Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BD9590

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
14.811073-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, een minderjarige jongen, heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door het slachtoffer met een mes te steken. Beroep op noodweer en noodweerexces faalt.

Het verzoek van de benadeelde partij om vergoeding van shockschade is onvoldoende onderbouwd. Geen wettelijke mogelijkheid om tot vergoeding van affectieschade over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/811073-07 (P)

Datum uitspraak : 6 augustus 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor de behandeling van Kinderstrafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats en geboorteland] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in Jeugdinrichting De Rentray te Lelystad

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juli 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. R. Kiewitt, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De moeder van het slachtoffer heeft ter terechtzitting gebruik gemaakt van het spreekrecht. De slachtofferverklaring zoals opgesteld door de vader van het slachtoffer is ter terechtzitting voorgelezen.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 4 november 2007 te Bergen, gemeente Bergen (NH), opzettelijk (en met voorbedachten rade[naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg) die [naam slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp en puntig voorwerp, in diens lichaam gestoken, tengevolge waarvan die [naam slachtoffer] is overleden.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

A. De vaststaande feiten

In de nacht van 4 november 2007 heeft verdachte met twee vrienden een feest bezocht dat gehouden werd in een huis aan [adres] te Bergen. Rond vijf uur in de ochtend heeft één van de vrienden van de verdachte een incident veroorzaakt door een ongewenste opmerking te plaatsen in de richting van een bezoekster van het feest. Daarop heeft de organisatie van het feest besloten verdachte en zijn twee vrienden van het terrein te verwijderen. Het slachtoffer, een bezoeker van het feest, besloot hierbij te helpen. Op een gegeven moment zijn verdachte en het slachtoffer uit de directe omgeving geraakt van de anderen. Verdachte had een mes in de mouw van zijn jas en heeft het slachtoffer hiermee gestoken. Verdachte heeft hierop het terrein verlaten. Enige ogenblikken later wordt het slachtoffer zwaar verwond en niet meer aanspreekbaar aangetroffen. Het slachtoffer is dezelfde dag in het ziekenhuis overleden. Uit het obductierapport blijkt dat het slachtoffer vier maal in zijn lichaam is gestoken als gevolg waarvan hij uiteindelijk is komen te overlijden. Op 25 maart 2008 heeft verdachte bekend het slachtoffer op 4 november 2007 meermalen in het lichaam te hebben gestoken.

B. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte vrij te spreken van het impliciet primair tenlastegelegde, te weten moord, nu zij niet bewezen acht dat er een moment van kalm beraad en rustig overleg is geweest alvorens verdachte heeft gestoken. De officier van justitie vordert het impliciet subsidiair tenlastegelegde bewezen te verklaren, te weten doodslag. Op grond van de inhoud van het dossier en de verklaring van verdachte acht de officier van justitie bewezen dat verdachte het slachtoffer vier maal in het lichaam heeft gestoken, tengevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Ook het tenlastegelegde opzet acht de officier van justitie bewezen, daar verdachte door te handelen zoals hij heeft gehandeld willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge van dat handelen zou komen te overlijden.

C. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces gedaan en verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

D. Beoordeling van de tenlastelegging

Het impliciet primair tenlastegelegde: moord

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen dat er een moment van kalm beraad en rustig overleg is geweest alvorens verdachte het slachtoffer heeft gestoken. Verdachte dient om die reden te worden vrijgesproken van het impliciet primair tenlastegelegde, te weten moord.

Het impliciet subsidiair tenlastegelegde: doodslag

Naar het oordeel van de rechtbank is wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd. Verdachte heeft het slachtoffer meermalen met een mes gestoken en hem daarbij in het bovenlichaam en in de hals geraakt. Door het toebrengen van een diepe messteek in de hals heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden, hetgeen ook is gebeurd. De rechtbank acht opzet in de vorm van voorwaardelijk opzet bewezen.

E. Behandeling van de verweren

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging daar verdachte zich diende te verdedigen tegen het slachtoffer. In de visie van de raadsman heeft het slachtoffer, onder invloed van drank en cocaïne, zijn hand met daarin een bierflesje opgeheven terwijl hij gezegd zou hebben dat hij verdachte te grazen zou nemen. Verdachte heeft daarop zijn mes getrokken om het slachtoffer van zich af te houden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voorop gesteld moet worden dat er geen getuigen zijn van het treffen tussen verdachte en het slachtoffer. Ook zijn er geen getuigen die hebben bevestigd dat verdachte voorafgaand aan dat treffen door het slachtoffer werd bedreigd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan er op grond van de inhoud van het dossier van worden uitgegaan dat het slachtoffer wilde bewerkstelligen dat verdachte het terrein, waar het feest werd gehouden, zou verlaten. De rechtbank acht echter niet aannemelijk geworden dat verdachte daarbij in een zo benarde positie is terechtgekomen dat verdediging noodzakelijk en geboden was. De enkele verklaring van verdachte dat het slachtoffer hem wilde slaan, acht de rechtbank daartoe niet voldoende.

Ook voor het geval zou worden aangenomen dat verdachte wel de gerechtvaardigde vrees mocht koesteren dat het slachtoffer hem met een bierflesje zou slaan, kan het beroep op noodweer niet slagen. Door in reactie op de dreiging meermalen met een mes te steken, is verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging immers ver te buiten gegaan. Dat die overschrijding van de grenzen het gevolg zou zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de gedragingen van het slachtoffer, is in het geheel niet aannemelijk geworden. Verdachte heeft immers verklaard dat hij het slachtoffer heeft gestoken om hem van zich af te houden. Deze intentie van verdachte laat zich niet rijmen met de in het kader van een beroep op het zogenoemde noodweerexces hevige gemoedsbeweging. Ook het beroep op noodweerexces kan derhalve niet slagen.

F. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten lastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 november 2007 te Bergen, gemeente Bergen (NH), opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [naam slachtoffer] meermalen met een mes in diens lichaam gestoken, tengevolge waarvan [naam slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag

6. De strafbaarheid van de verdachte

De inhoud van de in dit vonnis onder Strafmotivering genoemde rapporten, opgemaakt door drs. D. Breuker, GZ- en forensisch psycholoog, en drs. R.E. Breuk, kinder- en jeugdpsychiater, geeft de rechtbank geen aanleiding tot niet-strafbaarheid van de verdachte te concluderen. Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. De oplegging van straf en maatregel

Verdachte heeft op 4 november 2007 in Bergen (NH) [naam slachtoffer] met een mes meermalen in het lichaam gestoken. Als gevolg van het hierdoor ontstane letsel is [naam slachtoffer] kort daarop overleden.

De eis van de officier

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 20 maanden met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij vordert de officier van justitie de oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in voorwaardelijke vorm met een proeftijd van twee jaren. Naast de algemene voorwaarden verbonden aan deze voorwaardelijke veroordeling vordert de officier van justitie de oplegging van de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal dienen te houden aan de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering, ook indien dit inhoudt het volgen en voltooien van behandeling bij het academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie De Bascule te Amsterdam of een soortgelijke instelling.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich, kort samengevat, primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. Subsidiair heeft de raadsman verzocht verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest en oplegging van een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met aan deze veroordeling verbonden de bijzondere voorwaarde zich te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook indien inhoudende behandeling bij De Bascule.

Motivering van straf en maatregel

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Verdachte heeft het slachtoffer zijn meest kostbare bezit, het leven, ontnomen. Door zijn toedoen is de nabestaanden van het slachtoffer onbeschrijflijk en onherstelbaar leed toegebracht, zoals ook is gebleken uit de door de moeder van het slachtoffer ter terechtzitting afgelegde verklaring en de inhoud van de schriftelijke verklaring van de vader van het slachtoffer. Het ten tijde van zijn overlijden nog ongeboren kind van het slachtoffer zal haar vader nooit kennen.

Daarnaast is er een ernstige inbreuk gemaakt op de rechtsorde en zijn toch al aanwezige gevoelens van onveiligheid in de maatschappij versterkt.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel justitiële documentatie gedateerd 2 juli 2008 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de volgende rapportages met betrekking tot verdachte:

- een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming gedateerd 26 november 2007, opgesteld door mevrouw C. de Hoop en T. van der Drift, raadsonderzoekers;

- een rapportage van Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering, gedateerd 10 juli 2008, opgesteld door G. Verkaik, jeugdreclasseerder;

- het strafadvies van de Raad voor de Kinderbescherming gedateerd 14 juli 2008;

- het over de verdachte uitgebrachte psychologische rapport gedateerd 27 juni 2008, van mevrouw drs. D. Breuker, GZ- en forensisch psycholoog;

- het over de verdachte uitgebrachte psychiatrische rapport gedateerd 12 juli 2008, van de heer drs. R.E. Breuk, kinder- en jeugdpsychiater.

Uit de psychologische rapportage blijkt dat er bij verdachte sprake is van een gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling. Verdachte wordt omschreven als een geparentificeerde, introverte, neurotische jongen met een grote mate van angstgevoeligheid en agressiegeremdheid. De psycholoog vervolgt: “Ten tijde van het plegen van het feit was betrokkene vanuit zijn gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling zeer beperkt in staat om zichzelf in hetgeen er gebeurde op adequate wijze te corrigeren. Er is sprake geweest van een ongecontroleerde agressieve impulsdoorbraak bij een introverte en angstige jongen met weinig zicht en grip op agressie en geweld, en extreme angst hiervoor. (…) De ernst van het tenlastegelegde en impact van de stoornissen op het functioneren is dusdanig dat geadviseerd wordt om betrokkene als verminderd tot sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Uit de psychiatrische rapportage blijkt het volgende:

Er is bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis, te weten een aandachtstekortstoornis van het onoplettende type en een angststoornis/sociaal fobische klachten en een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling met autonomieproblemen en ontwijkende en passief agressieve trekken. (…) Het zeer hoge angstniveau werd door de beangstigende situatie van een feest met behoorlijk wat agressie verder verhoogd. Betrokkene is juist in beangstigende sociale situaties als introvert geremd persoon niet in staat om adequaat te reageren. Hierdoor nam het risico op een agressieve impulsdoorbraak toe. Betrokkene kan alleen maar vermijden, waardoor de angst toeneemt en het risico dat hij de situatie als levensgevaarlijk inschat en dan zijn mes gaat tonen. Gezien zijn rigide persoonlijkheid nemen gedragsalternatieven dan verder af. Gezien de ernst van de beperkingen van betrokkene vooral in dit soort bedreigende situaties en het niet hebben overzien van het gevaar van een mes, wordt betrokkene verminderd toerekeningvatbaar geacht voor het delict waarvan verdacht.

Zowel de rapporterende psycholoog als psychiater adviseren verdachte een intensief behandelings- en begeleidingstraject op te leggen om het recidive risico zo ver mogelijk terug te dringen. Geadviseerd wordt in eerste instantie een intensieve behandeling bij behandelinstelling de Bascule te Amsterdam op te leggen. Tijdens deze behandeling zal moeten blijken hoe hier verder invulling aan gegeven kan worden. Dit zal afhankelijk zijn van de verdere ontwikkeling van betrokkene en het diagnostisch verloop. Voorts wordt geadviseerd deze behandeling in het kader van een voorwaardelijke PIJ op te leggen.

Gelet op deze feiten en gelet op de persoon van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf passend en geboden is.

Verdachte was ten tijde van het plegen van het delict zestien jaar oud, waardoor het minderjarigenstrafrecht van toepassing is, tenzij de rechtbank aanleiding ziet om ingevolge artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht meerderjarigenstrafrecht toe te passen. Nu beide voornoemde gedragsdeskundigen hebben aangegeven dat er in de persoonlijkheid van verdachte geen argumenten gelegen zijn om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen en de rechtbank ook overigens daarvoor op basis van het dossier geen grond ziet, zal het strafrecht voor minderjarigen worden toegepast. Onder het minderjarigenstrafrecht is de maximale duur van de aan verdachte op te leggen jeugddetentie 24 maanden. Verdachte zal worden vrijgesproken van moord, het zwaarste delict uit het Wetboek van Strafrecht. Voorst hebben zowel de psycholoog als de psychiater gerapporteerd dat tenminste moet worden uitgegaan, gezien de stoornis van verdachte, van een verminderde toerekeningsvatbaarheid. Daarnaast hebben de deskundigen oplegging van een PIJ maatregel in voorwaardelijke vorm geadviseerd, waarbij verdachte gedurende de proeftijd een intensief behandeltraject zal dienen te volgen.

De rechtbank ziet in het voorgaande dan ook aanleiding aan verdachte een jeugddetentie voor de duur voor achttien maanden op te leggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank adviseert deze jeugddetentie ten uitvoer te leggen in Jeugdinrichting De Rentray te Lelystad.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opleggen met een proeftijd van twee jaren. Hieraan verbindt de rechtbank, naast de algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering, ook indien deze inhouden het volgen van een behandeling bij behandelinstelling de Bascule te Amsterdam of een soortgelijke instelling.

8. Vordering van de benadeelde partij

Namens de benadeelde partij [naam], heeft mr. E.M. Diesfeldt, [adres], vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van

€ 13.212,08 wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw de vordering aangevuld in die zin dat thans ook de door het Schadefonds Geweldsmisdrijven vergoede begrafeniskosten tot een bedrag van € 6.000,- worden gevorderd.

De officier van justitie heeft gevorderd de gehele vordering van de benadeelde partij toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van verdachte verzoekt de rechtbank primair, gezien het door de raadsman gevoerde verweer, de vordering van de benadeelde partij af te wijzen. Subsidiair is de raadsman van mening dat de geclaimde kosten van psychotherapie door de ziektekostenverzekering dienen te worden vergoed. Het is de raadsman ook niet gebleken dat deze kosten bij de verzekering zijn ingediend dan wel dat een eventuele ingediende claim door de verzekering is afgewezen. Ten aanzien van de aanvulling van de vordering ter terechtzitting ter hoogte van € 6.000,- is de raadsman van mening dat nu het Schadefonds deze kosten heeft vergoed er geen sprake meer is van door de benadeelde partij geleden schade. Op het punt van de shockschade en de niet vergoede begrafeniskosten refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de aanvulling van de vordering ter terechtzitting betreffende de begrafeniskosten ten bedrage van € 6.000,-, overweegt de rechtbank als volgt.

Weliswaar heeft het Schadefonds Geweldsmisdrijven een bedrag groot € 6.000,- als tegemoetkoming in de begrafeniskosten uitgekeerd, maar in de beslissing van het Schadefonds is de bepaling opgenomen dat indien er nog betalingen worden ontvangen, bijvoorbeeld een betaling door de dader, dit gemeld dient te worden aan het Schadefonds. Vervolgens kan beslist worden dat een bedrag aan het Schadefonds zal moeten worden terugbetaald. De beslissing van het Schadefonds om tot toekenning van een bedrag over te gaan, moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook zo worden begrepen dat het daarbij gaat om een tegemoetkoming in de kosten die (in dit geval door de nabestaanden van het slachtoffer) gemaakt zijn als gevolg van door het bewezenverklaarde feit geleden schade, maar dat daarin wel besloten is dat als deze schade op de veroorzaker daarvan te verhalen is, dit ook moet gebeuren.

Anders dan de raadsman van verdachte is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet gesteld kan worden dat er geen sprake - meer - is van door de benadeelde partij geleden schade.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij, voor zover betrekking hebbende op de volledige begrafeniskosten ten bedrage van € 6.187,08, van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 6.187,08, kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De benadeelde partij heeft tevens een vergoeding gevorderd van shockschade ten bedrage van € 6.000,-. Ter onderbouwing van deze claim is een tweetal brieven overgelegd van psychotherapeut P.A. de Weijer, gedateerd 18 februari 2008 en 1 juni 2008.

Voor vergoeding van shockschade kan aanleiding bestaan, indien de schade in rechte vast te stellen geestelijk letsel betreft. Dat is in het algemeen slechts het geval indien er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Het bestaan van een dergelijk ziektebeeld volgt echter niet zonder meer uit de door de benadeelde partij gegeven toelichting en de inhoud van de brieven van de psychotherapeut.

Voorts komt het de rechtbank, gelet op de hiervoor genoemde toelichting, voor dat niet zozeer vergoeding wordt verlangd van shockschade als wel van schade, bestaande uit pijn en verdriet om het gemis van een dierbare. Voor deze affectieschade kent de wet echter niet de mogelijkheid van een vergoeding. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot vergoeding van shockschade niet eenvoudig van aard is en dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Resteert de vordering tot vergoeding van de kosten van psychotherapie. Deze vordering dient naar het oordeel van de rechtbank te worden afgewezen, nu de wettelijke bepalingen, meer in het bijzonder artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek, aan toewijzing in de weg staan.

De benadeelde kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van jeugddetentie, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77s, 77x, 77y, 77x, 77aa en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. Beslissing

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de bewezenverklaring bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een jeugddetentie voor de tijd van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Adviseert deze jeugddetentie ten uitvoer te leggen in Jeugdinrichting De Rentray te Lelystad.

Beveelt voorts de plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering,zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, ook indien dit inhoudt het volgen en voltooien van ambulante behandeling bij het academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie De Bascule te Amsterdam of een soortgelijke instelling.

Verstrekt aan eerstgenoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [naam], per adres gemachtigde mr. E.M. Diesfeldt, [adres], tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 6.187,08 (zesduizend eenhonderdzevenentachtig euro en acht eurocent) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Wijst de vordering voorzover die betrekking heeft op de kosten van psychotherapie af.

Verklaart de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [naam], te betalen een som geld ten bedrage van € 6.187,08 (zesduizend eenhonderdzevenentachtig euro en acht eurocent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Westdorp, voorzitter,

mr. S.M. Jongkind-Jonker en mr. M.E. Francke, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 augustus 2008.