Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BD2664

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
78793 - HA ZA 05-162
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beschadiging waterleiding - aansprakelijkheid onderaannemer - onderzoeksplicht aannemer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

AM/JFA

zaaknummer / rolnummer: 78793 / HA ZA 05-162

datum: 14 mei 2008

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STAM EN CO. KOMMUNIKATIESYSTEMEN B.V.,

gevestigd te Heerhugowaard,

eiseres bij dagvaarding van 31 januari 2005,

procureur mr. A.W.J. Castelijns,

advocaat mr. M. de Haan te 's Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WELVREUGD DRILLING B.V.,

gevestigd te Maasland, gemeente Midden-Delfland,

gedaagde,

procureur mr. A.W.J. Castelijns,

advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te 's Gravenhage.

Partijen zullen hierna Stam en Welvreugd genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 december 2007.

- het proces-verbaal van comparitie van 25 maart 2008, en de daaraan voorafgaand toegezonden overeenkomst van 28 januari 1998. Per abuis is in het proces-verbaal onvermeld gebleven dat deze overeenkomst bij die gelegenheid in het geding is gebracht.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. Stam baseert haar in het tussenvonnis weergegeven eis op de stelling dat Welvreugd wanprestatie heeft gepleegd, omdat sprake is van wanprestatie dan wel een onrechtmatige daad van de onderaannemer van Welvreugd, Rijnberg Wegenbouw B.V. (hierna te noemen Rijnberg). Daarnaast betoogt Stam dat Welvreugd naast haar op grond van 6:171 BW aansprakelijk is jegens Eneco omdat Rijnberg op grond van 6:162 BW aansprakelijk is jegens Eneco. Stam heeft de schade van Eneco vergoed, en in de onderhavige procedure dient de onderlinge draagplicht op grond van artikel 6:102 jo. 6:101 BW te worden vastgesteld. Naar de overtuiging van Stam dient Welvreugd de schade volledig te vergoeden.

2.2. Stam betoogt dat de wanprestatie van Rijnberg bestaat in het feit dat bij de gestuurde boring op 17 september 1999 door Rijnberg een waterleiding van Eneco is geraakt en dat daardoor schade is ontstaan. Rijnberg heeft artikel 11 van de overeenkomst van 28 januari 1998 (hierna te noemen de overeenkomst) geschonden: Rijnberg heeft zich niet c.q. onvoldoende vergewist van de aanwezigheid van kabels en leidingen en/of onvoldoende voorzorgsmaatregelen getroffen teneinde beschadigingen te voorkomen.

Stam betoogt dat Rijnberg voordat zij ging boren, aan de hand van de door Stam aan haar verstrekte tekening, een leiding heeft gelokaliseerd, waarvan zij dacht dat dit de op de tekening aangegeven waterleiding was. Deze leiding was echter een persrioolleiding die lag op de plaats van de waterleiding. De waterleiding lag in werkelijkheid op een andere plaats, en is vervolgens bij de boring geraakt. Rijnberg heeft ten onrechte een waterleiding niet gelokaliseerd c.q. een persriool aangezien voor een waterleiding.

Stam voert aan dat Welvreugd in haar conclusie van antwoord onder 5 de fout van Rijnberg heeft erkend. Aan haar vordering op basis van onrechtmatige daad legt Stam dezelfde feiten ten grondslag.

2.3. Welvreugd heeft betwist dat zij heeft erkend dat Rijnberg een fout heeft gemaakt. Welvreugd betwist verder dat Rijnberg bovengenoemde - in artikel 11 van de overeenkomst beschreven - verplichting niet zou zijn nagekomen.

Welvreugd voert aan dat de schade is ontstaan als gevolg van een ondeugdelijke KLIC-melding. Naar aanleiding van een KLIC-melding verkrijgt de melder van kabel- en leidingbeheerders informatie omtrent kabels of leidingen in het relevante gebied. De KLIC-melding is in het onderhavige geval gedaan door Stam, zodat Stam een fout heeft gemaakt en niet Rijnberg.

3. De verdere beoordeling

3.1. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat hetgeen Welvreugd in haar conclusie van antwoord onder 5 betoogt niet gezien kan worden als een erkenning van een fout van Rijnberg, zoals Stam aanvoert. Hetgeen Welvreugd daar stelt moet gelezen worden in het grotere verband van de gehele conclusie van antwoord en kan tegen die achtergrond niet anders worden begrepen dan dat Welvreugd stelt dat sprake is geweest van een directe overeenkomst tussen Stam en Rijnberg en dat áls er al sprake is geweest van een fout van Rijnberg, Stam haar claim bij Rijnberg moet indienen.

3.2. Gelet op hetgeen partijen over en weer aanvoeren moet in deze procedure de vraag worden beantwoord of Rijnberg bij de uitvoering van de werkzaamheden in Amstelveen op 17 september 1999 toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank komt op basis van hetgeen door partijen is aangevoerd en ter comparitie is besproken tot het oordeel dat dat niet het geval is geweest. Daartoe is het volgende redengevend.

3.3. In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat Welvreugd geen beroep op verjaring toekomt. Vervolgens is een comparitie van partijen gelast teneinde een nadere toelichting te verkrijgen omtrent de tussen Stam en Welvreugd gemaakte afspraken in het kader van de overeenkomst van onderaanneming met betrekking tot het uitvoeren van de gestuurde boring in Amstelveen op 17 september 1999.

3.4. De overeenkomst die ter comparitie in het geding is gebracht ziet op een project in Rotterdam. Stam betoogt dat deze overeenkomst identiek is aan de afspraken die partijen gewoonlijk met elkaar maakten en daarom ook in het onderhavige geval zou moeten gelden. Welvreugd heeft dit betwist en betoogd dat in het onderhavige geval sprake is geweest van een mondelinge overeenkomst.

3.5. De rechtbank oordeelt dat, nu Stam geen schriftelijke overeenkomst in het geding heeft gebracht die ziet op de onderhavige werkzaamheden en overigens geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die afdoen aan het standpunt van Welvreugd dat sprake was van een mondelinge overeenkomst, in het onderhavige geval uitgegaan moet worden van mondelinge afspraken tussen partijen en niet kan worden geconcludeerd dat de bepalingen zoals neergelegd in de overeenkomst tussen partijen zijn overeengekomen.

3.6. In het licht van het voorgaande kan het beroep van Stam op artikel 11 van de overeenkomst haar niet baten. Echter, ook zonder een dergelijke schriftelijke afspraak, mag van een bedrijf dat wordt ingeschakeld voor een gestuurde boring worden verwacht dat zij zich tevoren vergewist van de juiste ligging van de zich (mogelijkerwijs) in de bodem bevindende kabels en leidingen.

3.7. Ter comparitie is door Stam verklaard dat zij voor de gestuurde boring op 17 september 1999 de KLIC-melding heeft verzorgd en de verkregen informatie vervolgens aan Rijnberg heeft verstrekt.

Ter comparitie is verder door Stam verklaard dat de KLIC-melding in het onderhavige geval niet compleet was. Er was uitsluitend een tekening van een waterleiding ontvangen, toegestuurd door Eneco. De tekening van het persriool had verstrekt moeten worden door de gemeente.

3.8. Naar het oordeel van de rechtbank mocht Rijnberg vertrouwen op het door Stam verrichte onderzoek en op de juistheid en volledigheid van de door Stam aan haar verstrekte gegevens. Stam heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel moeten leiden. Niet aannemelijk is geworden dat Rijnberg zich niet van tevoren heeft vergewist van de juiste ligging van de zich (mogelijkerwijs) in de bodem bevindende kabels en leidingen of anderszins onzorgvuldig heeft gehandeld. Stam heeft ter comparitie zelf aangevoerd dat Rijnberg door middel van handmatig graven een leiding heeft gelokaliseerd.

Voor zover Stam heeft willen betogen dat de tekortkoming of onrechtmatige daad van Rijnberg bestaat in het feit dat zij een persriool heeft aangezien voor een waterleiding, stelt de rechtbank vast dat Stam daartoe onvoldoende feiten of omstandigheden heeft gesteld. Nu Rijnberg geen fout heeft gemaakt, is er ook geen sprake van wanprestatie zijdens Welvreugd of van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:171 BW.

3.9. Stam heeft in haar dagvaarding een algemeen bewijsaanbod gedaan. Nu dit bewijsaanbod niet ziet op concrete feiten of omstandigheden wordt dit als te vaag gepasseerd.

3.10. Het bovenstaande betekent dat de vorderingen van Stam afgewezen worden. Stam zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Welvreugd worden begroot op EUR 1105 aan verschotten en EUR 2682 aan salaris van de procureur.

4. De beslissing

De rechtbank

- wijst de vorderingen af.

- veroordeelt Stam in de proceskosten, aan de zijde van Welvreugd tot op heden begroot op EUR 3787.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2008.