Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BD6331

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
26-06-2008
Datum publicatie
04-07-2008
Zaaknummer
102455-KG ZA 08-157
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Nakomen koopovereenkomst. Verkopers hebben inmiddels aan hun verplichtingen uit vaststellingsovereenkomst voldaan. Zeer waarschijnlijk dat de bodemrechter de vorderingen van de verkopers zal toewijzen. Koper moet daarom nu meewerken aan levering."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

CVZ/EJM

KG nummer: 102455/KG ZA 08-157

datum: 26 juni 2008

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

1. de besloten vennootschap GOUDVELD B.V.,

statutair gevestigd te Twisk, gemeente Medemblik,

2. [naam eiseres 2],

wonende te 't Veld, gemeente Niedorp,

EISERESSEN IN CONVENTIE IN KORT GEDING,

VERWEERSTERS IN RECONVENTIE IN KORT GEDING,

procureur mr. C.H.P. de Boer,

advocaat mr. J.W. Bloem te Zaandam, gemeente Zaanstad,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BORGMEER INVEST B.V.,

statutair gevestigd te Mijdrecht, gemeente Ronde Venen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BORGMEER INVEST I B.V.,

statutair gevestigd te Mijdrecht, gemeente Ronde Venen,

GEDAAGDEN IN CONVENTIE IN KORT GEDING,

EISERESSEN IN RECONVENTIE IN KORT GEDING,

procureur mr. H.R.M. Jenné,

advocaat mr. R.G. Meester te Amsterdam.

Partijen zullen verder ook worden genoemd "Goudveld c.s." respectievelijk "Borgmeer c.s.".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

in conventie en in reconventie

Ter terechtzitting van 17 juni 2008 hebben Goudveld c.s. in conventie gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Ter terechtzitting hebben zij hun eis vermeerderd.

Borgmeer c.s. hebben de vordering - zoals vermeerderd - bestreden en een eis in reconventie ingesteld. Goudveld c.s. hebben tegen die vordering verweer gevoerd.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van Goudveld c.s. de originele dagvaarding en van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. DE UITGANGSPUNTEN

in conventie en in reconventie

2.1 In het kader van het tussen hen bestaande geschil hebben partijen eerder een kort geding procedure gevoerd bij deze rechtbank.

2.2 In die zaak is op 24 april 2008 door de voorzieningenrechter vonnis gewezen. De uitgangspunten zoals opgenomen in genoemd vonnis onder 2.1 t/m 2.9 zijn nog altijd van kracht en worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2.3 Op 13 mei 2008 heeft de aannemer van Goudveld c.s. (hierna: [aannemer]) nog een aantal aanvullende werkzaamheden verricht in het horecabedrijf, waarna in de nacht van 13 op 14 mei 2008 een tweede geluidsmeting heeft plaatsgevonden door akoestisch bureau [onderzoeksbureau] B.V. (hierna: [onderzoeksbureau]).

2.4 [onderzoeksbureau] heeft op 19 mei 2008 een rapport uitgebracht van haar bevindingen. Dit rapport houdt voor zover hier van belang het volgende in:

"Het vastgestelde equivalente geluidniveau (Laeq in dB(A)), ten gevolge van een 95 dB(A) equivalent binnengeluidniveau in 'het vierkant' in het Twiskerslot, bedraagt ter hoogte van de nabijgelegen woningen ten hoogste 38 dB(A) (inclusief 10dB toeslag vanwege muziekgeluid). Hiermee wordt voldaan aan de (strengste) grenswaarde uit het Besluit van 40 dB(A) geldend in de nachtperiode."

2.5 Bij faxbericht van 16 mei 2008 heeft de raadsman van Goudveld c.s., naar aanleiding van het bekend worden van de voorlopige uitslag van de tweede meting door [onderzoeksbureau], de raadsman van Borgmeer c.s. er op gewezen dat Borgmeer c.s. (gelet op het resultaat van de meting) thans gehouden zijn het horecabedrijf af te nemen. Daarbij zijn twee tijdstippen voorgesteld waarop deze transactie bij de notaris zou kunnen plaatsvinden, met het verzoek aan te geven welke datum het zou worden. Hierop is van de zijde van Borgmeer c.s. niet, althans niet instemmend, gereageerd.

2.6 De raadsman van Goudveld c.s. heeft Borgmeer c.s. bij brief van 23 mei 2008 gesommeerd uiterlijk 28 mei 2008 mee te werken aan de levering van het horecabedrijf aan Borgmeer c.s. bij de notaris. Voorts is in die brief gesteld dat gedaagde sub 2 vanaf 22 mei 2008 een gebruiksvergoeding verschuldigd is voor het gebruik van het horecabedrijf en dat deze vergoeding in redelijkheid door Goudveld c.s. is bepaald op [euro] 14.845,45 per maand, inclusief BTW.

2.7 Borgmeer c.s. hebben tot op heden geweigerd hun medewerking te verlenen aan de afname van het horecabedrijf overeenkomstig de koopovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst of aan betaling van de gebruiksvergoeding.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

in conventie

3.1 Goudveld c.s. vorderen - verkort weergegeven - dat de voorzieningenrechter, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagde sub 1 zal veroordelen tot betaling aan Goudveld c.s. van een bedrag van [euro] 2.631.486,96, te vermeerderen met rente en kosten;

2. gedaagde sub 1 zal veroordelen te voldoen aan haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst en koopovereenkomst door afname van het horecabedrijf, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

3. gedaagde sub 1 zal veroordelen tot betaling van een bedrag van [euro] 7.800,-- per dag vanaf 22 mei 2008 zolang zij in gebreke blijft met betaling van het onder 1 genoemde bedrag;

4. gedaagde sub 1 zal veroordelen te voldoen aan haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst, in het bijzonder door het meewerken aan de doorhaling van de hypothecaire inschrijving als bedoeld in artikel 9 van die overeenkomst, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

5. gedaagde sub 1 zal veroordelen in de kosten van het geding, de kosten van het conservatoir beslag daaronder begrepen;

6. gedaagde sub 2 zal veroordelen tot betaling aan Goudveld c.s. van een bedrag van [euro] 14.845,45 vanaf 22 mei 2008 tot aan de dag der voldoening;

7. gedaagde sub 2 zal veroordelen tot betaling aan Goudveld c.s. van

[euro] 14.845,45 per maand inclusief BTW ten titel van gebruik van het horecabedrijf tot de dag dat de onder 1 en 2 genoemde vorderingen zijn voldaan, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de eerste dag van iedere periode tot aan de dag der algehele voldoening;

8. gedaagde sub 2 zal veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Ter zitting hebben Goudveld c.s. hun eis nog vermeerderd in die zin dat zij tevens vorderen dat gedaagde sub 1 zal worden verboden om beslag te leggen op het horecabedrijf dan wel op de koopsom, ter zake van een of meer vorderingen die betrekking hebben op de condenskwestie, op straffe van verbeurte van een dwangsom indien gedaagde sub 1 in strijd zal handelen met dit verbod. Voorts hebben zij de vordering in het petitum van de dagvaarding onder 6 niet langer gehandhaafd, voorzover deze vordering overlap vertoont met het in het petitum onder 7 gevorderde.

3.3 Goudveld c.s. leggen aan hun vordering ten grondslag dat Borgmeer c.s. hun verplichtingen uit de overeenkomsten tussen partijen niet nakomen, ondanks sommaties. Goudveld c.s. stellen daarbij dat zij hun verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst ten aan zien van het binnengeluidsniveau zijn nagekomen, zodat Borgmeer c.s. thans gehouden zijn eveneens hun verplichtingen uit die overeenkomsten na te komen, door afname van de registergoederen. Voorts voeren Goudveld c.s. aan dat, gelet op de weigering van gedaagde sub 1 om haar afnameverplichting na te komen, gedaagde sub 2 de registergoederen thans gebruikt zonder enige vergoeding daarvoor te betalen, zodat Goudveld c.s. er belang bij hebben dat er tot de afname van het horecabedrijf in ieder geval een gebruiksvergoeding betaald zal worden. Goudveld c.s. stellen dat, nu partijen hieromtrent geen afspraken hebben gemaakt, het bedrag van die vergoeding in redelijkheid vast te stellen is op een bedrag gelijk aan de huurprijs per maand die gedaagde sub 2 in het kader van de (eerdere) huurovereenkomst verschuldigd was, aldus Goudveld c.s. Ten slotte voeren zij aan dat zij er belang bij hebben dat het Borgmeer c.s. wordt verboden beslag te leggen op het gekochte of op de koopsom, in verband met de door hen gepretendeerde vordering ter zake van het condensprobleem, aangezien zij vrezen dat Borgmeer c.s. daartoe over zullen gaan indien de voorzieningenrechter de vorderingen van Goudveld c.s. zal toewijzen.

3.4 Borgmeer c.s. hebben hiertegen verweer gevoerd. Voor zover voor de beslissing van belang zal hierna op dit verweer worden ingegaan.

in reconventie

3.5 Borgmeer c.s. vorderen - verkort weergegeven - dat de voorzieningenrechter, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Goudveld c.s. hoofdelijk zal veroordelen om binnen tien dagen na dit vonnis in het horecabedrijf het condensprobleem in het Staccato en de Galerie veroorzaakt door de aangebrachte voorzetramen deugdelijk te verhelpen, met inachtneming van de instructies van [onderzoeksbureau]] in haar brief van 28 mei 2008, op straffe van verbeurte van een dwangsom als Goudveld c.s. daarmee in gebreke blijven.

3.6 Borgmeer c.s. leggen hieraan ten grondslag dat Goudveld c.s. haar verplichtingen uit het vonnis van 24 april 2008 niet geheel zijn nagekomen, aangezien zij niet hebben voldaan aan de veroordeling om het condensprobleem op het enkele buitenglas in het Staccato en de Galerie veroorzaakt door de aangebrachte voorzetramen deugdelijk op te lossen. Borgmeer c.s. voeren hierbij aan dat, omdat partijen het tijdens de vorige zitting op 11 april 2008 eens waren over de nog uit te voeren werkzaamheden, de voorzieningenrechter in het vonnis van 24 april 2008 aan die veroordeling geen dwangsom heeft verbonden. Borgmeer c.s. stellen dat, nu Goudveld c.s. alle overige genoemde werkzaamheden hebben doen uitvoeren maar weigeren het condensprobleem deugdelijk op te lossen, zij er belang bij hebben dat Goudveld c.s. zullen worden veroordeeld tot het aanbrengen van de deugdelijke oplossing, op straffe van verbeurte van een dwangsom indien zij daarmee in gebreke blijven.

3.7 Goudveld c.s. hebben hiertegen verweer gevoerd. Voor zover voor de beslissing van belang zal hierna op dit verweer worden ingegaan.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

in conventie en in reconventie

4.1 Een vordering tot het nakomen van de verplichtingen uit een koopovereenkomst heeft een dusdanig verstrekkend karakter dat deze vordering in kort geding slechts kan worden toegewezen indien er met grote mate van waarschijnlijkheid van kan worden uitgegaan dat de bodemrechter, geconfronteerd met hetzelfde feitencomplex, eveneens tot toewijzing zal beslissen. Voor de beoordeling daarvan acht de voorzieningenrechter het volgende van belang.

4.2 Het grote geschilpunt tussen partijen, reden waarom gedaagde sub 1 het horecabedrijf niet op de beoogde leveringsdatum 3 maart 2008 wenste af te nemen, was het probleem dat er sprake was van geluidsoverlast vanuit het horecabedrijf. Dit betrof een serieus probleem dat de exploitatie in gevaar bracht, aangezien de gemeente Borgmeer c.s. reeds had aangeschreven in verband met de vanuit het horecabedrijf veroorzaakte geluidsoverlast. Om voor dit probleem een oplossing te zoeken is tussen partijen op 15 februari 2008 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In het eerdere kort geding ging het (net als in de onderhavige procedure) om de vraag of Goudveld c.s. aan hun verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst hadden voldaan, zodat gedaagde sub 1 gehouden zou zijn haar afnameverplichting na te komen. In het vonnis van 24 april 2008 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat Goudveld c.s. op dat moment nog niet aan de op hen rustende verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst hadden voldaan, omdat bij de geluidsmeting van [onderzoeksbureau]] op 29 februari 2008 nog een overschrijding van 1 dB(A) bij een van de omliggende woningen was gemeten, zodat het gegarandeerde binnengeluidsniveau van 95 dB(A) niet helemaal werd behaald.

4.3 In de onderhavige procedure is gebleken dat Goudveld c.s. vervolgens aanvullende werkzaamheden hebben laten uitvoeren om alsnog het gegarandeerde binnengeluidsniveau te behalen zonder overschrijding. Uit de inhoud van het rapport van [onderzoeksbureau]] van 19 mei 2008 blijkt dat dit ook gelukt is. Hieruit volgt in beginsel dat thans geoordeeld moet worden dat Goudveld c.s. aan de op hen rustende verplichtingen hebben voldaan en dat gedaagde sub 1 derhalve aan de op haar rustende afnameverplichting moet voldoen.

4.4 In dit verband is door Borgmeer c.s. aangevoerd dat deze tweede meting niet kan worden aangemerkt als de tweede meting bedoeld in de vaststellingsovereenkomst, omdat de meting is verricht terwijl nog niet alle werkzaamheden als bedoeld in het vonnis van 24 april 2008 waren verricht, met name niet de werkzaamheden in verband met het deugdelijk oplossen van het condensprobleem. Door Borgmeer c.s. is dit standpunt nader toegelicht, waarbij is aangevoerd dat die deugdelijke oplossing gezocht moet worden in het vervangen van de aangebrachte voorzetramen door draaibare ramen, hetgeen mogelijk nadelig kan zijn voor de geluidsisolatie van het pand.

4.5 Door Goudveld c.s. is dit standpunt weersproken, waarbij zij hebben betwist dat er sprake is van een condensprobleem en waarbij zij er daarnaast op hebben gewezen dat er inmiddels ingevolge het vonnis van 24 april 2008 een oplossing is aangebracht. Voorts heeft zij nadrukkelijk ontkend dat er een afspraak gemaakt zou voor het op haar kosten laten uitvoeren van nadere werkzaamheden als door Borgmeer c.s. gesteld. Tot slot hebben zij aangevoerd dat Borgmeer c.s. bij het uitvoeren van de tweede meting geen enkel voorbehoud hebben gemaakt om op een later tijdstip nog een derde meting te mogen laten uitvoeren.

4.6 De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent als volgt. De vaststellingsovereenkomst tussen partijen is opgemaakt om het geschil rond de geluidsproblematiek op te lossen. Daar is ook aan gewerkt door partijen en zoals reeds overwogen onder rechtsoverweging 4.3 blijkt uit het rapport van de tweede meting dat er bij een binnengeluidsniveau van 95 dB(A) geen overschrijding meer optreedt op de omliggende woningen. Het betoog van Borgmeer c.s. dat de tweede meting niet als zodanig kan worden aangemerkt omdat nog niet alle werkzaamheden die moesten worden gedaan waren verricht, faalt. Door Borgmeer c.s. is niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat zij dit voorbehoud reeds ten tijde van de tweede meting hebben gemaakt. Bovendien verschillen partijen van mening over de vraag of er een afspraak bestaat tussen hen omtrent de door Borgmeer c.s. bedoelde werkzaamheden (vervangen van de voorzetramen door draaibare ramen op kosten van Goudveld c.s.). Daarnaast blijkt uit de brief van [onderzoeksbureau]] van 28 mei 2008 (productie 3 van Borgmeer c.s.) dat die werkzaamheden (mits vakkundig uitgevoerd) geen negatief effect behoeven te hebben op de geluidsisolatie. Om die redenen wordt geoordeeld dat de thans verrichte meting wel valt aan te merken als de tweede meting die was overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst. Op grond van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het voldoende aannemelijk geworden is dat de bodemrechter, geconfronteerd met het zelfde feitencomplex, de vorderingen van Goudveld c.s. ter zake van betaling van de koopsom en meewerken aan de afnameverplichting, zal toewijzen. Deze vorderingen komen derhalve ook in kort geding voor toewijzing in aanmerking.

4.7 Ten aanzien van het door Borgmeer c.s. gestelde omtrent werkzaamheden ter zake van het oplossen van het condensprobleem wordt nog het volgende overwogen. Door Borgmeer c.s. is aangevoerd dat Goudveld c.s. nog geen deugdelijke oplossing hebben geboden voor het condensprobleem, zodat zij op dat punt nog niet hebben voldaan aan de op hen rustende verplichtingen uit het vonnis van 24 april 2008. Daarbij hebben zij gesteld dat eerst is gesproken over het aanbrengen van de osmosekorrels, maar dat Goudveld c.s. nadien hebben aangeboden het condensprobleem deugdelijk op te lossen door het vervangen van de voorzetramen door draaibare ramen met sloten. Door Goudveld c.s. is deze stelling gemotiveerd weersproken. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat zij in overleg met Borgmeer c.s. het (door haar betwiste) condensprobleem hebben oplost door het aanbrengen van osmosekorrels tussen de dubbele ramen. Een nader aanbod voor het vervangen van de voorzetramen door draaibare ramen op hun kosten hebben zij nadrukkelijk betwist.

4.8 De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet geoordeeld kan worden dat Goudveld c.s. niet aan hun verplichtingen uit het vonnis van 24 april 2008 hebben voldaan. Vast staat immers dat Goudveld c.s. door [aannemer] op 9 juni 2008 osmosekorrels hebben laten aanbrengen in verband met het condensprobleem en Borgmeer c.s. hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan reeds thans geoordeeld zou moeten worden dat deze oplossing niet afdoende is. Daarbij komt dat partijen van mening verschillen over de vraag of er wel of niet een afspraak is gemaakt tussen hen over het vervangen van de voorzetramen door draaibare ramen op kosten van Goudveld c.s., zodat van de juistheid van die stelling van Borgmeer c.s. in dit geding niet kan worden uitgegaan. Daarvoor zou nadere bewijslevering nodig zijn waarvoor deze kort gedingprocedure zich evenwel niet leent. Nu die gestelde afspraak in deze procedure derhalve niet is komen vast te staan en bovendien niet gesteld kan worden dat Goudveld c.s. nog een nadere verplichting heeft uit hoofde van het vonnis van 24 april 2008, dient de vordering in reconventie reeds hierom te worden afgewezen.

4.9 Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog, dat zelfs indien de afspraak omtrent het vervangen van de voorzetramen door draaibare ramen wel was komen vast te staan in deze procedure, dit niet een omstandigheid zou hebben opgeleverd op grond waarvan geoordeeld zou worden dat de verrichte meting niet als tweede meting in het kader van de vaststellingsovereenkomst zou kunnen worden aangemerkt of een omstandigheid op grond waarvan gedaagde sub 1 nog niet gehouden zou zijn over te gaan tot afname van het horecabedrijf. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in overweging dat [onderzoeksbureau]] een verklaring heeft afgelegd waaruit blijkt dat het vervangen van de ramen geen negatief effect hoeft te hebben op de geluidsisolatie van het pand en dat Borgmeer c.s. reeds vanaf april 2007 de beschikking over het gekochte hebben en daarin hun bedrijf uitoefenen. Zij worden derhalve door het verder uitstellen van de levering niet in hun belangen geschaad. Dit ligt anders voor Goudveld c.s. die door het uitstellen van de levering nog altijd niet kunnen beschikken over de koopsom van [euro] 2.600.000,--, terwijl zij daarnaast nog de extra hypotheekinschrijving ad [euro] 1.400.000,-- op het pand in het kader van de vaststellingsovereenkomst moeten handhaven. Nu bovendien uit de uitgebrachte offerte voor het vervangen van de ramen blijkt, dat die werkzaamheden kunnen gebeuren voor een bedrag van circa [euro] 275,-- per raam en ter zitting is verklaard dat het hier gaat om tien ramen, gaat het hier feitelijk nog gaat om een bedrag van circa [euro] 3.000,--, zodat verder uitstel van de levering disproportioneel geacht moet worden.

4.10 Ten aanzien van de gevorderde contractuele boete wordt het volgende overwogen. In artikel 12 lid 2 van de koopovereenkomst zijn Goudveld c.s. en gedaagde sub 1 hieromtrent onder meer het volgende overeengekomen.

"Indien één van de partijen, na bij deurwaardersexploot in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen tekortschiet in de nakoming van één of meer van haar verplichtingen (...) is deze partij in verzuim en heeft de wederpartij de al dan niet subsidiaire keus tussen: a. uitvoering van de overeenkomst te verlangen, in welk geval de partij die in verzuim is na afloop van voormelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien ingegane dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd is van drie pro mille van de koopprijs (...)"

In de vaststellingsovereenkomst is onder 3.3 hieromtrent het volgende opgenomen:

Indien het resultaat van deze tweede meting (...) is, dat de overeengekomen norm is gerealiseerd, zal binnen drie werkdagen het verkochte aan KOPER worden geleverd, en zal KOPER aan VERKOPER de overeengekomen koopsom betalen.

Het resultaat van de tweede meting was door [onderzoeksbureau]] op 19 mei 2008 in een rapport uitgewerkt. Hieruit volgt dat gedaagde sub 1 binnen drie werkdagen na 19 mei 2008, derhalve uiterlijk 22 mei 2008, had moeten meewerken aan de levering aan haar van het gekochte en aan betaling van de koopsom aan Goudveld c.s. Aangezien zij hier niet aan heeft voldaan, hebben Goudveld c.s. haar in een brief van hun advocaat van 23 mei 2008 gesommeerd om uiterlijk 28 mei 2008 mee te werken aan de levering en betaling van de koopsom. Nu zij hier opnieuw niet aan

heeft voldaan, wordt geoordeeld dat zij vanaf 29 mei 2008 in verzuim is en vanaf die datum de contractuele boete van 3 ‰ van de koopsom verschuldigd is geworden voor elke dag dat zij de koopsom nog niet zal hebben voldaan. De vordering van Goudveld c.s. ter zake is derhalve in die zin toewijsbaar.

4.11 De gevorderde medewerking aan het leveren van het gekochte aan gedaagde sub 1 kan eveneens worden toegewezen. Omdat de verplichting tot betaling van de koopsom zeer nauw samenhangt met de verplichting om mee te werken aan de levering, ziet de voorzieningenrechter echter aanleiding de gevorderde dwangsom op het meewerken aan de levering af te wijzen, aangezien het er voor gehouden wordt dat de hiervoor opgenomen verplichting tot het betalen van de contractuele boete reeds voldoende prikkel tot nakoming zal bieden.

4.12 De gevorderde wettelijke rente over de koopsom is naast de toegewezen contractuele boete, die eveneens is verbonden aan betaling van de koopsom, niet toewijsbaar, aangezien hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:92 lid 2 BW in de plaats treedt van de schadevergoeding op grond van de wet. De wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW betreft de schadevergoeding verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom en is derhalve een dergelijke schadevergoeding op grond van de wet.

4.13 Ten aanzien van de gevorderde doorhaling van de hypothecaire inschrijving wordt het volgende overwogen. In artikel 9 van de vaststellingsovereenkomst zijn Goudveld c.s. en gedaagde sub 1 het volgende overeengekomen:

VERKOPER zal een tweede hypotheek vestigen, na de eerste hypotheek van de Rabobank met als uitgangspunt het schrijven van de Rabobank opgenomen in de bijlage voor een bedrag van [euro] 1.400.000,00 (...) op het Twiskerslot ten gunste van KOPER voor alle vorderingen die KOPER uit hoofde van deze overeenkomst heeft of zal krijgen.(...) De KOPER verleent, ingeval van levering van het Twiskerslot als omschreven in de artikel 3.2 en 3.3 van deze overeenkomst, medewerking aan doorhaling van de in dit artikel genoemde hypotheek door middel van ondertekening van een daartoe door de notaris, ten overstaan van wie de levering plaatsvindt opgestelde royementsvolmacht."

Uit dit artikel volgt dat gedaagde sub 1 verplicht is ingeval van levering van het gekochte haar medewerking te verlenen aan doorhaling van genoemde hypothecaire inschrijving, zodat ook deze vordering van Goudveld c.s. kan worden toegewezen. De gevorderde dwangsom is eveneens toewijsbaar. Aan de te verbeuren dwangsommen zal wel een maximum verbonden worden, op de wijze als hierna onder 'de beslissing' vermeld.

4.14 Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten wordt overwogen dat deze zal worden gematigd overeenkomstig de aanbevelingen van het rapport Voorwerk II en wel tot een bedrag van [euro] 6.422,--, omdat de daarin gehanteerde tarieven in zijn algemeenheid redelijk worden geacht en Goudveld c.s. in het onderhavige geval onvoldoende feiten hebben gesteld die een hogere vergoeding - dan in het forfaitaire tarief besloten ligt - rechtvaardigen.

4.15 Met betrekking tot de gevorderde gebruiksvergoeding voor het horecabedrijf door gedaagde sub 2 wordt het volgende overwogen. Tussen Goudveld c.s. en gedaagde sub 2 was een huurovereenkomst van kracht met betrekking tot het horecabedrijf voor de periode van 2 april 2007 tot 3 maart 2008 (de beoogde datum van levering van het horecabedrijf aan gedaagde sub 1). In de vaststellingsovereenkomst was bepaald, dat indien de levering uitgesteld werd in verband met de geluidsproblematiek, de huurovereenkomst zou doorlopen zonder verplichting tot huurbetaling tot het moment dat alsnog geleverd zou worden aan gedaagde sub 1. Deze levering heeft nog niet plaatsgehad, maar uit het hiervoor overwogene blijkt dat gedaagde sub 1 vanaf 29 mei 2008 in verzuim is om aan haar afnameverplichting ter zake te voldoen. Om die reden wordt tevens geoordeeld dat vanaf 29 mei 2008 gedaagde sub 2 het horecabedrijf niet langer onder zich heeft uit hoofde van de doorlopende huurovereenkomst, derhalve zonder betalingsverplichting. Daarom acht de voorzieningenrechter het redelijk indien gedaagde sub 2 vanaf die datum een gebruiksvergoeding zal voldoen aan Goudveld c.s., over wiens eigendom gedaagde sub 2 kan beschikken. Door Goudveld c.s. is gesteld dat zij een gebruiksvergoeding gelijk aan de eerdere huur per maand redelijk acht. Weliswaar is door Borgmeer c.s. in dit verband aangevoerd dat het feit dat de levering is uitgesteld niet aan haar te wijten is, maar dat dit aan Goudveld c.s. valt toe te rekenen, maar zij hangen dit verweer op aan de werkzaamheden waarvan zij stellen dat die eerst nog dienen te gebeuren. Zoals hierboven reeds is overwogen, gaat dat standpunt van Borgmeer c.s. niet op. De vordering tot betaling van een vergoeding kan derhalve worden toegewezen en het door Goudveld c.s. voorgestelde bedrag gelijk aan een maand huur komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Daarbij gaat de voorzieningenrechter er wel van uit dat bij de uiteindelijke levering van het horecabedrijf aan gedaagde sub 1 de door gedaagde sub 2 verschuldigde gebruiksvergoeding evenredig verminderd zal worden voorzover deze ziet op het gedeelte van de maand dat nog niet verstreken is.

4.16 Tot slot hebben Goudveld c.s. nog gevorderd dat aan Borgmeer c.s. verboden zal worden beslag te leggen uit hoofde van de condensproblematiek. Hieromtrent hebben Borgmeer c.s. slechts aangevoerd dat Goudveld c.s. blijkbaar bang zijn dat de geluidsisolatie toch niet zal voldoen en zich voorts op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot nakomen van de overeenkomst toch niet voor toewijzing in aanmerking komen. Inhoudelijk hebben zij geen verweer gevoerd tegen deze vordering. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Goudveld c.s. hun belang bij toewijzing van het verbod voldoende hebben toegelicht. De hele discussie in deze zaak draait immers nog om de vraag of er nog werkzaamheden uitgevoerd moeten worden in verband met de condensproblematiek. De vrees van Goudveld c.s. dat Borgmeer c.s. uit dien hoofde voor of onmiddellijk na de levering beslag zal doen leggen is derhalve niet geheel zonder grond. Nu Borgmeer c.s. bovendien geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen deze vordering, is ook deze vordering van Goudveld c.s. toewijsbaar. De gevorderde dwangsom is eveneens toewijsbaar, op de wijze als hierna vermeld.

4.17 Borgmeer c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding, de kosten van het beslag ten laste van gedaagde sub 1 daaronder begrepen.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

in conventie

- veroordeelt gedaagde sub 1 tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Goudveld c.s. van een bedrag van [euro] 2.606.422,-- (twee miljoen zeshonderdzesduizend vierhonderdtweeëntwintig euro);

- veroordeelt gedaagde sub 1 te voldoen aan haar verplichtingen ingevolge de vaststellingsovereenkomst van 15 februari 2008 en de koopovereenkomst van 3 april 2007, meer in het bijzonder de verplichting tot afname van registergoed I en II en de overige zaken;

- veroordeelt gedaagde sub 1 ter zake van de contractuele boete aan eiseres te voldoen een bedrag van [euro] 7.800,-- per dag voor elke dag dat gedaagde sub 1 in gebreke blijft met betaling van de koopsom van [euro] 2.600.000,--, vanaf 29 mei 2008 tot aan de dag van de voldoening van de koopsom;

- veroordeelt gedaagde sub 1 te voldoen aan haar verplichtingen ingevolge de vaststellingsovereenkomst van 15 februari 2008, meer in het bijzonder de verplichting tot meewerken aan de doorhaling van de hypothecaire inschrijving als bedoeld in artikel 9, op straffe van verbeurte van een dwangsom van [euro] 5.000,-- voor iedere dag dat gedaagde sub 1 na betekening van dit vonnis na de levering van het gekochte aan gedaagde sub 1 hiermee in gebreke blijft, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van [euro] 100.000,--;

- veroordeelt gedaagde sub 2 tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Goudveld c.s. te voldoen een bedrag van [euro] 14.845,45 per maand inclusief BTW, ingaande 29 mei 2008 ten titel van het gebruik van registergoed I en II en de overige zaken tot aan de dag dat aan de betaling van de koopsom en de afname van het gekochte bedrijfspand zal zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag telkens vanaf de eerste dag van iedere periode tot aan de dag der algehele voldoening;

- verbiedt Borgmeer c.s. beslag te leggen onder Goudveld c.s. op registergoed I en II en de overige zaken, alsmede op de ter zake verschuldigde koopsom, ter zake van een of meer vorderingen van Borgmeer c.s. die betrekking hebben op de condensproblematiek, op straffe van verbeurte van een dwangsom van [euro] 5.000,-- voor iedere keer dat Borgmeer c.s. na betekening van dit vonnis zullen handelen in strijd met dit verbod, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van

[euro] 50.000,--;

- veroordeelt Borgmeer c.s. in de kosten van het geding, de kosten van het ten laste van gedaagde sub 1 gelegde beslag daaronder begrepen, tot op heden aan de zijde van Goudveld c.s. begroot op [euro] 5.070,08 aan verschotten en op [euro] 1.632,-- aan salaris procureur;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- weigert de meer of anders gevorderde voorziening;

in reconventie

- weigert de gevorderde voorziening;

- veroordeelt Borgmeer c.s. in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Goudveld c.s. begroot op nihil aan verschotten en op nihil aan salaris procureur.

Gewezen door mr. E.J. van der Molen, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2008 in tegenwoordigheid van C. Vis-van Zanden, griffier.