Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BG4504

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
31-10-2008
Datum publicatie
17-11-2008
Zaaknummer
07/3101
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak heeft de rechtbank beoordeeld of verweerder terecht en op goede gronden het aan eiser toegekende voorschot huurtoeslag over 2006 op nihil heeft gesteld en het betaalde bedrag aan voorschot heeft teruggevorderd,omdat de echtgenote en toeslagpartner van eiser in 2006 onrechtmatig verbleef in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 07/3101 HUUR

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[naam],

wonende te [plaatsnaam],

eiser,

gemachtigde mr. H.M. Brink,

tegen

Belastingdienst/Toeslagen,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 23 juni 2006 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2006 een voorschot huurtoeslag toegekend van € 2.696,00.

Bij besluit van 1 juni 2007 heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen recht had op huurtoeslag over 2006.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 23 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het besluit van 23 oktober 2007 bij brief van 31 oktober 2007 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting van 26 september 2008 gevoegd behandeld met de zaak onder nummer 07/2058 ZORG. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde de heer A. Büchly. Na de zitting heeft de rechtbank de zaken weer gesplitst.

Motivering

1. In deze zaak dient de rechtbank te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden het aan eiser toegekende voorschot huurtoeslag over 2006 op nihil heeft gesteld en het betaalde bedrag aan voorschot van € 2.716,00 heeft teruggevorderd.

2. Bij deze beoordeling is de volgende regelgeving van belang.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), zoals deze luidde ten tijde in geding, verleent de Belastingdienst/Toeslagen indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 16, derde lid, van de Awir, zoals deze luidde ten tijde in geding, kan de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot herzien.

3. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser over 2006 geen recht heeft op huurtoeslag omdat zijn echtgenote en toeslagpartner, mevrouw [naam echtgenote] (hierna: [echtgenote]), niet beschikt over een geldige verblijfsstatus die recht geeft op een toeslag. Volgens verweerder blijkt uit de brochure “Toelichting aanvragen of wijzigen huurtoeslag 2006” dat eiser en zijn toeslagpartner rechtmatig in Nederland moeten verblijven om in aanmerking te komen voor huurtoeslag. Deze brochure is in 2005 als bijlage bij het aanvraagformulier huurtoeslag 2006 naar alle toeslaggerechtigden gestuurd. Ook personen die zelf een aanvraagformulier huurtoeslag 2006 hebben opgevraagd bij verweerder, ontvingen deze brochure. Het opvragen en controleren van de gegevens kan in de voorschotfase op ieder willekeurig moment plaatsvinden, evenals het wijzigen en terugvorderen van de toeslag, aldus verweerder. Verweerder heeft dan ook niet onzorgvuldig gehandeld. Ook is niet gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Volgens verweerder had eiser redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn van het feit dat hij geen recht had op huurtoeslag. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek niet in verband staan met het recht op toeslag.

4. Eiser wijst er op dat hij al jaren is gehuwd en samenwoont met [echtgenote] en dat verweerder daarmee bekend had kunnen en moeten zijn. Verweerder heeft in het kader van de behandeling van de aanvraag huurtoeslag echter geen vragen gesteld over de verblijfsstatus van [echtgenote]. Hierdoor heeft eiser ook niet kunnen aangeven dat zijn toeslagpartner geen geldige verblijfstitel had. Verder is eiser van mening dat zijn onderzoeksplicht niet zo ver reikt dat hij, ondanks dat hij alle gevraagde gegevens over zijn situatie heeft verschaft, zelfstandig alsnog had dienen te onderzoeken of hij misschien op andere gronden niet in aanmerking zou komen voor huurtoeslag. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juni 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer BA8419, en de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 januari 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer AZ9772. Hier komt bij dat verweerder niet op een voldoende duidelijke manier heeft gewezen op de omstandigheid dat de verblijfsstatus van eisers toeslagpartner voor de aanvraag huurtoeslag van belang zou zijn. Eiser heeft de door verweerder genoemde brochure nooit ontvangen. Bovendien is in de brochure alleen aan het slot van een opmerkelijk onopvallende quote van een medewerkster op pagina 6 opgemerkt: “En moeten u, uw toeslagpartner en medebewoners rechtmatig in Nederland verblijven”.

5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers toeslagpartner op 1 januari 2006, de peildatum voor het recht op huurtoeslag over 2006, niet rechtmatig in Nederland verbleef. Vaststaat derhalve dat eiser geen recht had op huurtoeslag over 2006, zodat ten onrechte een voorschot is verstrekt. De vraag is aan de orde of verweerder in het onderhavige geval in redelijkheid gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid om het verstrekte voorschot te herzien en terug te vorderen.

6. Eiser heeft met een met de hand ingevuld en op 20 januari 2006 ondertekend aanvraagformulier bij verweerder een aanvraag om huurtoeslag over 2006 ingediend. In dit formulier wordt geen vraag gesteld over de verblijfsstatus van de aanvrager, diens toeslagpartner en medebewoners. Ook wordt in het formulier zelf niet genoemd dat deze verblijfsstatus een voorwaarde voor het recht op huurtoeslag is. In het formulier wordt bij verschillende vragen gewezen op de Toelichting Aanvragen of wijzigen Huurtoeslag 2006 (hierna: de toelichting). De rechtbank is met eiser van oordeel dat uit de toelichting niet eenvoudig blijkt dat de verblijfsstatus van de aanvrager en/of toeslagpartner van belang is voor het recht op toeslag. Op de tweede pagina van de toelichting wordt onder het kopje “Hoe wist u wat u moest invullen?” verwezen naar de checklist achterin de toelichting. Hierin wordt geen melding gemaakt van het belang van de verblijfsstatus. Verder vermeldt de toelichting hier: “Vraag je voor het eerst toeslag aan, dan volg je gewoon de aanwijzingen in het formulier. Het wijst zich allemaal vanzelf”. Zoals hiervoor reeds is besproken, wordt in het formulier niet gevraagd of de aanvrager of diens toeslagpartner rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Onder het kopje “Wijzigen, aanvragen…Geen eenvoudige bezigheid lijkt me?” staat vervolgens vermeld dat het maar om drie dingen draait: de gezinssamenstelling, het inkomen en de huurgegevens. En op de volgende pagina van de toelichting staat onder het kopje “Voorwaarden voor de huurtoeslag 2006” de verblijfsstatus niet genoemd als een van de voorwaarden. Hierbij staat niet aangegeven dat het geen uitputtende opsomming betreft. Evenmin is een verwijzing opgenomen naar pagina 6, waar een medewerkster van Belastingdienst/Toeslagen de voorwaarden voor huurtoeslag op een rij zet. Eerst aan het eind van dit artikel wordt gemeld dat de aanvrager, diens toeslagpartner en medebewoners rechtmatig in Nederland moeten verblijven.

7. Verweerder voert aan dat eiser zelf een afweging had moeten maken of hij wel of niet in aanmerking komt voor een toeslag. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat eiser, door de aanvraag bij verweerder in te dienen, heeft aangegeven dat hij aan alle voorwaarden voldoet voor het recht op toeslag. En dat aanvrager en zijn toeslagpartner dus rechtmatig in Nederland verblijven. Verweerder stelt zich vervolgens op het standpunt dat hij in de voorschotfase op ieder willekeurig moment kan controleren of de gegevens juist zijn. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen en overweegt daartoe als volgt.

8. Eiser heeft op 20 januari 2006, derhalve in de loop van het berekeningsjaar, huurtoeslag aangevraagd. Artikel 16, eerste lid, van de Awir vermeldt dat indien de tegemoetkoming niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, een voorschot zal worden verleend tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld. Verder vermeldt het tweede lid van dit artikel dat, ingeval de belanghebbende voor het gehele berekeningsjaar aanspraak heeft op een tegemoetkoming, het voorschot wordt verleend binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. De rechtbank is van oordeel dat hieruit voortvloeit dat een besluit tot vaststelling van een voorschot zorgvuldig dient te worden voorbereid en dat alvorens tot toekenning van een voorschot wordt overgegaan dient te worden gecontroleerd of ook daadwerkelijk aanspraak bestaat op toeslag. Indien uit de gegevens blijkt dat er geen aanspraak bestaat op toeslag, wordt volgens dit artikel geen voorschot toegekend. Verweerder heeft toegelicht dat na ontvangst van de aanvraag wordt gecontroleerd of de daarin genoemde grondslagen inkomen, huur en burgerlijke staat recht geven op toeslag. De overige gegevens, waaronder het rechtmatig verblijf, worden pas in de voorschotfase gecontroleerd. Nu eiser in de toelichting niet is gevraagd naar de verblijfsstatus van zijn toeslagpartner en uit het formulier ook niet onmiddellijk blijkt dat rechtmatig verblijf van de toeslagpartner een voorwaarde is voor het recht op huurtoeslag 2006, is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder alvorens tot toekenning van een voorschot over te gaan, had moeten onderzoeken of eiser en zijn toeslagpartner rechtmatig verblijf in Nederland hadden. Verweerder heeft ter zitting ook toegelicht dat een dergelijke controle op eenvoudige wijze kan worden uitgevoerd, nu hij inzage heeft in de GBA-gegevens van de gemeenten en hij door middel van “een druk op de knop” kan controleren met welke code iemand daar geregistreerd staat. Door dit onderzoek eerst in de loop van de voorschotfase te verrichten, heeft verweerder niet zorgvuldig gehandeld jegens eiser.

9. Gelet op het voorgaande, en de omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, concludeert de rechtbank dat eiser er geen rekening mee behoefde te houden dat een besluit tot algehele herziening en terugvordering zou worden genomen. Verweerder heeft in het onderhavige geval dan ook in redelijkheid geen gebruik mogen maken van deze bevoegdheid. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

10. Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten heeft de rechtbank, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op € 644,00 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hierbij heeft de rechtbank zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan eiser;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 39,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 31 oktober 2008 door mr. L. Boonstra, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P. Verweel, griffier.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.