Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BD2823

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
234929 CV EXPL 07-642
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag tijdens proeftijd niet onrechtmatig en geen sprake van strijd met goed werkgeverschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0345
Prg. 2008, 115

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Den Helder

Zaaknr/rolnr.: 234929 \ CV EXPL 07-642 WG

Uitspraakdatum: 8 mei 2008

Vonnis in de zaak van:

[eiseres] te Den Helder

eisende partij

verder ook te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. T. van Leeuwen-Brinks, werkzaam ten kantore van DAS Rechtsbijstand te Amsterdam

tegen

de stichting Stichting Facilitaire Onderwijs Ondersteuning te Den Helder

gedaagde partij

verder ook te noemen: FOO

gemachtigde: mr. M.E. Frank-Kleijne, advocaat te Den Helder.

Het verdere procesverloop

In deze zaak is op 7 februari 2008 een tussenvonnis uitgesproken.

Naar aanleiding van dit tussenvonnis heeft FOO een akte genomen, waarna [eiseres] een antwoordakte heeft genomen.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden wederom uitspraak bepaald.

Naar aanleiding van het tussenvonnis

1. In deze zaak heeft de kantonrechter op 7 februari 2008 een tussenvonnis gewezen waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd.

2. In deze zaak gaat het - kort gezegd - om het volgende. [eiseres] is van mening dat FOO haar ten onrechte binnen de proeftijd heeft ontslagen. FOO heeft haar, aldus [eiseres], te werk gesteld in een andere functie dan de functie waarop zij had gesolliciteerd en waarin - naar zij mocht aannemen - ook was aangenomen. De kantonrechter verwijst naar hetgeen in het tussenvonnis is overwogen onder de punten 6 t/m 8.

3. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter vervolgens in de eerste plaats overwogen dat het er voorshands voor moet worden gehouden dat [eiseres] niet is aangesteld als instructeur welzijn, maar als instructeur (in algemene zin) bij de studierichting Facilitaire Dienstverlening. Vervolgens heeft de kantonrechter FOO in de gelegenheid gesteld om nader aan te geven waarom in dit geval geen sprake is van twee verschillende functies.

4. Naar aanleiding van hetgeen namens FOO in haar akte na tussenvonnis naar voren is gebracht ziet de kantonrechter aanleiding zijn tussenvonnis als volgt te wijzigen.

5. De kantonrechter zal bij zijn verdere beoordeling als vaststaand aannemen dat een instructeur welzijn werkzaam kan zijn binnen drie opleidingen. Het gaat dan om de Opleiding Helpende Welzijn (HW) niveau 2, de Opleiding Sociaal Pedagogisch Werker (SPW 3) niveau 3 en de Opleiding Sociaal pedagogisch Werker (SPW 4) niveau 4. Blijkens de akte na tussenvonnis van FOO vallen de laatste twee genoemde opleidingen binnen de Afdeling Welzijn. De opleiding HW valt met de Opleiding Facilitair Medewerker niveau 2 onder de Afdeling Dienstverlening. Blijkens de akte na tussenvonnis van FOO d.d. 6 maart 2008 vallen beide Afdelingen onder de Studierichting Welzijn.

6. Vast staat verder - de kantonrechter verwijst naar de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst - dat FOO [eiseres] heeft aangenomen in de functie van instructeur, maar de kantonrechter gaat er thans vanuit dat zij als instructeur welzijn werkzaam zou zijn binnen de opleiding HW niveau 2, derhalve een opleiding binnen de Studierichting Welzijn, Afdeling Dienstverlening.

7. De kantonrechter zal dan ook in het hiernavolgende - anders dan in zijn tussenvonnis onder punt 11 en 12 - ervan uit gaan dat [eiseres] in dezelfde functie bij FOO is aangesteld als waarop zij heeft gesolliciteerd.

Het geschil

8. In de onderhavige procedure ligt de vraag voor of het aan [eiseres] gegeven proeftijdontslag in strijd is met de eisen van goed werkgeverschap en/of de redelijkheid en billijkheid. [eiseres] vordert dientengevolge een schadevergoeding van € 10.454,68 bruto.

De standpunten van partijen

9. [eiseres] heeft - in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen - aangevoerd dat zij ervan heeft mogen uitgaan dat zij als instructeur welzijn werkzaamheden zou gaan verrichten op niveau 3 en 4, derhalve binnen de Afdeling Welzijn. Zonder overleg is haar vervolgens medegedeeld dat zij zou worden geplaatst binnen de Afdeling Dienstverlening op niveau 2. [eiseres] is van mening dat zij dienaangaande voor een voldongen feit werd geplaatst, omdat zij op het moment dat zij hiervan in kennis werd gesteld haar toenmalige baan met een vast dienstverband reeds op verzoek van FOO had opgezegd. [eiseres] heeft gesteld dat de werkzaamheden op niveau 2 wezenlijk anders zijn dan op het niveau 3 en 4. De opleidingen verschillen niet alleen in niveau maar ook qua inhoud. Binnen de Afdeling Dienstverlening gaat het om onder meer logistieke taken, taken binnen de voedingsdienst en het onderhouden van het gebouw, terwijl op niveau 3 en 4 het accent van de opleiding ligt op het begeleiden, verzorgen en ondersteunen van mensen. Dit laatste sluit aan op haar ervaring en opleiding. Met de studie-inhoud van een opleiding op niveau 2 heeft zij geen raakvlakken. Uiteindelijk heeft [eiseres] zich ziek moeten melden, ook omdat zij bij aanvang van haar werkzaamheden geen ondersteuning kreeg. Kort daarna heeft FOO eenzijdig besloten om tot ontslag over te gaan binnen de proeftijd.

10. FOO is van mening dat haar geen slecht werkgeverschap kan worden verweten. FOO heeft daartoe in de eerste plaats gesteld dat aan [eiseres] tijdens de sollicitatieprocedure uitdrukkelijk is aangegeven dat de functie waarop zij solliciteerde, breed inzetbaar is binnen FOO en niet is gerelateerd aan een afdeling. Namens FOO is aangevoerd dat aan [eiseres] niet is toegezegd dat zij zou worden te werk gesteld op niveau 3 en 4. Weliswaar is door de heer C. Opleidingsmanager van de Afdeling Welzijn, lid van de benoemingsadviescommissie, aangegeven dat hij verwachtte dat [eiseres] zou komen te werken binnen de Afdeling Welzijn (dus op niveau 3 en 4), maar tijdens de sollicitatieprocedure is uitdrukkelijk de mogelijkheid opengehouden dat [eiseres] ook binnen de Afdeling Dienstverlening zou kunnen worden geplaatst omdat daar ook vacatures bestonden. Toen aan [eiseres] werd medegedeeld dat zij op niveau 2 werkzaam zou zijn heeft zij haar teleurstelling geuit bij zowel de Opleidingsmanager van de Afdeling Dienstverlening, [mevrouw M.], en aan de Directeur Onderwijs, [mevrouw E.]. Beide hebben toen met [eiseres] een gesprek gehad naar aanleiding waarvan [eiseres] uiteindelijk toch ermee heeft ingestemd om op niveau 2 aan de slag te gaan en vervolgens is met haar een inwerktraject afgesproken waarbij zij zelf te kennen heeft gegeven direct zelfstandig voor de klas te willen gaan staan. [eiseres] heeft maar in totaal 5 dagen voor FOO gewerkt. Daarna heeft zij zich ziek gemeld en aangegeven absoluut niet meer verder te willen werken voor FOO. Deze heftige reactie kwam voor FOO zeer onverwachts. Indien [eiseres] problemen had met haar begeleiding dan had zij, aldus FOO, haar leidinggevende daarop moeten aanspreken waarna nadere afspraken gemaakt hadden kunnen worden. [eiseres] heeft dit niet gedaan, maar zij heeft na zich ziek gemeld te hebben voorgesteld om een einde te maken aan het dienstverband. FOO heeft hierin bewilligd. FOO betwist dan ook dat zij eenzijdig tot ontslag heeft besloten.

De verdere beoordeling van het geschil

11. Onder bepaalde omstandigheden kan een ontslag van een werknemer in de proeftijd in strijd zijn met goed werkgeverschap en/of een onrechtmatige daad opleveren (HR 10 november 2000, JAR 2000/249). In dit verband acht de kantonrechter het volgende van belang.

12. Ten aanzien van de stelling van [eiseres] dat zij ervan heeft mogen uitgaan dat zij in aanmerking zou komen voor de functie van instructeur welzijn op niveau 3 en 4 overweegt de kantonrechter het volgende. De kantonrechter acht aannemelijk - gelijk hij ook reeds in zijn tussenvonnis onder punt 7 heeft overwogen - dat tijdens de sollicitatieprocedure het accent heeft gelegen op de werkzaamheden van een instructeur welzijn binnen de Afdeling Welzijn op niveau 3 en 4, en niet op de werkzaamheden van een instructeur welzijn werkzaam binnen de Afdeling Dienstverlening op niveau 2. Vóór en tijdens de sollicitatieprocedure heeft [eiseres] ook gesproken met [de heer C.], die binnen FOO werkzaam is als Opleidingsmanager bij de Afdeling Welzijn en naar namens FOO is erkend heeft [de heer C.] zelf ook aangegeven dat hij verwachtte dat [eiseres] zou worden aangesteld op de Afdeling Welzijn (conclusie van antwoord onder punt 13) en derhalve op niveau 3 en 4. Gelet op een en ander acht de kantonrechter wel begrijpelijk dat bij [eiseres] de veronderstelling heeft postgevat dat zij bij FOO in beeld was voor de functie van instructeur welzijn op niveau 3 en 4, maar van een duidelijke en ondubbelzinnige toezegging in die richting is geen sprake geweest.

13. Uit de stellingname van [eiseres] volgt dat zij van mening is dat - ook al is geen sprake geweest van een rechtens te honoreren toezegging - FOO haar desondanks niet zomaar had mogen plaatsen op niveau 2 omdat de werkzaamheden van een instructeur welzijn binnen de Afdeling Welzijn wezenlijk verschillen met die van een instructeur welzijn binnen de Afdeling Dienstverlening.

14. FOO heeft evenwel bij akte na tussenvonnis gesteld dat de instructeur welzijn dezelfde vaardigheden moet oefenen met de cursist. De uiteindelijke werkzaamheden zijn, aldus FOO, hetzelfde, maar zijn gericht op een ander niveau van de cursist. De vaardigheden op niveau 3 en 4 zijn een verdieping op de vaardigheden op niveau 2. Namens FOO is dit ook bij akte na comparitie nader toegelicht, daar waar door FOO onder punt 7 een overzicht is gegeven van de werkzaamheden van een instructeur welzijn onderverdeeld naar de verschillende niveaus.

15. Uitgaande van voornoemd overzicht - de kantonrechter heeft onvoldoende reden om eraan te twijfelen dat FOO niet een juiste voorstelling van zaken heeft gegeven - vermag de kantonrechter niet in te zien dat de werkzaamheden van een instructeur welzijn per niveau zodanig van elkaar verschillen dat FOO, gegeven het bij [eiseres] levende verwachtingspatroon, niet van haar had kunnen en mogen verwachten dat zij als instructeur welzijn werkzaamheden zou gaan verrichten op niveau 2. Namens [eiseres] is betoogd dat de inhoud van de opleiding binnen de Afdeling Welzijn verschillend is van die binnen de Afdeling Dienstverlening omdat het in een opleiding op niveau 2 gaat om onder meer logistieke taken, taken binnen de voedingsdienst en het onderhouden van het gebouw, terwijl op niveau 3 en 4 het accent ligt op het begeleiden, verzorgen en ondersteunen van mensen, doch dit verschil in studie-inhoud brengt nog niet zonder meer mee dat ook de werkzaamheden van een instructeur welzijn binnen die afdelingen wezenlijk van elkaar verschillen. Door of namens [eiseres] is dit laatste niet althans onvoldoende gemotiveerd of uitgewerkt hetgeen tegenover de gespecificeerde toelichting van FOO wel op de weg van [eiseres] had gelegen.

16. Aan [eiseres] kan worden toegegeven dat het moment waarop zij te horen kreeg dat zij op niveau 2 werkzaam zou zijn - en niet zoals zij verwachtte op niveau 3 en 4 - ongelukkig is geweest, namelijk op een moment dat zij op verzoek van FOO reeds haar toenmalige baan had opgezegd zodat zij zich in feite niet meer kon beraden over de vraag of zij desondanks onder die voor haar gewijzigde omstandigheden nog wel bij FOO in dienst wilde treden, maar hieraan komt - gegeven het hiernavolgende en in aanmerking nemende dat het FOO als werkgever binnen redelijke grenzen vrijstaat om haar organisatie naar eigen goeddunken in te richten - geen doorslaggevend gewicht toe.

17. De kantonrechter neemt als vaststaand aan dat [eiseres] op 3 oktober 2007 is medegedeeld dat zij zou worden geplaatst binnen de Afdeling Dienstverlening bij de opleiding HW waarna zij richting FOO haar ontstemming heeft geuit over de gang van zaken (verwezen wordt naar productie 4 bij de inleidende dagvaarding). Namens FOO is vervolgens door eerdergenoemde [mevrouw M.] en [mevrouw E.] uitgebreid met [eiseres] gesproken waarna [eiseres] zich - in ieder geval op dat moment - ook over haar teleurstelling heeft heen gezet. [eiseres] heeft immers haar werkzaamheden aangevangen zij het dat de begeleiding daarbij naar haar zeggen ernstig tekortschoot hetgeen overigens door FOO uitdrukkelijk is betwist.

18. Wat daarvan verder ook zij, als vaststaand kan worden aangenomen dat vrijwel direct daarna de verstandhouding tussen partijen is verslechterd. [eiseres] meldde zich reeds na enkele dagen ziek en FOO verloor door de heftige reactie van [eiseres] op haar plaatsing het vertrouwen in een goede afloop.

19. Onder die omstandigheden kan het ontslag binnen de proeftijd niet onrechtmatig worden geacht. Niet kan immers worden staande gehouden dat FOO met het gegeven ontslag is getreden buiten het doel van de overeengekomen proeftijd, namelijk het kunnen beoordelen of [eiseres] qua capaciteit en/of karakter geschikt was voor de door haar uit te oefenen functie.

20. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ontbeert de onderhavige vordering een voldoende feitelijke grondslag zodat deze niet voor toewijzing in aanmerking komt.

21. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiseres] in de proceskosten veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die tot heden voor FOO worden vastgesteld op een bedrag van € 900,00 voor salaris van de gemachtigde van FOO, waarover [eiseres] geen btw verschuldigd is.

Dit vonnis is gewezen door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 8 mei 2008 in het openbaar uitgesproken.