Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BD5257

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-04-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
206363 CV EXPL 06-585
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease; Dexia geen beroep op art. 3:51 lid 3 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Den Helder

Rolnummer: 06-585

Vonnis van: 10 april 2008

F.no.: 584

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[de heer A.],

verweerder in reconventie,

en

[mevrouw A.],

beiden wonende te Anna Paulowna,

gezamenlijk te noemen [de heer en mevrouw A.]

eisers in conventie,

gemachtigde: mr. M. Bonefaas,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

nader te noemen Dexia,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: dw. C.Th. Snijder.

Procedure

Het volgende processtuk is ingediend:

- de dagvaarding van 20 februari 2006, met producties.

Daarna heeft Dexia bij akte schorsing van de procedure aangezegd krachtens de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM).

Na de zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 van het gerechtshof te Amsterdam hebben [de heer en mevrouw A.] een afschrift overgelegd van de opt-out verklaring als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), waarin zij verklaren niet aan de verbindendverklaring gebonden te willen zijn. Naar aanleiding daarvan is beslist dat de onderhavige procedure wordt hervat.

Vervolgens is ingediend:

- de conclusie van antwoord van Dexia, met producties.

Bij tussenvonnis van 13 december 2007 is een comparitie bepaald welke heeft plaatsgevonden op 11 maart 2008. Bij de comparitie waren aanwezig [de heer en mevrouw A.], bijgestaan door mr. M. Bonefaas, en Dexia, vertegenwoordigd door mr. T.R. van Ginkel en bijgestaan door mr. M. Bracke. Voorafgaand aan deze comparitie zijn door [de heer en mevrouw A.] per brief van 18 februari 2008 en door Dexia per brief van 19 februari 2008 aanvullende stukken ingediend. [de heer en mevrouw A.] hebben voorts voorafgaand aan de comparitie een conclusie van antwoord in reconventie tevens vordering tot voeging c.q. tussenkomst met producties ingediend.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

Feiten

In conventie en in reconventie

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V./Legio Lease B.V. (hierna: Labouchere/Legio Lease). Waar hierna sprake is van Dexia, wordt (worden) haar rechtsvoorgangster(s) daaronder mede begrepen.

1.2. [de heer A.] verkeerde ten tijde van het aangaan van de hieronder bedoelde overeenkomst(en) in de volgende omstandigheden:

Geboortejaar: 1953 ([de heer A.]) en 1955 ([mevrouw A.])

Beroep: politieambtenaar ([de heer A.]) en consulente WW ([mevrouw A.])

Opleiding: Mulo ([de heer A.]) en HBS 2 jaar, middenstandsdiploma en een diploma op het gebied van de sociale verzekeringen ([mevrouw A.])

Netto (gezins)inkomen per maand: circa € 3.075,00

Vermogen: circa € 23.000,00

Relevante beleggings- of beroepservaring: geen

1.3.[de heer A.] heeft de volgende lease-overeenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Legio Lease:

Nr.:I

Contractnr.:74209430

Datum: 22-06-1999

Naam van de overeenkomst: WinstVerDriedubbelaar

Leasesom: € 23.512,36

Nr.:II

Contractnr.:59101823

Datum: 14-09-1999

Naam van de overeenkomst: Korting Kado

Leasesom: € 49.563,98

Deze lease-overeenkomsten worden hierna aangeduid met respectievelijk lease-overeenkomst I, lease-overeenkomst II en gezamenlijk als de lease-overeenkomsten.

1.4. Dexia heeft voor de lease-overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld volgens welke [de heer A.] nog verschuldigd was € 4.127,64 uit hoofde van lease-overeenkomst I en € 12.441,83 uit hoofde van lease-overeenkomst II. De eindafrekening met betrekking tot lease-overeenkomst I heeft [de heer A.] voldaan.

1.5. Voor wat betreft het in totaal aan Dexia betaalde bedrag, het totaalbedrag aan ontvangen en/of verrekende dividenden en andere gegevens per lease-overeenkomst wordt verwezen naar de aan dit vonnis gehechte bijlage (hierna: de bijlage).

1.6. [de heer A.] was bij het aangaan van de lease-overeenkomsten gehuwd met [mevrouw A.], die aan [de heer A.] geen schriftelijke toestemming heeft verleend voor het aangaan van de lease-overeenkomsten.

1.7. [de heer en mevrouw A.] hebben op 15 juli 2002 een brief aan Dexia gestuurd met als onderwerp dat de eindafrekening van lease-overeenkomst I onjuist is.

1.8. Op 12 september 2002 hebben [de heer en mevrouw A.] een brief aan Dexia gestuurd met als onderwerp de beëindiging van lease-overeenkomst II.

1.9. Bij brief van 14 december 2004 heeft [de heer A.] de verjaring van zijn vorderingen jegens Dexia aangaande de lease-overeenkomsten gestuit.

1.10. Bij brief van 21 november 2005 heeft de gemachtigde van [mevrouw A.] namens haar met een beroep op artikel 1:89 BW de nietigheid ingeroepen van de lease-overeenkomsten en terugbetaling gevorderd.

2. Vorderingen [de heer en mevrouw A.] in conventie

[de heer en mevrouw A.] vorderen bij vonnis:

Primair

I de Overeenkomsten nietig te verklaren op grond van artikel 9 Wck;

Subsidiair

II voor recht te verklaren dat de Overeenkomsten bij brief van 21 november 2005 door en namens [mevrouw A.] rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans de Overeenkomsten in rechte te vernietigen, op grond van artikel 1:88 jo. 1:89 BW;

Meer subsidiair

III de Overeenkomsten in rechte te vernietigen op grond van dwaling;

In alle bovengenoemde gevallen

IV Dexia Bank Nederland N.V. te veroordelen tot terugbetaling van alle (periodieke) betalingen die [de heer A.] onverschuldigd aan Dexia Bank Nederland N.V. heeft verricht (artikel 6:203 BW), vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf elk afzonderlijk moment dat de (periodieke) betaling is verricht tot aan de dag der algehele terugbetaling; en

V [de heer A.] financieel terug te brengen in de situatie waarin hij zich bevond ten tijde van het sluiten van elke afzonderlijke Overeenkomst, hetgeen meebrengt dat Dexia Bank Nederland N.V. niets meer heeft of zal te hebben vorderen van [de heer A.], alsmede – ten overvloede – dat enige waardedalingen van de effecten voor rekening van Dexia Bank Nederland N.V. komen of blijven;

Meer subsidiair

VI voor recht te verklaren dat de Overeenkomsten zijn ontbonden althans de nog niet beëindigde Overeenkomsten te ontbinden en Dexia Bank Nederland N.V. op grond van onrechtmatige daad c.q. wanprestatie te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan [de heer A.] ter grootte van elke (periodieke) betaling die [de heer A.] aan Dexia Bank Nederland N.V. heeft verricht, vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling, vermeerderd met al hetgeen Dexia Bank Nederland N.V. te vorderen heeft of zal hebben van [de heer A.];

In alle gevallen

VII Dexia Bank Nederland N.V. te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis enige registratie bij de Stichting Bureau Krediet Registratie (BKR), gevestigd te Tiel, die verband houdt met de Overeenkomsten te (doen) verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,= per 24 uur dat Dexia hieraan niet voldoet;

VIII Dexia Bank Nederland N.V. te veroordelen in de kosten van deze procedure, waarmee de daadwerkelijke door [de heer A.] gemaakte proceskosten worden bedoeld en niet enig forfaitair bedrag, tenzij dit laatste bedrag tenminste even hoog is als de daadwerkelijk door [de heer A.] gemaakte proceskosten;

IX het in deze te wijzen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren op alle dagen en uren.”

3. Standpunten [de heer en mevrouw A.]

3.1. [de heer en mevrouw A.] stellen dat de lease-overeenkomsten moeten worden aangemerkt als huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW en derhalve als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW en dus de toestemming behoefden van [mevrouw A.] ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub d BW. Nu [mevrouw A.] deze (schriftelijke) toestemming niet heeft verleend, heeft zij de lease-overeenkomsten rechtsgeldig kunnen vernietigen.

3.2. [de heer en mevrouw A.] leggen voorts aan hun vorderingen hoofdzakelijk ten grondslag dat sprake is van nietigheid van de lease-overeenkomsten op grond van strijd met artikel 9 WCK en dat [de heer A.] door toedoen van Dexia heeft gedwaald, althans dat Dexia tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht(en), en/of onrechtmatig heeft gehandeld. Daarnaast beroepen [de heer en mevrouw A.] zich erop dat Dexia gehandeld heeft in strijd met een aantal andere door hen genoemde wettelijke regelingen en/of met een aantal voor Dexia geldende normen en criteria en dat de lease-overeenkomsten als gevolg daarvan nietig, althans vernietigbaar, zouden zijn, danwel dat Dexia daardoor onrechtmatig jegens [de heer A.] heeft gehandeld.

3.3. Volgens [de heer en mevrouw A.] is Dexia aansprakelijk voor de door hen geleden schade. De schade bestaat volgens [de heer en mevrouw A.] uit de door [de heer A.] betaalde bedragen. Uit het standpunt van [de heer A.] volgt dat de registratie bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel (BKR) ongedaan dient te worden gemaakt. Tot slot maken [de heer en mevrouw A.] tevens aanspraak op de proceskosten.

4. Standpunten Dexia

4.1. Dexia betwist de vorderingen van [de heer en mevrouw A.] en voert - kort gezegd – aan dat de lease-overeenkomsten niet kunnen worden aangemerkt als huurkoop.

4.2. Voorts voert Dexia aan dat geen sprake is van vernietigbaarheid als bedoeld in artikel 1:89 BW omdat – kort gezegd – artikel 1:88 BW niet van toepassing is nu dit artikel geen betrekking heeft op vermogensrechten als de onderhavige, er geen sprake is van huurkoop bij gebrek aan aflevering en omdat partijen niet hebben beoogd om de afnemer de effecten te doen verkrijgen. Dexia stelt verder dat [mevrouw A.] de in artikel 1:88 BW bedoelde toestemming ook op andere wijze dan schriftelijk kan verlenen en dat zij dit ook heeft gedaan. Tenslotte is het recht om de lease-overeenkomsten op deze grond te vernietigen volgens Dexia verjaard. Daarbij beroept Dexia zich onder meer op de brieven aan haar van [de heer en mevrouw A.] van 15 juli 2002 en 12 september 2002 en op het feit dat de betalingen van [de heer A.] ter zake van de lease-overeenkomsten hebben plaatsgevonden van een en/of rekening die ten name van beide eisers stond, zodat [mevrouw A.] in elk geval na ontvangst van het eerste dagafschrift op de hoogte was van het bestaan van de lease-overeenkomsten.

4.3. Dexia betwist dat de lease-overeenkomsten door dwaling tot stand zijn gekomen, dat zij tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplichten of dat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld. Volgens Dexia beschikte [de heer A.] bij het aangaan van de lease-overeenkomsten over alle relevante informatie. Ook betwist Dexia dat zij de bepalingen – voor zover van toepassing – van de door [de heer en mevrouw A.] genoemde wetten en regelingen niet in acht zou hebben genomen. Dexia betwist de schade, althans betwist daarvoor aansprakelijk te zijn.

5. Vorderingen Dexia in reconventie

In reconventie vordert Dexia [de heer A.] te veroordelen tot betaling van € 12.441,83 zijnde het resterende saldo van de door Dexia opgestelde eindafrekening van lease-overeenkomst II, vermeerderd met rente en kosten, stellende dat [de heer A.] in verzuim is met de nakoming van zijn verplichtingen uit die lease-overeenkomst.

6. Verweer in reconventie

Onder verwijzing naar zijn stellingen in conventie bestrijdt [de heer A.] nog iets aan Dexia verschuldigd te zijn. [de heer A.] doet voorts een beroep op artikel 3:51 lid 3 BW. De verjaringsregel van artikel 3:52 BW is niet van toepassing op een verweer in rechte zodat [de heer A.] zich te allen tijde op de vernietiging van lease-overeenkomst II door zijn echtgenote kan beroepen, aldus [de heer A.].

7. Beoordeling van de vorderingen in conventie en reconventie

7.1. In het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 april 2007, LJN nummer BA 3914, zijn in een soortgelijk geschil een aantal rechtsvragen beantwoord en beoordelingsmaatstaven gegeven, waarvan voor dit geding met name van belang zijn:

huurkoop en bevoegdheid (rov 8.1);

artikel 1:88/1:89 BW (rov 8.2);

strijd met WCK en/of andere wetten en regelingen (rov 8.3);

dwaling (rov 8.5);

nakoming zorgplicht (rov 8.9);

verdeling van het nadeel (rov 9).

De kantonrechter neemt de overwegingen uit het vonnis van 27 april 2007 op deze onderdelen over, voor zover daarvan niet hierna wordt afgeweken. De stellingen in conventie en in reconventie zullen zoveel mogelijk gezamenlijk worden behandeld. In het onderhavige geval komt dat neer op het volgende.

Huurkoop; bevoegdheid en artikel 1:88/1:89 BW

7.2. Lease-overeenkomsten als de onderhavige worden aangemerkt als huurkoop. De kantonrechter is derhalve bevoegd.

7.3. Artikel 1:88 lid 1 onder d BW is op de lease-overeenkomsten van toepassing. Nu volgens artikel 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende de daar bedoelde toestemming voor de lease-overeenkomsten ook schriftelijk te worden gegeven (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN: AZ 9721, rov 2.12.3). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had [mevrouw A.] de bevoegdheid een beroep te doen op de hier bedoelde vernietigbaarheid.

7.4. De verjaringstermijn voor dit beroep is op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW drie jaar. De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomst. Nu Dexia stelt dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW is verjaard, ligt de bewijslast daarvan bij Dexia. Dexia heeft in dat verband onder meer gewezen op de aan haar gerichte brieven van [de heer en mevrouw A.]. van 15 juli 2002 en 12 september 2002. Ter comparitie heeft [mevrouw A.] erkend dat zij op het moment van het versturen van deze brieven inderdaad op de hoogte was van het bestaan van de lease-overeenkomsten. Het beroep op de hier bedoelde vernietigbaarheid is gedaan op 21 november 2005 en aldus niet binnen drie jaar nadat de bevoegdheid om dit te doen aan [mevrouw A.] ten dienste was komen te staan. Dat [mevrouw A.] niet eerder op de hoogte zou zijn geweest van de mogelijkheid met een beroep op artikel 1:88 BW de vernietiging van de lease-overeenkomsten in te roepen doet daaraan niet af. Niet noodzakelijk is dat [mevrouw A.] bekend was met de juridische kwalificatie van die overeenkomsten (vgl. HR 5 januari 2007, RvdW 2007, 68 en LJN: AY87710). Ook het beroep van [de heer en mevrouw A.] op de brief van [de heer A.] van 14 december 2004 waarin de verjaring is gestuit gaat niet op, nu deze brief alleen door [de heer A.] is verzonden en slechts ziet op zijn vorderingen jegens Dexia. In conventie is het beroep op artikel 1:88 lid 1 onder d BW dan ook verjaard.

7.5. Het beroep dat [de heer A.] zelf in reconventie heeft gedaan op artikel 3:51 lid 3 BW dient te falen. De kantonrechter is in navolging van het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 27 november 2007 (LJN: BC1140) van oordeel dat dit verwerend beroep slechts toekomt aan degene die partij is bij de rechtshandeling en tot nakoming van zijn verplichtingen uit die rechtshandeling wordt aangesproken, zijnde [de heer A.]. De vernietigingsgrond van artikel 1:89 BW komt alleen toe aan de echtgenote, juist omdat zij geen partij bij de rechtshandeling is.

Ten aanzien van de vordering in reconventie tot voeging c.q. tussenkomst

7.6. Voorzover de kantonrechter zou oordelen dat niet [de heer A.], maar [mevrouw A.] een dergelijk beroep dient te doen, dan wenst [mevrouw A.] zich in de procedure in reconventie tegen haar echtgenoot te voegen c.q. tussen te komen. Nu de voorwaarde waaronder de vordering tot voeging c.q. tussenkomst is ingesteld niet is vervuld, behoeft deze verder geen bespreking.

Strijd met WCK en andere wetten en regelingen

7.7. Dexia beschikte niet over een vergunning krachtens de WCK, op welke grond de (ver)nietig(baar)heid van de lease-overeenkomsten is bepleit. Daarnaast wordt aangevoerd dat er sprake is van nietigheid van de lease-overeenkomsten, dan wel van een tekortkoming of onrechtmatig handelen jegens [de heer A.], wegens strijd met andere wetten en regelingen.

7.8. De toepasselijkheid van de WCK en de andere door [de heer A.] genoemde wetten en regelingen kan in het midden blijven. Ook indien [de heer A.] zich terecht op die regelingen zou beroepen, zouden de gevolgen daarvan eveneens beoordeeld moeten worden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en zou zulks niet tot een ander oordeel leiden omtrent de door ieder van partijen te dragen gevolgen van het aangaan van de betreffende overeenkomst, dan zou hebben te gelden zonder een zodanig beroep.

Dwaling

7.9. Uit de inhoud van de lease-overeenkomsten en de bijbehorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease had [de heer A.] kunnen en moeten afleiden dat sprake was van een lening met renteverplichtingen voor de financiering van ten behoeve van hem gekochte effecten, en van een verplichting tot het op enig moment voldoen van de hoofdsom. De lease-overeenkomsten geven bovendien aan welke rente in rekening wordt gebracht en wat de totale leasesom is. Bij vragen daaromtrent had (ook) van [de heer A.] enig nader onderzoek mogen worden verwacht. Voor zover [de heer A.] onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken een overeenkomst is aangegaan, kan die onjuiste voorstelling derhalve niet tot vernietiging van die overeenkomst wegens dwaling leiden. Ook dit laat de zorgplicht van Dexia overigens onverlet.

Nakoming zorgplicht en toerekening van het nadeel

7.10.[de heer A.] verwijt Dexia dat Dexia te zijnen opzichte de op haar rustende zorgplicht niet is nagekomen onder meer doordat Dexia niet of onvoldoende gewezen heeft op de risico’s van het onderhavige product. Het verweer van Dexia hiertegen dient als onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende feitelijk onderbouwd gepasseerd te worden. Dexia had haar afnemers op niet mis te verstane wijze op die risico’s dienen te wijzen. De brochures en folders waar Dexia zich op beroept, houden een dergelijke waarschuwing niet in en door Dexia is ook niet gesteld of aangetoond dat zij op andere wijze aan deze informatieverplichting voldaan heeft. Voorts is niet gebleken dat Dexia zich tenminste rekenschap heeft gegeven van de vraag of haar (potentiële) wederpartij naar redelijke verwachting over voldoende bestedingsruimte zou beschikken om aan de uit de lease-overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen te kunnen voldoen. Dexia is derhalve aansprakelijk voor de als gevolg van dit tekortschieten opgetreden nadelige gevolgen.

7.11. Op gronden als vermeld in het vonnis van 27 april 2007 is het onaanvaardbaar om

Dexia onverkort alle nadeel te laten dragen en dient het voor rekening van Dexia komende nadeel te worden verminderd in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin aan [de heer A.] toe te rekenen omstandigheden tot het nadeel hebben bijgedragen. Dit overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 31 maart 2006, RvdW 2006, 328 (LJN: AU6092). Een en ander zal tot uitdrukking worden gebracht door toepassing van de hierna bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Grondslag voor de hiervoor bedoelde schatting vormen de persoonlijke omstandigheden van [de heer A.] die van invloed zijn op de waarschijnlijkheid dat de onderhavige overeenkomsten tot stand zouden zijn gekomen indien Dexia haar zorgplicht afdoende was nagekomen, mede gelet op de leasesom en op de overige verplichtingen uit de onderhavige rechtsverhouding met Dexia. Dit betreft met name (maar niet uitsluitend) de financiële omstandigheden van [de heer A.] (bepalend voor de vraag of deze financiële risico's wenste te lopen en in hoeverre dat verantwoord was), de beleggingsdoelstellingen en de kennis en ervaring waarover [de heer A.] beschikte (zowel ten aanzien van beleggingen als daarbuiten), één en ander ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten. Ook andere omstandigheden kunnen een rol spelen, voor zover aangenomen kan worden dat die omstandigheden van wezenlijke invloed zijn geweest op de beslissing van [de heer A.] om de lease-overeenkomsten aan te gaan.

7.12. Zoals nader is toegelicht in het vonnis van 27 april 2007 onderscheidt de kantonrechter voor de toerekening van het nadeel aan ieder van partijen in het hiervoor genoemde kader een aantal categorieën van afnemers. Op basis van de omstandigheden zoals die hiervoor onder 1.2 bij de feiten zijn vermeld, is voor [de heer A.] categorie 2 van toepassing. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient 60% van het nadeel voor rekening van Dexia te komen en het resterend percentage voor rekening van [de heer A.].

7.13. In het voetspoor van het vonnis van deze rechtbank van 27 april 2007 gaat de kantonrechter met het oog op een gelijke behandeling van gelijk(soortig)e zaken bij de berekening van het nadeel uit van een fictieve looptijd van 60 maanden, nu een langere termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaard kan worden. Hieruit volgt dat termijnbetalingsverplichtingen, die eventueel na deze 60 maanden resteren, niet tot het nadeel zullen worden gerekend. In het onderhavige geval komt het nadeel per lease-overeenkomst neer op het bedrag dat in de bijlage (niet bijgevoegd) achter het contractnummer van de betreffende overeenkomst onder ‘in aanmerking te nemen termijnen’ staat vermeld, te vermeerderen met het daarachter onder ‘restant hoofdsom’ vermelde restant van de hoofdsom van de geldlening en te verminderen met de vervolgens onder ‘waarde/opbrengst’ vermelde opbrengst/waarde van de geleasete effecten alsmede met het onder ‘dividenden’ vermelde bedrag wegens in verband met die overeenkomst ontvangen en (eventueel) verrekende dividenden en (eventuele) andere ontvangen en/of verrekende voordelen.

Het totale nadeel per lease-overeenkomst bedraagt derhalve het bedrag dat in de bijlage achter het contractnummer van de betreffende overeenkomst onder ‘totaal nadeel’ staat vermeld. Hiervan dient, gelet het in 7.12. genoemde percentage, een bedrag voor rekening van [de heer A.] te blijven gelijk aan het daarachter onder ‘voor rekening afnemer’ genoemde bedrag.

7.14. Door [de heer A.] is in het kader van de lease-overeenkomsten een bedrag betaald gelijk aan het achter het contractnummer van de betreffende overeenkomst onder ‘betaald’ vermelde bedrag. Hierop dienen in mindering te worden gebracht de ontvangen dividenden als vermeld onder ‘ontvangen dividenden’ en het hiervoor berekende bedrag dat voor rekening van [de heer A.] dient te blijven, zodat Dexia per saldo aan [de heer A.] dient te voldoen het per overeenkomst onder ‘te ontvangen’ vermelde bedrag. Dit komt neer op een bedrag van in totaal € 10.376,18 (€ 4.405,68 + € 5.970,50).

Wettelijke rente

7.15 Met betrekking tot de wettelijke rente heeft Dexia nog aangevoerd dat zij eerst in

verzuim heeft kunnen geraken na in gebreke te zijn gesteld. De kantonrechter volgt Dexia hierin niet. Immers, Dexia heeft de op haar rustende zorgplicht, na schending daarvan vóór de totstandkoming van de lease-overeenkomsten, nadien niet meer deugdelijk kunnen nakomen. In die zin – en ook overigens – is voor het intreden van verzuim niet vereist dat Dexia in gebreke is gesteld. Aangezien de wettelijke rente is gevorderd vanaf de datum van dagvaarding, zal deze worden toegewezen vanaf 20 februari 2006.

Ontbinding

7.16. De door [de heer A.] gevorderde ontbinding van de lease-overeenkomsten wordt afgewezen. Nog daargelaten of het schenden van de zorgplicht door Dexia in de precontractuele fase als een (voor)contractuele tekortkoming kan worden geduid, zullen de gevolgen van zodanige ontbinding eveneens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid bepaald dienen te worden en zal de beslissing daaromtrent niet tot een ander resultaat leiden dan waartoe binnen het hiervoor weergegeven kader is beslist. [de heer A.] heeft derhalve bij deze vordering geen belang.

7.17. De overige stellingen van partijen in conventie behoeven geen behandeling meer.

Vordering in reconventie

7.18. Uit het voorgaande volgt dat de door Dexia ingestelde reconventionele vordering dient te worden afgewezen. De in verband daarmee gestelde gronden, feiten en omstandigheden zijn verdisconteerd in het oordeel in conventie omtrent de verplichtingen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid thans tussen partijen hebben te gelden.

Proceskosten

7.19.Gelet op de uitslag van de procedure in conventie en in reconventie dient Dexia te worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie en in reconventie.

Tot slot

7.20. Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding. De eigendom van de in het kader van de lease-overeenkomsten gekochte effecten is bij Dexia verbleven.

7.21. Al het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Beslissing

De kantonrechter:

In conventie

I. veroordeelt Dexia om aan [de heer A.] te betalen:

- ten aanzien van lease-overeenkomst I € 4.405,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

- ten aanzien van lease-overeenkomst II € 5.970,50 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [de heer A.] gevallen, tot op heden begroot op:

voor verschuldigd griffierecht € 196,00

voor het exploot van dagvaarding € 84,87

voor salaris van gemachtigde € 750,00

totaal € 1.030,87

III. veroordeelt Dexia om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [de heer A.] geen verplichtingen uit de lease-overeenkomsten meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00;

IV. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst af het meer en anders gevorderde;

In reconventie

VI. wijst de vordering van Dexia af;

VII. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van [de heer A.] gevallen, tot op heden begroot op € 150,00.

Aldus gewezen door mr. A.H.E. van der Pol, kantonrechter-plaatsvervanger, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.