Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BD3511

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
02-06-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
07/1964
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een geslaagd beroep op het overgangsrecht kan er niet toe leiden dat voor overgangsrechtelijk beschermd gebruik een vrijstelling wordt verleend. Verweerder heeft aan het verlenen van vrijstelling een fincanciële voorwaarde verbonden. Onvoldoende aannemelijk dat de financiële bijdrage ook daadwerkelijk zal worden aangewend om te voorzien in de parkeerbehoefte die de gebruikswijziging met zich meebrengt. Daarnaast is de gevraagde bijdrage onevenredig hoog en is door verweerder niet naar de alternatieven gekeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 07/1964 WRO

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[naam],

gevestigd te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. T.L. Fernig,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Eiseres heeft verweerder in februari 2005 verzocht vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen om gebruik van het pand, gelegen op het perceel [adres] te [plaats], voor horeca-activiteiten mogelijk te maken.

Bij besluit van 14 juni 2007, verzonden op 20 juni 2007, heeft verweerder het verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) geweigerd. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting van 25 maart 2008 behandeld. Namens eiseres zijn verschenen haar vennoten, [naam] en [naam2], vergezeld van haar bovengenoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Moraal,

drs. I.A. Zwollo-de Wildt en M. Dijkstra.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Motivering

1. In geschil is of verweerder in redelijkheid heeft mogen weigeren vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan om gebruik van het pand, gelegen op het perceel [adres] te [plaats], voor horeca-activiteiten mogelijk te maken.

2. Bij de beantwoording van die vraag zijn de volgende bepalingen met name van belang.

Ingevolge het vigerende bestemmingsplan “Grachtengordel 1998” en de bijbehorende plankaart rusten op het perceel de bestemmingen “Wonen”, “detailhandel op de begane grond toegestaan” en “galerie/atelier toegestaan”.

Ingevolge artikel 5 van de planvoorschriften zijn de als “wonen” aangewezen gronden bestemd voor wonen. Daar waar op de plankaart de aanduiding “detailhandel op de begane grond toegestaan (d)” is aangegeven, mogen de gronden gebruikt worden ten behoeve van winkels op de begane grond. Daar waar op de plankaart “galerie/atelier toegestaan (ga)” is aangegeven is gebruik als galerie/atelier op de begane grond toegestaan.

Ingevolge artikel 29 van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken, c.q. te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan deze gronden gegeven bestemming en met het in of krachtens het plan ten aanzien van deze gronden en bouwwerken bepaalde.

Ingevolge artikel 36 van de planvoorschriften mag het gebruik dat op het tijdstip van het onherroepelijk worden van het plan, van in het plan begrepen gronden en bouwwerken, in afwijking van het plan wordt gemaakt,

a. worden voortgezet;

b. worden veranderd, mits daardoor de afwijkingen van het plan niet worden vergroot.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (BRO) komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m².

3. De rechtbank stelt aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Bij besluit van 23 mei 2000 is aan [naam] bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een voormalig bedrijfspand met bovenwoning, gelegen aan de [adres] te [plaats], tot galerie op de begane grond en bovenwoning op de verdieping. Ten tijde van het verlenen van de bouwvergunning was geen bestemmingsplan van kracht. Het bouwplan was in overeenstemming met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Grachtengordel 1998”, dat op 7 juni 2000 is vastgesteld en op 23 januari 2001 is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten. Het bestemmingsplan is in 2003 onherroepelijk geworden. De galerie is in gebruik genomen in oktober 2002, zo is namens eiseres ter zitting bevestigd. Vanaf het moment van opening vinden in de galerie horeca-activiteiten plaats. De vraag in welke mate horeca-activiteiten binnen de geldende bestemming “galerie” mogen worden uitgeoefend houdt partijen verdeeld. De rechtbank zal zich hierover nog nader uitlaten.

Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het bestemmingsplan om de in het pand uitgeoefende horeca-activiteiten te kunnen voortzetten en de horeca-activiteiten te kunnen uitbreiden. Het verzoek is ter inzage gelegd en er zijn door omwonenden zienswijzen ingediend. Bij brief van 24 oktober 2005 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat besloten is in principe medewerking aan de gevraagde vrijstelling te verlenen, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Er dient een oplossing te worden gevonden voor het parkeren, er dient naar geluidswaarden te worden gekeken en er dient een risicoanalyse planschade te worden opgesteld. Verweerder heeft hierover overleg gevoerd met eiseres. Over de te vergoeden planschade en de parkeerbijdrage is geen overeenstemming bereikt.

4. Verweerder heeft in het bestreden besluit vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO geweigerd. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres niet bereid is aan de voorwaarde ten aanzien van de parkeernormering te voldoen en dat met eiseres geen overeenstemming is bereikt over de planschade. Bij de beoordeling van de parkeernormering is verweerder uitgegaan van een tekort aan 15 parkeerplaatsen. Aangezien eiseres deze parkeerplaatsen niet op eigen terrein kan realiseren is het mogelijk om een bijdrage van

€ 15.000 per parkeerplaats te storten in het parkeerbijdragefonds, in totaal € 225.000. Voorts heeft verweerder een risicoanalyse laten opstellen, waaruit naar voren komt dat de te verwachten waardevermindering van de omliggende woningen als gevolg van de planologische wijziging op € 9.000 wordt geschat.

5. Eiseres kan zich niet met de door verweerder gestelde voorwaarden verenigen. Zij voert aan dat de huidige exploitatie van het bedrijf past binnen de gebruiksmogelijkheden die het vigerende bestemmingplan biedt. De op het perceel rustende bestemming “galerie” is gegeven met het doel de exploitatie van het etablissement van eiseres, zoals in het bedrijfsplan is omschreven en aan de gemeente is gepresenteerd, mogelijk te maken. De horeca die wordt geëxploiteerd is gerelateerd aan kunst en cultuur. Bovendien is er een exploitatievergunning verstrekt. Voor zover het huidige gebruik niet onder het toegestane gebruik kan worden gebracht is het gevraagde gebruik gelegaliseerd door het overgangsrecht. Eiseres meent voorts dat de huidige exploitatie is gelegaliseerd bij de in 1999 gevraagde en verleende bouwvergunning. Ook heeft verweerder in het verleden meerdere signalen afgegeven dat vrijstelling zou worden verleend, zodat de vrijstelling op grond van het vertrouwensbeginsel niet geweigerd mocht worden. De voorwaarden die verweerder aan de vrijstelling verbindt getuigen van onbehoorlijk bestuur aangezien ze pas in een laat stadium zijn opgelegd. Ten aanzien van de voorwaarde om

€ 225.000 te storten in het gemeentelijke parkeerfonds stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder niet aan de criteria heeft voldaan, zoals met betrekking tot het storten van een parkeerbijdrage worden gesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Ten aanzien van de voorwaarde om een planschadeovereenkomst te tekenen voert eiseres aan dat het vrijstellingsverzoek dateert van voor de wetswijziging van

1 september 2005, waarin een sluiting van een dergelijk overeenkomst wettelijk is geregeld. Voor die datum was het sluiten van planschadeovereenkomsten niet toegestaan.

6. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van eiseres uitsluitend ziet op een wijziging in het gebruik van het pand aan de [adres] te [plaats], waarvoor vrijstelling kan worden verleend op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO. De aanvraag heeft dus geen betrekking op bouwen in de zin van artikel 40 van de Woningwet. De rechtbank stelt voorts vast dat het gebruik van het pand voor horeca-activiteiten strijdig is met de geldende bestemmingen “Wonen”, “Detailhandel op de begane grond toegestaan” en “Galerie/atelier togestaan”. Gelet op die bestemmingen, de bijbehorende planvoorschriften alsmede de bij het bestemmingsplan behorende toelichting en het in artikel 29 opgenomen algemene gebruiksverbod is gebruik voor horeca immers niet toegestaan.

7. De stelling van eiseres dat het beoogde gebruik is gelegaliseerd door het op 23 mei 2000 verlenen van een bouwvergunning voor het realiseren van een galerie kan de rechtbank niet onderschrijven. Over de mate waarin in de galerie horeca-activiteiten mochten worden verricht is begin mei 2000, dus voorafgaand aan het verlenen van de bouwvergunning, overleg gevoerd tussen verweerder en [naam en naam 2]. Dit blijkt uit brieven van

1 en 30 mei 2000 van [naam] aan verweerder en van 22 juni 2000 van verweerder aan [naam en naam 2]. Uit deze correspondentie komt naar voren dat verweerder aan de galeriefunctie ondergeschikte horeca tot maximaal 50 m² op de begane grond aanvaardbaar achtte. De rechtbank stelt aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat het gebruik waarvoor eiseres thans vrijstelling wenst verder strekt. Zij wenst horeca-activiteiten uit te oefenen – en doet dat ook feitelijk al – in een groter deel van het pand en het betreft horeca-activiteiten die niet direct gerelateerd zijn aan de galerie-functie. Uit een brief van eiseres aan verweerder van 18 juni 2006 blijkt bijvoorbeeld dat sprake is van exploitatie van een jazz-podium en van theater-activiteiten. Deze verder strekkende horeca-activiteiten kunnen, gelet op het door verweerder uitdrukkelijk ingenomen standpunt, niet geacht worden binnen de grenzen van het ingevolge de verleende bouwvergunning toegestane gebruik te vallen. Dat eiseres bij de bouwaanvraag een ondernemingsplan heeft gevoegd waarin melding wordt gemaakt van verder strekkende horeca-activiteiten dan verweerder blijkens de hiervoor genoemde brieven heeft toegestaan, doet daaraan geen afbreuk. Het ondernemingsplan maakt ook geen onderdeel uit van de bouwvergunning.

8. Ook het beroep van eiseres op het overgangsrecht slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat een geslaagd beroep op het overgangsrecht tot gevolg kan hebben dat verweerder niet bevoegd is handhavend op te treden tegen het gebruik dat plaatsvond ten tijde van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Een geslaagd beroep op het overgangsrecht kan echter niet bewerkstelligen dat verweerder ook gehouden is een vrijstelling zoals door eiseres gevraagd te verstrekken. Een verleende vrijstelling strekt immers verder dan overgangsrechtelijke bescherming. Uit de gedingstukken blijkt bovendien dat namens verweerder vanaf de opening van de galerie in 2002 herhaaldelijk is aangegeven dat het gemaakte gebruik niet in overeenstemming is met de bestemming “galerie”. In het beroepschrift is bijvoorbeeld vermeld dat bij een inspectie kort na de opening is aangegeven dat voor de verrichte activiteiten een horecabestemming nodig was, dat in 2002 met eiseres is afgesproken dat alle horeca-achtige activiteiten bij de gemeente moesten worden gemeld en dat in 2003 in een gesprek met de toenmalige burgemeester en één van de wethouders is aangegeven dat voor de horeca-activiteiten in de galerie een vrijstelling vereist was. Onder die omstandigheden kan een beroep op het overgangsrecht naar het oordeel van de rechtbank niet slagen.

9. De stelling dat verweerder op grond van het vertrouwensbeginsel gehouden zou zijn vrijstelling voor horeca-activiteiten te verlenen kan de rechtbank niet onderschrijven. Uit de gedingstukken is haar niet gebleken dat verweerder ongeclausuleerd en schriftelijk heeft toegezegd aan eiseres vrijstelling van het bestemmingsplan te zullen verlenen voor het door eiseres gewenste gebruik. Namens verweerder is juist bij verschillende gelegenheden aangegeven dat de door eiseres verrichte activiteiten niet binnen het bestemmingsplan pasten. Aan de omstandigheid dat verweerder aan eiseres een exploitatievergunning heeft afgegeven heeft eiseres, zeker onder de hiervoor genoemde omstandigheden, niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat vrijstelling zou worden verleend. Bovendien blijkt uit de gedingstukken dat deze exploitatievergunning betrekking had op aan de galeriefunctie ondergeschikte horeca-activiteiten.

Uit de stukken komt wel naar voren dat verweerder heeft uitgedragen bereid te zijn medewerking aan een vrijstellingsprocedure te verlenen. Volgens vaste jurisprudentie kan op die bereidheid worden teruggekomen, bijvoorbeeld naar aanleiding van geuite zienswijzen. Daaruit vloeit voort dat verweerder ook bevoegd is alsnog voorwaarden aan het verlenen van vrijstelling te stellen.

10. Een van de redenen om vrijstelling te weigeren is gelegen in het door eiseres niet willen meewerken aan het sluiten van een planschadeovereenkomst. De bevoegdheid tot het treffen van een dergelijke overeenkomst is te vinden in artikel 49a van de WRO. Dit artikel is op 1 september 2005 in werking getreden. Eiseres betoogt ten onrechte dat verweerder de voorwaarde tot het sluiten van een planschadeovereenkomst niet had mogen stellen omdat haar aanvraag van vóór 1 september 2005 dateert. Er is bij de inwerkingtreding van artikel 49a WRO immers geen overgangsrecht in die zin vastgesteld, zodat dit artikel bij besluitvorming van na 1 september 2005 mag worden toegepast. Verweerder was dus bevoegd tot het stellen van deze voorwaarde en mocht het niet verlenen van medewerking aan een planschadeovereenkomst - mede - ten grondslag leggen aan zijn weigering tot het verlenen van vrijstelling.

11. Met betrekking tot de voorwaarde tot het storten van een parkeerbijdrage overweegt de rechtbank als volgt.

11.1 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat in verband met de gevraagde functiewijziging de parkeersituatie in de buurt structureel zal verslechteren. Als de functiewijziging vooraf - bij de aanvraag om bouwvergunning - zou zijn getoetst, zou in verband met de hoge parkeerdruk in de buurt een verdere achteruitgang van de parkeersituatie niet acceptabel zijn geacht. Verweerder heeft de parkeerbehoefte vastgesteld op 15 parkeerplaatsen aan de hand van de ASVV-normering en is daarbij uitgegaan van de minimum-norm voor horeca. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de grotere parkeerbehoefte in de buurt niet kan worden opgevangen. Hij heeft daarom aan het verlenen van de vrijstelling de voorwaarde verbonden dat een bijdrage wordt geleverd aan het parkeerbijdragefonds ten bedrage van € 225.000,00 (€ 15.000,00 per parkeerplaats). Verweerder heeft hierbij verwezen naar de op 24 januari 2006 door hem vastgestelde nota “bouwen en parkeren”.

11.2 De Afdeling heeft zich in een aantal uitspraken uitgelaten over de aanvaardbaarheid van het verbinden van een financiële voorwaarde aan een vrijstelling. De rechtbank verwijst in dit verband naar uitspraken van 4 augustus 1998, 27 september 2006 en 25 oktober 2006, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder (respectievelijk) LJ-Nummers AH6557, AY8923 en AZ0813. Deze uitspraken hebben betrekking op het verbinden van een financiële voorwaarde aan het verlenen van vrijstelling c.q. ontheffing van het vereiste in de bouwverordening dat een bouwplan moet voorzien in voldoende parkeerruimte. De Afdeling acht blijkens deze uitspraken het verbinden van een financiële bijdrage in de vorm van het storten van een bijdrage in een parkeerfonds aanvaardbaar, indien door voldoening aan de gestelde voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt geleverd aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning of vrijstelling berust en de verlening of vrijstelling in het algemeen belang tot het heffen van een geldbedrag noopt. Gelet daarop dient voldoende aannemelijk te zijn dat de financiële bijdrage ook daadwerkelijk zal worden aangewend om te voorzien in de parkeerbehoefte van het bouwplan. Tenslotte zal moeten blijken dat niet een andere, uit hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie te verlangen.

11.3 De rechtbank overweegt dat, zoals hiervoor onder 6. reeds is aangegeven, in het onderhavige geval geen sprake is van een bouwplan. Toetsing aan de in de bouwverordening neergelegde parkeervereisten is bij het verlenen van een gebruiksvrijstelling niet aan de orde. Dit neemt niet weg dat verweerder het parkeeraspect mocht betrekken bij de vraag of vrijstelling voor het gevraagde gebruik kon worden verleend. Verweerder diende immers in het kader van de door hem te maken belangenafweging te bezien welke planologische gevolgen het verlenen van vrijstelling zou hebben en daarbij aandacht te besteden aan de vraag of het gewijzigde gebruik leidt tot een toename van de parkeerdruk en in hoeverre daarvoor een oplossing voorhanden is. De rechtbank is voorts van oordeel dat het verbinden van een financiële voorwaarde aan een gebruiksvrijstelling om de toename van de parkeerdruk te ondervangen in algemene zin aanvaardbaar te achten is, mits deze direct bijdraagt aan de bescherming van de hiervoor omschreven planologische belangen van omwonenden.

11.4 De gestelde voorwaarde kan in dit geval de rechterlijke toets echter niet doorstaan. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder in het verweerschrift heeft toegelicht dat de van eiseres gevraagde bijdrage zal worden aangewend voor het aanleggen van (openbare) parkeerplaatsen in een parkeergarage op maximaal 750 meter van het pand aan de [adres]. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de nota “Bouwen en parkeren”. Daarin heeft verweerder beschreven in welke gevallen storting in het parkeerbijdragefonds aan de orde kan zijn en welke uitgangspunten daarbij worden gehanteerd. In de nota wordt onder meer aangegeven dat het parkeerbijdragefonds wordt ingesteld voor een gebied waarbinnen drie parkeergarages zullen worden gerealiseerd. De invloedssfeer van de parkeergarages is gesteld op maximaal 750 meter. Voorts wordt aangegeven dat de realisatiekosten van een parkeerplaats tussen de € 20.000,00 en € 30.000,00 bedragen. Verweerder heeft de te betalen vergoeding vastgesteld op € 15.000,00 en daarbij overwogen dat de aan te leggen parkeerplaatsen in de regel door meerdere parkeerders worden gebruikt en dat ook sprake zal zijn van opbrengsten uit parkeergelden (circa € 7.000,00).

De rechtbank acht het uitgangspunt dat de invloedssfeer van aan te leggen parkeergarages ongeveer 750 meter bedraagt in algemene zin redelijk en is van oordeel dat verweerder dit uitgangspunt in redelijkheid ook mag toepassen als het gaat om een vrijstelling voor een gebruikswijziging. Verweerder zal echter in concrete gevallen wel aannemelijk moeten maken dat de gevraagde financiële bijdrage ook daadwerkelijk zal worden aangewend om te voorzien in de parkeerbehoefte die het gevolg is van het bouwplan of de gebruikswijziging waarvoor vrijstelling is gevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarin in het onderhavige geval niet geslaagd. De enkele verwijzing naar de opmerking in de nota dat er op termijn een parkeergarage zal worden gerealiseerd op 750 meter afstand volstaat niet. Niet te verwachten is dat bezoekers van een (kleine) horecagelegenheid hun auto zullen parkeren op een afstand van 750 meter. De rechtbank acht dan ook niet aannemelijk dat de storting in het parkeerbijdragefonds direct van invloed zal zijn op de parkeerdruk in de omgeving van het pand aan de [adres]. Dit klemt temeer nu eiseres ter zitting onweersproken heeft gesteld dat er op een beduidend geringere afstand van het pand al een openbaar parkeerterrein is, waar doorgaans voldoende plaats is. In dit licht bezien kan ook de - niet nader onderbouwde - opmerking van verweerder in het verweerschrift dat in de gemeentelijke planning voor 2011 een parkeergarage is gepland op 120 meter afstand van het pand niet tot een ander oordeel leiden. Reeds om die reden is de rechtbank van oordeel dat verweerder de gestelde financiële voorwaarde niet aan de vrijstelling had mogen verbinden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de in de nota “Bouwen en parkeren” vastgestelde bijdrage op een onevenredig hoog bedrag is gesteld. Uitgaande van de gemiddelde realisatiekosten heeft verweerder bij het vaststellen van het bedrag onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat het om de aanleg van parkeerplaatsen voor algemeen gebruik gaat en dat de parkeerplaatsen opbrengsten uit parkeergelden genereren. De rechtbank acht verweerders beleid in zoverre niet redelijk en is dan ook van oordeel dat het beleid op dit punt buiten toepassing moet blijven. Dat in dit concrete geval een bijdrage van € 15.000,00 per parkeerplaats in redelijkheid kan worden gevraagd is door verweerder niet nader gemotiveerd. Ook heeft verweerder geen aandacht besteed aan de vraag of er een andere, voor eiseres minder bezwarende mogelijkheid is om een compensatie of een tegemoetkoming te verlangen. In zoverre ligt aan het bestreden besluit geen deugdelijke belangenafweging ten grondslag.

11.5 Daarbij komt dat het standpunt van verweerder dat de extra parkeerbehoefte in de omgeving van de galerie niet kan worden opgevangen, onvoldoende steun vindt in de gedingstukken. In een ambtelijk advies aan verweerder van 15 augustus 2006 is aangegeven dat er geen sprake is geweest van klachten over het parkeren, terwijl al een tijdlang horeca-activiteiten bij de galerie plaatsvinden, zodat gesteld kan worden dat de extra vraag in de buurt opgevangen kan worden. In dit advies wordt voorts aangegeven dat de verwachting is dat er een verschuiving van parkeerdruk naar andere delen in de buurt heeft plaatsgevonden. Uit de gedingstukken blijkt echter niet dat verweerder dit nog gericht heeft onderzocht. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat er wel onderzoek naar de parkeersituatie in de omgeving van de galerie is gedaan, maar een rapportage daarvan is niet in het geding gebracht. Nu ook in de zienswijzen slechts in algemene zin over de parkeerdruk wordt gerept en eiseres ter zitting onbetwist heeft gesteld dat er zich in de directe nabijheid van de galerie een openbaar parkeerterrein bevindt, waar doorgaans voldoende plaats is, acht de rechtbank het bestreden besluit in dit opzicht onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat verweerder bij de vaststelling van het aantal parkeerplaatsen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat ondergeschikte horeca op 50 m² al was toegestaan. Verweerder heeft dit ter zitting bevestigd en aangegeven dat het aantal in verband met de vrijstelling benodigde parkeerplaatsen bijgesteld dient te worden tot ongeveer 13. Ook in dit opzicht berust het bestreden besluit dus niet op een deugdelijke motivering.

11.6 De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de gestelde financiële voorwaarde niet aan de vrijstelling mocht verbinden. Bovendien heeft verweerder onvoldoende onderzocht of en gemotiveerd dat en in welke mate het gebruik waarvoor vrijstelling van het bestemmingsplan is gevraagd daadwerkelijk aanleiding geeft tot parkeerproblemen. De weigering om vrijstelling te verlenen is daarom genomen in strijd met de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12 van de Awb, zodat de rechtbank het bestreden besluit op die grond zal vernietigen en verweerder zal opdragen om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de aanvraag van eiseres. Het beroep is gegrond.

12. Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten heeft de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op

€ 644,00 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand Hierbij heeft de rechtbank zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op de aanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 285,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres redelijkerwijs gemaakte

proceskosten ten bedrage van € 644,00;

- wijst de gemeente Den Helder aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet

vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan op 2 juni 2008 door mr. M.A.J. Berkers, rechter, in tegenwoordigheid van S.L. Mercker, griffier.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.