Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BG0627

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
25-08-2008
Datum publicatie
20-10-2008
Zaaknummer
269164 - OA VERZ 08-154
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek door werkgever na reorganisatie. Voor het ontslag van collega's van werknemer is aan werkgever een ontslagvergunning verleend. Verweerder is lid van de Ondernemingsraad. De kantonrechter overweegt dat ontslagbescherming in dit geval er niet toe mag leiden dat verweerder in een nadeliger of voordeliger positie dan vergelijkbare collega's komt te verkeren en kent een ontbindingsvergoeding toe conform het Sociaal Plan en een financiële vergoeding als gevolg van (nadelige gevolgen van ) toepassing van de fictieve opzegtermijn, als bedoeld in art. 16 subb WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROR 2009, 2
AR-Updates.nl 2008-0673
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaaknr/repnr.: 269164 \ OA VERZ 08-154

Uitspraakdatum: 25 augustus 2008

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hollandia Printing B.V.

statutair gevestigd en kantoorhoudend te Heerhugowaard

verzoekende partij

verder ook te noemen: Hollandia

gemachtigde: mr. B.O. Eschweiler, advocaat te Amsterdam

tegen

[n[verweerder]

wonend te Hoorn

verwerende partij

verder ook te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr. F.C.C. van den Broek, advocaat te Amsterdam.

Het procesverloop

Hollandia heeft op 23 juni 2008 een verzoekschrift ingediend. Daar heeft [verweerder] bij verweerschrift op gereageerd. De mondelinge behandeling heeft in deze plaatsgevonden op 11 augustus 2008, alwaar zijn partijen zijn verschenen. [verweerder] is in persoon verschenen en namens Hollandia waren aanwezig [...], hoofd personeelszaken en [...] hoofd productie. Partijen werden bijgestaan door hun gemachtigden, waarbij mr. Eschweiler werd vervangen door kantoorgenoot mr. A.F.D. Romijn.

Ter zitting hebben partijen hun verzoek- respectievelijk verweerschrift nader toegelicht, Hollandia aan de hand van pleitnotities. De inhoud van deze processtukken geldt als hier ingelast. Vervolgens is heden uitspraak bepaald.

1. De uitgangspunten

1.1. [verweerder], geboren op 14 augustus 1952, is vanaf 1 april 1992 krachtens schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Hollandia werkzaam tegen een actueel salaris van EUR 3.267,45 bruto per maand, exclusief vakantiegeld, ploegendienst- en EHBO-toeslag en reiskosten. De CAO voor de Grafische Industrie is van toepassing.

1.2. [verweerder] is in dienst getreden als voorman binderij. Sinds 1 januari 2008 is zijn functie vouwer. Vanaf 1998 is [verweerder] lid van de Ondernemingsraad van Hollandia.

1.3. Hollandia is in 2008 om bedrijfseconomische redenen een reorganisatietraject ingegaan. De noodzaak en de invulling van de reorganisatie staan beschreven in het zogenaamde Plan tot rendementsverbetering, waarover de Ondernemingsraad positief heeft geadviseerd. Onderdeel van het Plan tot rendementsverbetering is het Sociaal Plan, overgelegd als productie 1 bij het verzoekschrift. Als onderdeel van het overgelegde Sociaal Plan is opgenomen hoofdstuk 9 van de onder 1.1. genoemde CAO. Dit betreft de Reorganisatie-, Fusie en Liquidatieregeling (RFR) vanaf 1 juli 2007. Art. 9.5 van de RFR luidt, voor zover hier relevant:

‘De werknemer ontvangt 15% van het laatst verdiende loon in de vorm van een eenmalige uitkering berekend over een periode die gelijk staat aan: (..)

• de gehele WW-periode waarop recht bestaat, of zou hebben bestaan, op een WW-uitkering voor werknemers die op de datum van ontslag ten minste 10 jaar in dienst zijn of 50 jaar zijn of ouder;’

1.4. In verband met de reorganisatie heeft Hollandia op 13 mei 2008 aan het CWI toestemming gevraagd voor het beëindigen van het dienstverband met 12 medewerkers –geselecteerd op basis van het afspiegelingsbeginsel. Voor twaalf medewerkers, waaronder [verweerder], is op 17 juni 2008 de toestemming verleend.

1.5. Sedert 19 mei 2008 heeft [verweerder] als gevolg van arbeidsongeschiktheid voor Hollandia geen werkzaamheden meer verricht.

2. Het geschil

2.1. Hollandia verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden tegen de vroegst mogelijke datum, doch uiterlijk op 1 oktober 2008, wegens gewichtige redenen, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden, kosten rechtens.

Aan dit verzoek legt Hollandia -zakelijk samengevat- ten grondslag dat toestemming van het CWI is verleend het dienstverband met [verweerder] te beëindigen, maar dat niet kan worden opgezegd in verband met zijn lidmaatschap van de Ondernemingsraad.

2.2. Het verweer van [verweerder] strekt primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot het niet eerder vaststellen van de gevraagde ontbinding dan 1 december 2008 onder toekenning van een ontbindingsvergoeding bestaande uit een vergoeding conform het Sociaal Plan, kosten rechtens.

Hiertoe voert [verweerder] -zakelijk samengevat- aan dat hij ten onrechte is ingedeeld als vouwer. Dit werk doet hij slechts 40% van zijn werktijd, en ook pas sinds 1 januari 2008. Hij is dus zeer goed uitwisselbaar. Daarnaast is binnen de afdeling Afwerking het afspiegelingsbeginsel onjuist toegepast.Gelet op het bijzondere belang van [verweerder] (hij heeft gedurende 16 jaar zich ingezet voor Hollandia en is inmiddels 56 jaar) heeft Hollandia bovendien een bijzondere inspanningsverplichting hem zijn werk te laten behouden, welke verplichting zij onvoldoende heeft vervuld. En ten slotte, als er al sprake zal zijn van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dient [verweerder] niet in een nadeliger positie terecht te komen dan zijn collega’s, op wie na opzegging het Sociaal Plan van toepassing is en jegens wie Hollandia de opzegtermijn in acht heeft genomen.

3. De beoordeling

3.1. De kantonrechter overweegt in de eerste plaats dat gebleken is dat het onderhavige ontbindingsverzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 7:647, 7:648, 7:670 en 7:670a van het Burgerlijk Wetboek [BW] of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerder]’ lidmaatschap van de Ondernemingsraad noch zijn ziekte aan het verzoek ten grondslag ligt.

3.2. Met betrekking tot het standpunt van [verweerder] inzake de uitwisselbaarheid stelt de kantonrechter vast dat dit criterium van het CWI de uitwisselbaarheid van functies betreft, en niet die van de medewerker(s) in kwestie, hetgeen het CWI ook in zijn besluit van 17 juni 2008 heeft overwogen. Wat er dus ook zij van de all-round ervaring van [verweerder] op de afdeling Afwerking, dat doet hier niet ter zake. [verweerder] heeft daarnaast, tegenover de betwisting van Hollandia, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de functies van vouwer en hechter zo zeer vergelijkbaar zijn dat van uitwisselbaarheid kan worden gesproken.

3.3. Hollandia heeft een specificatie van de werkzaamheden van [verweerder] vanaf 1 januari 2008 overgelegd, waaruit blijkt dat [verweerder] in overwegende mate (namelijk 65%) vouwwerkzaamheden verricht. Deze stelling heeft [verweerder] niet voldoende concreet weerlegd. Hij is terecht als vouwer ingedeeld. Ook wanneer de werkzaamheden in praktijk op de afdeling Afwerking meer door elkaar heen lopen dan door (de specificatie van) Hollandia wordt gesuggereerd, zoals [verweerder] heeft betoogd, doet dit daaraan niet af.

3.4. De kantonrechter overweegt vervolgens dat de juiste toepassing van het afspiegelingsbeginsel tussen partijen niet ter discussie staat. [verweerder] heeft de toepassing van het afspiegelingsbeginsel tijdens de mondelinge behandeling bij monde van zijn gemachtigde erkend.

3.5. Voor een afwijzing van het verzoek vanwege het bijzondere belang dat juist [verweerder] heeft bij behoud van zijn dienstverband heeft hij onvoldoende gesteld. Het belang bij de reorganisatie is voldoende aannemelijk gemaakt door Hollandia en [verweerder] heeft niet aangegeven waarom en hoe Hollandia haar inspanningsverplichtingen zou hebben verzaakt. Integendeel, [verweerder] acht het Sociaal Plan redelijk en een blijk van voldoende inspanningen van Hollandia. Dat een ontbinding van de arbeidsovereenkomst nadelige consequenties heeft voor [verweerder] neemt de kantonrechter zonder meer aan. [verweerder] heeft echter geen steekhoudende argumenten naar voren gebracht waaruit volgt dat zijn belang zou moeten prevaleren boven het bedrijfsbelang van Hollandia of waaruit blijkt dat het einde van het dienstverband hem zwaarder treft dan een andere werknemer in een vergelijkbare positie.

3.6. Ten slotte heeft [verweerder] aangevoerd dat hij niet in een nadeliger positie zou moeten komen te verkeren dan zijn collega’s op wie het Sociaal Plan van toepassing is. Dit standpunt acht de kantonrechter geheel terecht. Er is [verweerder] geen enkel verwijt gemaakt. Onbestreden heeft hij gesteld zich vanaf 1 april 1992 volledig te hebben ingezet voor Hollandia. Hollandia heeft ter zitting uitdrukkelijk laten weten dat zij bij ontbinding van de overeenkomst met [verweerder] conform het Sociaal Plan zal handelen, alleen al omdat zij dit op basis van de Grafische CAO is verplicht.

3.7. [verweerder] zal op basis van het Sociaal Plan aanspraak kunnen maken op een eenmalig bedrag ter aanvulling van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet (hierna: WW). In artikel 16 lid 3 WW wordt bepaald dat inkomsten die een werknemer in verband met het einde van zijn dienstbetrekking ontvangt tot op zekere hoogte –namelijk het bedrag dat de werknemer in loon zou hebben ontvangen indien de wettelijke opzegtermijn in acht was genomen- met het recht op onverminderde loondoorbetaling wordt gelijkgesteld.

De vergoeding op basis van het Sociaal Plan is een vergoeding in de zin van art. 16 lid 3 WW, die er in beginsel toe leidt dat hij, wanneer de overeenkomst wordt ontbonden, eerst na afloop van een fictieve opzegtermijn aanspraak kan maken op een WW-uitkering. De aanvullende vergoeding van zijn collega’s daarentegen wordt níet opgevat als een vergoeding in de zin van art. 16 lid 3 WW, omdat hun arbeidsovereenkomst na de op 17 juni 2008 gegeven toestemming van het CWI door Hollandia reeds is opgezegd. Gedurende de feitelijke opzegtermijn kregen en krijgen zij hun loon doorbetaald tot 1 oktober 2008. De collega’s van [verweerder] kunnen de RFR-vergoeding vanaf de eerste werkloosheidsdag als aanvulling op de WW-uitkering vrij besteden.

3.8. Nog daargelaten of [verweerder] per 1 oktober aanspraak kan maken op de vergoeding, die immers is gekoppeld aan zijn WW-aanspraken, is de kantonrechter van oordeel dat dit onderscheid tussen [verweerder] en zijn collega’s aan wie is opgezegd onbillijk is. Het enkele feit dat [verweerder] lid was van de Ondernemingsraad en daarom extra ontslagbescherming geniet mag er vanzelfsprekend niet toe leiden dat hij daardoor in een nadeliger positie dan zijn collega’s komt te verkeren, maar het is ook geen grond om hem te bevoordelen.

3.9. Het CWI heeft over [verweerder] in geen enkel opzicht anders geoordeeld dan over zijn collega’s en het lidmaatschap van de Ondernemingsraad heeft in beide procedures geen rol gespeeld. Onder deze omstandigheden gaat de kantonrechter er nadrukkelijk van uit dat de twaalf medewerkers gelijk dienen te worden behandeld. De arbeidsovereenkomst zal dan ook worden ontbonden per 1 oktober 2008. Daarnaast zal aan [verweerder] een vergoeding worden toegekend bestaande uit de vergoeding conform het Sociaal Plan, vermeerderd met een volledige vergoeding door Hollandia van de financieel nadelige gevolgen verband houdend met de fictieve opzegtermijn (zoals bedoeld in art. 16 lid 3 WW) die [verweerder], in tegenstelling tot zijn collega’s, treffen.

3.10. Op de voet van artikel 7:685 lid 9 BW worden partijen van de voorgenomen beslissing in kennis gesteld en is Hollandia bevoegd het verzoek binnen de hierna te noemen termijn in te trekken.

3.11. De proceskosten komen voor rekening van Hollandia, nu het niet aan [verweerder] is toe te rekenen dat hij op deze wijze in rechte is betrokken.

De beslissing

De kantonrechter:

Bepaalt dat de termijn, waarbinnen Hollandia haar verzoek zal kunnen intrekken

[i.c. door middel van een schriftelijke mededeling (eventueel bij faxbericht) aan de griffier

en in afschrift aan de (gemachtigde van de) wederpartij], zal lopen tot en met 29 augustus 2008.

Voor het geval Hollandia haar verzoek niet binnen die termijn zal hebben ingetrokken:

Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2008.

Bepaalt dat [verweerder] ten laste van Hollandia een ontbindingsvergoeding ontvangt conform het Sociaal Plan, vermeerderd met een volledige vergoeding van de financieel nadelige gevolgen voor [verweerder] als gevolg van de toepassing van de fictieve opzegtermijn, als bedoeld in artikel 16 lid 3 sub b WW.

Veroordeelt Hollandia in de proceskosten, die aan de zijde van [verweerder] worden vastgesteld op EUR 400,00 voor salaris gemachtigde, waarover Hollandia geen BTW verschuldigd is.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 25 augustus 2008 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter