Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BD9115

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
06-05-2008
Datum publicatie
01-08-2008
Zaaknummer
08/872
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vrijstelling 19, derde lid, van de Wro en reguliere bouwvergunning voor plaatsen van kap op garage/berging.

Verlening van vrijstelling ex 19 lid 3 WRO en reguliere bouwvergunning voor het plaatsen van een kap op een bestaande garage/berging. Standpunt van verweerder dat bouwplan past binnen het voorontwerpbestemmingsplan is niet deugdelijk gemotiveerd (r.o 12). Bovendien had verweerder het welstandsadvies niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen, omdat daarin ondanks de strijdigheid met één van de welstandscriteria uit de welstandsnota toch een positief welstandsoordeel is gegeven. Daarmee is in strijd met de wet (artikel 12b lid 1 Woningwet) en de bedoeling van de wetgever het welstandsadvies niet uitsluitend gebaseerd op de welstandscriteria uit de welstandsnota (r.o. 13-18). Ten slotte afwijzing van tegen bob gerichte vovo, maar wel vovo o.g.v. art. 8:72 lid 5 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 08/872 en AWB 08/647

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van:

[naam] en [naam],

wonende te Bergen,

verzoekers,

gemachtigde mr. P.G. Wemmers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen,

verweerder.

Aan het geding neemt tevens deel [naam vergunni[naam vergunninghouder], wonende te Bergen, vergunninghouder,

gemachtigde mr. E.C.W. van der Poel.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 3 augustus 2007 heeft verweerder aan [naam vergunninghouder] vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een kap op de garage/berging op het perceel [adres] te Bergen. Het hiertegen door verzoekers gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 15 januari 2008 ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen dit besluit bij brief van 22 februari 2008 beroep ingesteld.

Bij brief van 20 maart 2008 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 18 april 2008, waar verzoekers, daartoe ambtshalve opgeroepen, zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, is verschenen bij gemachtigde

mr. P.J.M. Hink. Voorts is ter zitting verschenen de heer [naam vergunninghouder], bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde.

Motivering

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek een voorlopige voorziening te treffen de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geding aan de orde zijn geweest meent de voorzieningenrechter dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter zal dan ook gebruik maken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat verweerder de aanvraag onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking had moeten afwijzen. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat in bedoeld artikel voor de bestuurlijke besluitvorming invulling wordt gegeven aan het algemene rechtsbeginsel dat niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem). De bepaling verleent het bestuur de bevoegdheid maar niet de verplichting om een herhaalde aanvraag, waaraan geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit. Nu voorts geenszins vaststaat dat sprake is van een eerdere afwijzende beschikking, is van een situatie als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb reeds om die reden geen sprake.

3. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een kap op een garage/berging op het perceel [adres] te Bergen, waardoor een bouwwerk ontstaat met een nokhoogte van ongeveer 5,5 meter. De goothoogte van het gebouw in de nieuwe situatie bedraagt 3,171 meter.

4. Ingevolge artikel 40, eerste lid, onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

5. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) komen, voor zover hier van belang, voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking een uitbreiding van een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met de op grond van het bestemmingsplan “Uitbreidingsplan Gemeente Bergen NH 1937” voor het onderhavige perceel geldende planvoorschriften nu is gebouwd buiten het bouwvlak. Vaststaat voorts dat het bouwplan betrekking heeft op een geval als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van het Bro 1985 waarvoor verweerder met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO bevoegd is vrijstelling te verlenen.

7. De voorzieningenrechter overweegt dat de bevoegdheid van verweerder om vrijstelling te verlenen een discretionaire bevoegdheid is. De bestuursrechter mag de uitoefening van die bevoegdheid slechts marginaal toetsen. Dat houdt in dat de voorzieningenrechter een besluit omtrent de gebruikmaking van die bevoegdheid slechts mag vernietigen, indien een dergelijk besluit als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt.

8. Verweerder heeft bij de gebruikmaking van zijn bevoegdheid vrijstelling te verlenen aansluiting gezocht bij het voorontwerpbestemmingsplan “Bergen Dorpskern-Zuid”. Op grond van dit voorontwerp rust op de onderhavige gronden de bestemming “Wonen-Van Reenenpark, natuur- en landschapswaarden, maximale oppervlakte 150m² (W-RP (nlw)(b)”en “Tuin (T)”.

9. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat verweerder ter onderbouwing van de vrijstelling bij dit voorontwerpbestemmingsplan geen aansluiting heeft kunnen zoeken bij de bepalingen over een aanbouw omdat in het onderhavige geval sprake is van een bijgebouw.

Ingevolge artikel 1, tweeëntwintigste lid, van de voorschriften van het voorontwerpbestemmingsplan is een bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand, gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

De voorzieningenrechter is, anders dan verzoekers, van oordeel dat in dit geval van een bijgebouw in voornoemde zin geen sprake is, omdat is gebleken dat de garage/berging met een deur in directe verbinding staat met het hoofdgebouw.

10. Ingevolge artikel 25, vierde lid, aanhef en onder p, van de voorschriften van het voorontwerpbestemmingsplan mag de bouwhoogte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen, aangebouwde overkappingen en aangebouwde recreatiewoningen niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw + 25 cm tot een maximum van 4 m.

Ingevolge artikel 25, tiende lid, van de voorschriften van het voorontwerpbestemmingsplan zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 4, sub p, ten behoeve van een kap op aan- en uitbouwen, met dien verstande dat:

a. vrijstelling uitsluitend is toegestaan indien een kap in verband met afstemming op de karakteristiek van de woning, noodzakelijk is;

b. de goothoogte van de aan- of uitbouw niet meer bedragen dan de in lid 4 sub p genoemde bouwhoogte;

c. vrijstelling niet mag leiden tot onevenredige aantasting van de gebruikswaarde van naburige erven.

11. De voorzieningenrechter is met verzoekers van oordeel dat het bouwplan in strijd is met artikel 25, vierde lid, aanhef en onder p, van de voorschriften van het voorontwerpbestemmingsplan nu het geheel van de bestaande garage/berging en de beoogd te realiseren kap hoger is dan 4 meter. Aan de orde is dan ook de vraag of in dit geval wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 25, tiende lid, van de voorschriften.

12. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan niet voldoet aan het in artikel 25, tiende lid, onder a, van de planvoorschriften genoemde noodzakelijkheidsvereiste. De stelling van verweerder dat de term noodzakelijk in artikel 25, tiende lid, onder a, van de voorschriften geen recht doet aan de bedoeling van de planwetgever en dat dit artikel daarom zal worden gewijzigd in “wenselijk”, kan hieraan niet afdoen. In dit verband is van belang dat de tekst van de bepaling ondubbelzinnig en nog niet gewijzigd is. Om die reden is er geen enkel aanknopingspunt voor een uitleg zoals door verweerder wordt voorgestaan. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat het bouwplan past binnen de in het voorontwerpbestemmingsplan gegeven vrijstellingsbevoegdheid, is het besluit dus in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd.

13. Ten aanzien van de stelling van verzoekers dat het welstandsadvies van

11 december 2007 inhoudelijk gebrekkig is en door verweerder niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

14. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 12b, eerste lid, van de Woningwet baseert de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester haar onderscheidenlijk zijn advies slechts op de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, doch betrekt daarbij, indien van toepassing, het bepaalde in artikel 12, derde lid. De adviezen van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester zijn openbaar. Een advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester inhoudende dat een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, wordt schriftelijk uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd.

15. De voorzieningenrechter overweegt dat de Woningwet uitgaat van een exclusieve bevoegdheid van de gemeenteraad om welstandscriteria vast te stellen. De door de gemeenteraad vastgestelde criteria moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Deze nota geldt blijkens de parlementaire geschiedenis als enige document waaraan een bouwwerk wat betreft de beoordeling van de welstand mag worden getoetst (zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 734, nr. 6, p. 14). Dit blijkt ook uit de formulering van artikel 12b, eerste lid, van de Woningwet, waarin is bepaald dat het welstandsadvies slechts mag worden gebaseerd op de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet.

16. In de door de raad van de gemeente Bergen vastgestelde welstandsnota, op grond waarvan voor het gebied waarin het onderhavige perceel is gelegen een bijzonder welstandsniveau van toepassing is, is bepaald dat uitbreidingen op reeds bestaande aan-, op- en uitbouwen niet zijn toegestaan. Niet in geschil is en vaststaat dat het bouwplan aan dit criterium niet voldoet; immers, het bouwplan voorziet in het plaatsen van een kap op een bestaande garage/berging. Uit het welstandsadvies blijkt dat het bouwplan wel aan alle andere welstandscriteria voldoet. De welstandscommissie is – kort samengevat – tot een positief welstandsadvies gekomen omdat zij van oordeel is dat in dit geval het plaatsen van een dak op de garage aansluit bij het kwaliteitsniveau en de architectuur van het hoofdgebouw en er in de omgeving meerdere garages met een zadeldak voorkomen.

17. De voorzieningenrechter kan op grond van het welstandsadvies niet anders concluderen dan dat de welstandscommissie haar advies – in strijd met de wet en de bedoeling van de wetgever – niet slechts heeft gebaseerd op de in de welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Als zij dat wel had gedaan, had zij immers tot de conclusie moeten komen dat het bouwplan strijdig is met één van de welstandscriteria waaraan moet worden getoetst en logischerwijs een negatief welstandsadvies moeten uitbrengen. Doordat het welstandsadvies niet uitsluitend is gebaseerd op de welstandscriteria uit de welstandsnota, is het welstandsadvies in strijd met artikel 12b, eerste lid, van de Woningwet.

18. Verzoekers hebben dan ook terecht betoogd dat het welstandsadvies gebrekkig is en niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd. Nu uit het bestreden besluit ook op geen enkele manier blijkt dat verweerder meent dat er dit geval sprake is van een geval waarin hij ondanks een negatief welstandsadvies van oordeel is dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, is het bestreden besluit wat betreft het welstandsoordeel onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

19. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en het in artikel 7:12 van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel. Het verzoek om op grond van artikel 8:81 van de Awb een voorlopige voorziening te treffen moet worden afgewezen, omdat het besluit op bezwaar waartegen dat verzoek was gericht wordt vernietigd. Teneinde te voorkomen dat zal worden gebouwd in strijd met de door de gemeenteraad vastgestelde welstandscriteria, ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen door te bepalen dat het primaire besluit van 3 augustus 2007 wordt geschorst tot zes weken nadat verweerder opnieuw op het bezwaar heeft beslist.

20. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoekers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarbij is zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 15 januari 2008;

- wijst het verzoek om op grond van artikel 8:81 van de Awb een voorlopige voorziening te treffen af;

- bepaalt dat het besluit van 3 augustus 2007 wordt geschorst tot zes weken nadat verweerder opnieuw op het

bezwaar heeft beslist;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekers het griffierecht van € 143,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van verzoekers redelijkerwijs gemaakte proceskosten van

€ 644,00;

- wijst de gemeente Bergen aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan op 16 mei 2008 door mr. drs. W.P. van der Haak,

voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.

griffier voorzieningenrechter