gedaagden] is opgevat als een onmiddellijk aftreden van [eisers] als statutair bestuurder en onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [eisers] heeft een en ander evenwel nadrukkelijk betwist, zodat voorshands zonder nadere bewijsvoering door [gedaagden] - waarvoor in dit kort geding geen ruimte is - bezwaarlijk kan worden uitgegaan van de juistheid van voornoemde stelling van [gedaagden]. Dit verweer zal dan ook in het bestek van dit kort geding worden gepasseerd.

4.4 Thans dient aan de orde te komen de vraag of het ontslagbesluit van de AVA van 13 oktober 2008 waarbij [eisers] is ontslagen als statutair bestuurder rechtsgeldig is genomen. Daarbij wordt als uitgangspunt vooropgesteld dat een ontslagbesluit van de AVA in beginsel tevens het einde betekent van de arbeidsovereenkomst (zie HR 15 april 2005, RvdW 2005, 55 en 57). Bij gebreke van een geldig ontslagbesluit is de beëindiging mitsdien evenmin geldig. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.5 Ingevolge artikel 2:224 lid 1 BW eerste volzin vermelden de oproepingsbrieven de te behandelen onderwerpen. De ratio van de dwingendrechtelijk voorgeschreven oproepingsprocedure is daarin gelegen dat de aandeelhouders, door tijdig kennis te nemen van de agenda van de aandeelhoudersvergadering, in staat worden gesteld zelf te kunnen beoordelen of zij de desbetreffende aandeelhoudersvergadering al dan niet zullen bijwonen. Daaruit vloeit voort dat een voorgenomen ontslag van een bestuurder alsmede de daaraan ten grondslag liggende redenen duidelijk in de oproepingsbrief moeten staan vermeld. Weliswaar is in de oproepingsbrief volstaan met een ongespecificeerde algemene omschrijving van het voornemen van ontslag, maar vast staat dat het [eisers] duidelijk heeft moeten zijn dat er sprake was van een ontslagvoornemen ten aanzien van hem en dat dit voornemen tijdens de vergadering zou worden behandeld. Dat [eisers] desondanks verstek heeft laten gaan bij de aandeelhoudersvergadering van 13 oktober 2008, dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter in zijn risicosfeer te blijven. Weliswaar was van een omschrijving van de redenen voor het ontslag geen sprake, maar de voorzieningenrechter kan daaraan voorshands onvoldoende gewicht toekennen. Anders dan kennelijk namens [eisers] is aangevoerd, valt moeilijk aannemelijk te achten dat het ontslagvoornemen voor hem volledig uit de lucht kwam vallen. Gelet op de door partijen zelf ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van dit kort geding gegeven toelichting boterde het immers al langer niet meer tussen [eisers] en [gedaagden], zodat [eisers] moeilijk kan worden gevolgd daar waar hij heeft gesteld dat hij onbekend was met de aan dit ontslagvoornemen ten grondslag liggende redenen. De voorzieningenrechter is mitsdien van oordeel dat [eisers] zich jegens [gedaagden] in redelijkheid niet kan verschuilen achter het bepaalde in artikel 2:224 BW. De voorzieningenrechter ziet dan ook voorshands onvoldoende reden om eraan te twijfelen of er sprake is van een geldig genomen ontslagbesluit. Niet uitgesloten wordt dat op dit punt in een bodemprocedure - na nadere bewijslevering - anders geoordeeld zou kunnen worden, maar voor dergelijke nadere bewijslevering leent de onderhavige procedure zich niet. Het moet er dan ook in het kader van dit kort geding voor worden gehouden dat inmiddels een einde is gekomen aan het dienstverband tussen [eisers] en [GEDAAGDE 1]. Daarmee is gegeven dat de gevorderde wedertewerkstelling niet voor inwilliging in aanmerking komt.

4.6 Het vorenstaande laat onverlet dat [eisers] tot dit ontslagbesluit aanspraak kan maken op het hem toekomende loon zodat dit onderdeel over de periode vanaf 1 oktober 2008 tot 13 oktober 2008 toewijsbaar is, inclusief de wettelijke rente en wettelijke verhoging, zij het gematigd tot 10 %.

4.7 Het gevorderde voorschot op de geldlening wordt afgewezen nu de opeisbaarheid van de geldlening door [gedaagden] is betwist en [eisers] voor dit deel van zijn vordering geen afzonderlijk spoedeisend belang heeft gesteld.

4.8 De gevorderde hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagden] wordt eveneens afgewezen. [eisers] heeft weliswaar gesteld dat [gedaagden] zich jegens hem onrechtmatig heeft gedragen, doch een en ander is namens hem niet, althans onvoldoende, nader toegelicht.

4.9 Nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst behoeft de subsidiaire vordering geen nadere bespreking.

4.10 Gegeven het resultaat van deze procedure waarbij [eisers] en [gedaagden]/ [GEDAAGDE 1] over en weer in het ongelijk worden gesteld ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- veroordeelt [GEDAAGDE 1] tot betaling van het loon aan [eisers] vanaf 1 oktober 2008 tot 13 oktober 2008, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad maximaal 10% en de wettelijke rente over die bedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening.

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- weigert de meer of anders gevorderde voorziening.

Gewezen door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2008 in tegenwoordigheid van C. Vis-van Zanden, griffier.