Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BD2801

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
253374 CV EXPL 07-3991
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stichting Leekerweide (eiser in incident) vordert dat de Cliëntenraad niet zelfstandig had mogen worden gedagvaard omdat zij een orgaan van de Stichting Leekerweide is en bovendien geen natuurlijk persoon. 'De kantonrechter is (..) van oordeel, met name gelet op de wettelijke taak van de cliëntenraad, dat een cliëntenraad is te vergelijken met een ondernemingsraad die soms tegenstrijdige belangen kan hebben aan (het bestuur van) de zorginstelling (..) Deze taak kan die cliëntenraad alleen naar behoren uitoefenen indien hij de mogelijkheid heeft om zelfstandig, los van de zorgaanbieder (..), in rechte op te treden.' Verwijzing naar HR 6 april 2001 (NJ 2001,325)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0346
ROR 2008, 6

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Hoorn

Zaaknr/rolnr.: 253374 \ CV EXPL 07-3991 (H.K.)

Uitspraakdatum: 14 april 2008

Incidenteel vonnis in de zaak van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid FAMILIEVERENIGING LEEKERWEIDE, gevestigd te Wognum, gemeente Medemblik

eisende partij in de hoofdzaak / gedaagde partij in het incident

verder ook te noemen: de Familievereniging

gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin, advocaat te Utrecht

tegen

1. de stichting STICHTING LEEKERWEIDE,

gevestigd te Wognum, gemeente Medemblik

2. de CLIËNTENRAAD VAN STICHTING LEEKERWEIDE,

gevestigd te Wognum, gemeente Medemblik

gedaagde partijen in de hoofdzaak / eisende partijen in het incident

verder ook te noemen: de Stichting c.s., dan wel de Stichting en/of de Cliëntenraad

gemachtigde: mr. F. Hoppe, advocaat te Alkmaar.

1. Het verwijzingsvonnis

In deze zaak is op 21 november 2007 door de civiele sector van deze rechtbank een vonnis uitgesproken op een opgeworpen incident met betrekking tot absolute onbevoegdheid van de sector civiel van de rechtbank. De sector civiel heeft zich onbevoegd verklaard en de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar de sector kanton, locatie Hoorn.

2. Het verdere procesverloop

Na verwijzing van de zaak van de sector civiel naar de sector kanton dient thans te worden beslist op het eveneens opgeworpen incident tot niet-ontvankelijkheid van de Familievereniging in haar vordering tegen de Cliëntenraad.

Hiertoe is de zaak naar de onderhavige rolzitting verwezen.

3. Het incident

3.1 De Stichting c.s. heeft in het incident aangevoerd dat de Familievereniging niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering voor zover deze in gericht tegen de Cliëntenraad.

3.2 Aan deze incidentele vordering is, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat de Cliëntenraad niet gedagvaard had kunnen worden:

primair omdat de Cliëntenraad een orgaan van de Stichting is en in die hoedanigheid niet gedagvaard kan worden, terwijl uit de dagvaarding overigens niet blijkt in welke

hoedanigheid zij in rechte is betrokken en

subsidiair omdat de Cliëntenraad geen natuurlijk persoon is.

3.3 De Familievereniging heeft zich verweerd ten aanzien van de incidentele vordering en acht zich wel ontvankelijk in haar vordering tegen de Cliëntenraad.

Zij stelt hiertoe, zakelijk weergegeven, dat de Cliëntenraad kan worden vergeleken met een ondernemingsraad, die ook geen orgaan is van de onderneming, omdat beide andere belangen hebben. Cliëntenraad en zorgaanbieder kunnen op dezelfde wijze tegenover elkaar worden gezet, zoals ook blijkt de Wet Medezeggenschap Cliënten Zorginstellingen (WMCZ).

4. De beoordeling

In het incident:

4.1 De Familievereniging heeft in de hoofdzaak gevorderd, kort gezegd, dat de rechter:

a. de Samenwerkingsovereenkomst 2006 tussen de Stichting en de Cliëntenraad zal

vernietigen, met als gevolg dat de Samenwerkingsovereenkomst 2003 nog steeds van kracht is en

b. de Cliëntenraad zal opdragen (binnen 3 maanden) op grond van de Samenwerkings-overeenkomst 2003 een verkiezing van nieuwe cliëntenraadsleden uit te schrijven.

De Familievereniging legt hieraan, zakelijk samengevat, ten grondslag:

- dat de Stichting niet voldoet aan de verplichting op grond van het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van de WMCZ, omdat de thans door de Stichting ingestelde Cliëntenraad niet representatief geacht kan worden en daarom niet in staat is de belangen van de cliënten adequaat te behartigen en bovendien

- dat de Cliëntenraad, die met de Stichting de Samenwerkingsovereenkomst 2006 heeft gesloten, in ieder geval niet een voltallige cliëntenraad is als bedoeld in de toen nog geldende Samenwerkingsovereenkomst 2003.

4.2 De Stichting c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering in hoofdzaak en in het incident aangevoerd dat de Cliëntenraad niet zelfstandig had mogen worden gedagvaard, omdat zij een orgaan van de Stichting is en in die hoedanigheid niet gedagvaard had kunnen worden en bovendien geen natuurlijk persoon is.

4.3 Art. 2 lid 1 van de WMCZ bepaalt dat er voor elke zorginstelling een cliëntenraad is die binnen het kader van de doelstellingen van die instelling de gemeenschappelijke belangen van de cliënten regelt. Een cliëntenraad heeft op grond van voormelde wet invloed op de gang van zaken in de instelling.

Art. 3 WMCZ bepaalt in dit verband dat de zorgaanbieder de cliëntenraad in ieder geval in de gelegenheid stelt advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit dat de instelling betreft inzake de in artikel genoemde aangelegenheden.

Art. 4 WMCZ bepaalt dat de zorgaanbieder geen van een schriftelijk door de cliëntenraad uitgebracht advies afwijkend besluit neemt dan nadat daarover, voor zover dat redelijkerwijze mogelijk is, ten minste eenmaal met de cliëntenraad is overleg gepleegd.

De kantonrechter is met de Familievereniging van oordeel, met name gelet op de wettelijke taak van de cliëntenraad, dat een cliëntenraad is te vergelijken met een ondernemingsraad die soms tegenstrijdige belangen kan hebben aan (het bestuur van) de zorginstelling.

Immers, in een cliëntenraad praten en denken cliënten mee over alle onderwerpen die voor hen belangrijk zijn. In dat verband worden in art. 2 van de WMCZ voorwaarden genoemd

- waaronder het beschikken over materiële middelen, de regeling met betrekking tot een goede representativiteit en het schriftelijk regelen van de eigen werkwijze - om te bereiken dat de cliëntenraad zijn taak zo goed mogelijk kan uitoefenen.

Deze taak kan de cliëntenraad alleen naar behoren uitoefenen indien hij de mogelijkheid heeft om zelfstandig, los van de zorgaanbieder met wie hij soms tegenstrijdige belangen heeft, in rechte op te treden.

Art. 11.1 van de "Samenwerkingsovereenkomst cliëntenraad en stichting Leekerweide" (2006) gaat hier overigens ook vanuit. In dit artikel is bepaald dat de cliëntenraad en iedere cliënt van de stichting Leekerweide de kantonrechter van de woonplaats van zorgaanbieder schriftelijk kan verzoeken de zorgaanbieder te bevelen de artikelen 2, 5, tweede lid, 7, 8, en 10, eerste lid van de WMCZ na te leven. Overigens verschilt deze bepaling niet van een soortgelijke bepaling die was opgenomen in de Samenwerkingsovereenkomst van 2003.

Dit artikel in de Samenwerkingsovereenkomst is een uitvloeisel van art. 2, lid 4 van de WMCZ, waarin is bepaald dat de cliëntenraad schriftelijk zijn werkwijze regelt met inbegrip van zijn vertegenwoordiging in en buiten rechte.

4.4 Naar het oordeel van de kantonrechter brengt de bepaling van art. 11.1 van de Samenwerkingsovereenkomst met zich mee, dat de Cliëntenraad niet alleen zelf als eisende of verzoekende partij in rechte kan optreden, maar dat hij ook zelfstandig als gedaagde of verweerder in rechte kan worden betrokken. De consequentie zou anders zijn, dat de cliëntenraad in een procedure die door de zorgaanbieder wordt aangespannen ook geen reconventionele vordering zou kunnen indienen.

de Familievereniging is derhalve ontvankelijk in haar vordering tegen de Cliëntenraad.

Dat in dit geval de Cliëntenraad naast de Stichting als gedaagde is gedagvaard, maakt dit oordeel niet anders, evenals de omstandigheid dat de Familievereniging niet expliciet heeft aangegeven in welke hoedanigheid de Cliëntenraad is gedagvaard.

4.5 Ook voor wat betreft de subsidiaire stelling van de stichting c.s. - een cliëntenraad is geen natuurlijk persoon - is de kantonrechter van oordeel dat de Familievereniging de Cliëntenraad in rechte heeft kunnen betrekken.

Art. 2, lid 4 van de WMCZ bepaalt dat de cliëntenraad schriftelijk zijn werkwijze regelt met inbegrip van zijn vertegenwoordiging in en buiten rechte. Ter uitvoering hiervan heeft de Cliëntenraad in voormelde Samenwerkingsovereenkomst (2006) bepaalt dat de cliëntenraad zelfstandig de kantonrechter kan benaderen en daarmee zelfstandig - ook als gedaagde of verwerende partij - in rechte kan optreden.

De kantonrechter overweegt in dit verband nog dat ook de Hoge Raad in zijn arrest van 6 april 2001 (NJ 2001, 325) er kennelijk geen punt van heeft gemaakt dat een cliëntenraad (de Cliëntenraad van Kinder- en Jeugdpsychiatrisch Ziekenhuis De Drie Vennen) als procespartij is opgetreden.

4.6 De uitspraak over de proceskosten van dit incident zal worden aangehouden tot de uitspraak daarover in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak:

4.7 Met betrekking tot verscheidene aspecten van deze zaak bestaat behoefte aan nadere inlichtingen. Daarom zal een zitting worden gehouden om partijen zelf te horen. Op deze zitting zal tevens worden getracht een minnelijke schikking tot stand te brengen, voor zover de zaak daar vatbaar voor lijkt.

4.8 Partijen dienen uiterlijk zeven dagen vóór de (nader te bepalen) zittingsdatum alle bescheiden aan de kantonrechter en de wederpartij te zenden, die voor de zaak van belang (kunnen) zijn en in deze procedure nog niet zijn overgelegd.

4.9 Partijen of hun gemachtigden kunnen op deze terechtzitting hun standpunten tevens nader toelichten (eventueel aan de hand van een pleitnota).

4.10 Wellicht ten overvloede wordt er op gewezen, dat in het nadeel kan worden beslist van diegene, die zonder gegronde reden niet op deze zitting verschijnt.

4.11 De zaak wordt eerst verwezen naar na te melden rolzitting voor opgave verhinderdata van beide partijen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

In het incident:

Verklaart de Familievereniging ontvankelijk in haar vordering voor zover deze is gericht tegen de Cliëntenraad.

Houdt de uitspraak over de proceskosten aan tot de uitspraak daarover in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak:

Bepaalt, dat een comparitie van partijen zal worden gehouden in het gerechtsgebouw aan de Grote Oost 53 te Hoorn met de hiervoor genoemde doeleinden, waarbij partijen in persoon, dan wel rechtsgeldig vertegenwoordigd en vergezeld van hun (eventuele) raadslieden, aanwezig dienen te zijn.

Verzoekt partijen vóór de rolzitting van maandag 19 mei 2008 hun verhinderdata in de komende drie maanden op te geven. Daarna zullen dag en uur van de zitting worden bepaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van de Sande, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 14 april 2008 in het openbaar uitgesproken.