Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BD3169

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
101069 / FA RK 08-239
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een sinds 2002 in Engeland wonende moeder vraagt om het gezamenlijk gezag over een bij haar verblijvend kind te wijzigen in eenhoofdig gezag. Het kind is geboren tijdens haar inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk, maar haar voormalige echtgenoot is niet de biologische vader van het kind. Zij heeft haar voormalige echtgenoot, sinds zij in 1992 naar Nederland is gevlucht, niet meer gezien. De reden voor het verzoek is dat zij bij de uitvoering van het gezamenlijk gezag tegen praktische problemen op loopt en dat communicatie onmogelijk is, omdat de moeder niet weet waar de vader woont. De moeder heeft uitdrukkelijk domicilie gekozen ten kantore van haar procureur in Den Helder. De moeder baseert de bevoegdheid van de rechtbank Alkmaar op artikel 12 lid 1 en lid 3 van de "Brussel II-bis Verordening"". De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de zaak. Dat oordeel is gebaseerd op het bepaalde in artikel 12 lid 1 onder b en lid 3 van voormelde Verordening. De in artikel 12 lid 1 onder b genoemde bepaling houdt in dat de bevoegdheid van het gerecht uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd. De in artikel 12 lid 3 genoemde bepaling houdt in dat het kind een nauwe band heeft met die lidstaat, met name omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft of omdat het kind onderdaan van die lidstaat is, en de bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

BB

zaak- en rekestnummer: 101069 / FA RK 08-239

datum: 16 april 2008

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[NAAM MOEDER],

wonende te Southall, Middlesex, Engeland,

uitdrukkelijk domicilie kiezende te Den Helder,

verzoekende partij,

procureur: mr. N.J.M. Plat,

tegen:

[NAAM VADER],

zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Nederland,

gerekwestreerde,

niet verschenen.

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de moeder en de vader.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 18 maart 2008 het verzoekschrift van de moeder ingekomen waarin wordt verzocht het gezamenlijk gezag over de minderjarige [NAAM], geboren in de gemeente 's-Gravenhage op [GEBOORTEDATUM] te wijzigen, in die zin dat de moeder zal worden belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige.

Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

De moeder legt aan het verzoek het volgende ten grondslag.

De (destijds arrondissements)rechtbank 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 1 september 1999 de echtscheiding uitgesproken tussen de moeder en de vader. Die beschikking is op 7 februari 2000 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De moeder is in 1992 naar Nederland gevlucht zonder de vader. Zij heeft de vader nadien niet meer gezien. Op 15 januari 1998 is in de gemeente 's-Gravenhage de minderjarige geboren. De vader is niet de biologische vader van de minderjarige. De heer [NAAM], met wie de moeder sinds 4 mei 1997 is gehuwd naar de tradities van de Islam, is de verwekker van de minderjarige. Sinds eind 2002 wonen zij in Engeland. De vader heeft geen "family life" met de minderjarige (gehad). Hij kent haar niet en heeft haar nog nooit gezien of gesproken. Omdat de minderjarige tijdens het huwelijk van partijen is geboren, hebben partijen het gezamenlijk gezag. De moeder wenst dit te wijzigen in het eenhoofdig gezag. Zij loopt bij de uitvoering van het gezamenlijk gezag tegen praktische problemen op. Zo lukt het de moeder niet om zonder toestemming van de vader het paspoort van de minderjarige te verlengen. De gemeente heeft aangegeven de schriftelijke toestemming van beide ouders nodig te hebben. Communicatie tussen partijen is echter onmogelijk, omdat de moeder niet weet waar de vader woont. Het is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd verandering komt. Partijen zijn derhalve niet in staat aan het gezamenlijk gezag een invulling te geven die niet belastend is voor de minderjarige, zodat het verzoek dient te worden toegewezen.

De moeder en de minderjarige wonen sinds 2002 in Engeland en zij hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. De moeder kiest voor het voeren van de onderhavige procedure uitdrukkelijk domicilie in Nederland ten kantore van haar procureur te Den Helder. De moeder is van mening dat de rechtbank Alkmaar bevoegd is van het onderhavige verzoek kennis te nemen op grond van het bepaalde in artikel 12 lid 1 en 3 van de "Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000" (verder: Brussel II-bis Verordening) en wel om de volgende redenen:

- de Nederlandse rechter heeft de echtscheiding uitgesproken;

- de moeder draagt de ouderlijke verantwoordelijkheid voor de minderjarige;

- de minderjarige heeft de Nederlandse nationaliteit;

- de minderjarige heeft tot haar 4e levensjaar in Nederland gewoond en een nauwe band met Nederland;

- het paspoort van de minderjarige moet in Nederland, althans bij het Nederlandse consulaat in Engeland, worden verlengd;

- de bevoegdheid door het belang van de minderjarige wordt gerechtvaardigd;

- de moeder heeft de bevoegdheid van de rechtbank Alkmaar uitdrukkelijk aanvaard.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 8 lid 1 van de Brussel II-bis Verordening bepaalt dat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Lid 2 van artikel 8 houdt in dat het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12.

De moeder beroept zich met betrekking tot de bevoegdheid van deze rechtbank op artikel 12 lid 1 en 3 van de Brussel II-bis Verordening.

Anders dan de moeder betoogt, is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan hetgeen in artikel 12 lid 1 onder b van de Brussel II-bis Verordening is bepaald, te weten dat de bevoegdheid van deze gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd. Immers de vader heeft noch uitdrukkelijk noch op enige andere ondubbelzinnige wijze de bevoegdheid van deze rechtbank aanvaard.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eveneens niet is voldaan aan hetgeen is bepaald in artikel 12 lid 3 van de Brussel II-bis Verordening. De minderjarige heeft weliswaar de Nederlandse nationaliteit, maar daarmee staat nog (in het geheel) niet vast dat de minderjarige een nauwe band heeft met Nederland. Evenmin is de bevoegdheid van deze rechtbank op het tijdstip waarop de zaak aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze, aanvaard door alle partijen bij de procedure.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat zij niet bevoegd is van het onderhavige verzoek kennis te nemen.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart zich onbevoegd van de zaak kennis te nemen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. van Weely, lid van gemelde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.