Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BD1912

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
19-05-2008
Zaaknummer
192876 CV EXPL 05-3643
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemer stelt te lijden aan de aandoening OPS/CTE en houdt zijn werkgever daarvoor aansprakelijk op grond van 6:175 BW en 7:658 BW. Het is aan werknemer als eiser te stellen en zonodig te bewijzen dat hij aan een dergelijke aandoening lijdt. Werknemer is blootgesteld aan giftige stoffen die tot de aandoening kunnen leiden. Ktr: 'Nu tevens als vaststaand is aangenomen dat eiser aan de aandoening OPS leidt, dient in beginsel te worden aangenomen dat sprake is van een causaal verband tussen de blootstelling aan de giftige stoffen en de aandoening OPS, tenzij gedaagde als werkgever tegenbewijs levert dat zij aan haar zorgverplichtingen heeft voldaan."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 192876 \ CV EXPL 05-3643 (H.K.)

Uitspraakdatum: 30 januari 2008

Vonnis in de zaak van:

[werknemer], wonende te Hoorn

e i s e r

gemachtigde: mr. F.A.P. Laporte, advocaat te Utrecht

tegen

de besloten vennootschap LM Glasfiber (Holland) B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Heerhugowaard aan de Stevinstraat 6

g e d a a g d e

gemachtigde: mr. H.M. Kruitwagen, advocaat te Arnhem

rolgemachtigde: L.C.J. Huting, gerechtsdeurwaarder te Alkmaar.

1. Het procesverloop

Eiser heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 5 augustus 2005.

Gedaagde heeft bij antwoord verweer gevoerd.

Vervolgens heeft eiser gediend van repliek waarbij hij zijn eis heeft gewijzigd/vermeerderd en gedaagde van dupliek.

Eiser heeft zich bij akte nog uitgelaten over de door gedaagde bij dupliek overgelegde producties, waarbij hij ook zijnerzijds producties heeft overgelegd, over welke producties gedaagde zich bij antwoordakte heeft uitgelaten.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 Eiser, geboren [in] 1964, is op 11 januari 1994 in dienst getreden bij de besloten vennootschap Rotorline the Blade Company B.V. te Heerhugowaard [hierna te noemen: Rotorline], welke firma net als gedaagde was gevestigd te Heerhugowaard op het adres Stevinstraat 6.

2.2 Door ziekte is eiser op 5 maart 1998 uitgevallen. Als polyesterbewerker verdiende hij op dat moment een salaris van € 1.169,84 (ƒ 2.577,99) netto per maand.

Vanaf 4 maart 1999 ontving eiser een WAO-uitkering naar een percentage arbeidsongeschiktheid van 80-100% en vanaf 8 januari 2002 naar een percentage arbeidsongeschiktheid van 65-80%.

2.3 In 1999 heeft gedaagde de activa van Rotorline overgenomen.

Tot 4 maart 2000 heeft gedaagde de uitkering van eiser volledig aangevuld.

3. Het geschil

3.1 Eiser vordert - na vermeerdering/wijziging van eis bij repliek - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van gedaagde tot betaling van:

a) een bedrag ad € 20.000,-- ten titel van voorschot op de door hem van gedaagde op grond van art. 7:658 jo art. 6:175 BW te vorderen materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de (nader te bepalen) dag van opeisbaarheid,

b) - de immateriële schade,

- de arbeidsvermogensschade,

- alsmede de andere vermogensschade, zoals de kosten van de buitengerechtelijke rechtsbijstand van (medewerkers van) het BBZ FNV ad € PM en de kosten van de medisch adviseur ad € PM, nader op te maken bij staat, met verwijzing hiervoor naar de schadestaatprocedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de (nader te bepalen) dag van opeisbaarheid,

c) de proceskosten.

3.2 Eiser stelt hiertoe, zakelijk samengevat, het volgende.

Van 1994 tot en met het begin van 1996 bestond eisers werk bij Rotorline uit de afwerking van de schuine kanten van rotorbladen en van 1996 tot maart 1999 bestond zijn werk, op een andere afdeling, uit het maken van panelen. In de eerste werkplaats werden overigens ook met behulp van mallen panelen gemaakt voor rotorbladen.

Hij werd in de periode van 1994 tot maart 1999 blootgesteld aan diverse stoffen/ oplosmiddelen die uiteindelijk bij hem tot een organisch psychosyndroom [OPS] hebben geleid, waardoor hij arbeidsongeschikt is geworden.

3.3 Met betrekking tot de werkplek/werkomgeving en hulpmiddelen stelt eiser dat de temperatuur in de werkplaatsen hoog was, 's winters hoger dan 20° C en zomers hoger dan 25° C. Doeken gedrenkt in methyleenchloride en kwasten en rollers doordrenkt met oplosmiddelen werden in een open bak gedeponeerd. Boven eisers werkplek was geen afzuiging aanwezig. Vooral tijdens het lossen van polyesterelementen in de tweede werkplaats kwam veel damp vrij, waardoor het vreselijk stonk en eiser veel last had van hoofdpijn. In 1997 kreeg eiser de beschikking over een 'gasmasker', zonder dat hij instructie kreeg voor gebruik hiervan. Hij droeg dit masker af en toe, evenals de stoffen handschoenen die hem beschikbaar waren gesteld. Adequate handschoenen werden niet verstrekt, zodat eiser vaak last had van jeukende handen. Door zijn geringe lengte van 1.60 m moest eiser ver buigen om het rotorblad overal te kunnen bereiken en kwam hij vaak in aanraking met de kunsthars. Bij zijn vorige werkgever werd hij iets beter beschermd tegen blootstelling aan neurotoxische stoffen.

Eiser werd in zijn werkzaamheden bij Rotorline vooral blootgesteld aan styreen. Deze stof verdampt reeds bij lage temperatuur uit de hars en dit kan vooral tijdens bewerkingen tot relatief hoge blootstelling leiden. Te hoge blootstelling aan deze stof veroorzaakt, behalve irritaties van ogen en ademhalingswegen, vooral effecten op het centrale zenuwstelsel, zoals bewustzijnsvermindering, duizeligheid en misselijkheid. Eiser verwijst in dit verband naar een door hem overgelegd TNO-rapport van 8 juni 1993 en veiligheidsinformatiebladen.

De kans op nadelige gezondheidseffecten van deze stoffen werd in geval van eiser vergroot door de slechte arbeidshygiënische omstandigheden bij Rotorline, zoals het werken onder hoge temperaturen, het ontbreken van afzuiging en ventilatie en het ontbreken van adequate persoonlijke beschermingsmiddelen.

3.4 Voor wat betreft de blootstelling aan neurotoxische stoffen in zijn werkzaamheden verwijst eiser voorts naar de door hem als productie 6, 7 en 8 bij dagvaarding overgelegde medische stukken, met name:

- de rapportage van 25 juni 2001 van de verzekeringsarts A.R.I.S. Timmer,

- de brief van 16 juli 1999 van arts G. van der Laan aan bedrijfsarts M. Bruins,

- de brief van 9 november 1998 van arts G. van der Laan aan arboarts M. Bruins.

Uit deze stukken kan de conclusie worden getrokken dat de arbeidsomstandigheden van eiser zodanig waren dat hij langdurig heeft blootgestaan aan organische oplosmiddelen, althans neurotoxische stoffen, waarvan bekend is dat zij OPS/CTE kunnen veroorzaken en bovendien werd hij door de bewerkingsmethoden van die materialen blootgesteld aan stoffen die ademhalingsklachten kunnen veroorzaken.

3.5 In verband met zijn gezondheidsklachten, zoals hoofdpijn, duizeligheid, vermoeidheid, misselijkheid, vergeetachtigheid en slaperigheid, waarvoor hij op 5 maart 1998 van zijn werk is uitgevallen, is hij door een neuroloog van het Westfries Gasthuis te Hoorn onderzocht, die hem vanwege verdenking van het bestaan van OPS heeft doorverwezen naar het Solventteam van het AMC te Amsterdam, alwaar eiser uitgebreid is onderzocht en waarvan rapporten zijn opgesteld.

Eiser stelt dat de kantonrechter bij zijn beoordeling dient uit te gaan van de door Van der Laan (arts) en I. de Koning (neuropsycholoog), beiden van het Solventteam van het AMC, gestelde diagnose dat er sprake is van OPS, gelet op de specifieke deskundigheid van beiden.

3.6 Met betrekking tot de juridische onderbouwing van zijn vordering stelt eiser voorts dat sprake is van een blootstelling van gevaarlijke stoffen als bedoeld in art. 6:175 BW en dat gedaagde als werkgever - rechtsopvolger van Rotorline - risicoaansprakelijk voor is de door eiser opgelopen schade.

Voor wat betreft de zorgplicht als bedoeld in art. 7:658 BW stelt eiser dat gedaagde geen adequaat arbeidsomstandighedenbeleid heeft gevoerd. Het beleid schoot tekort voor wat betreft de organisatie van de werkzaamheden, de werkplek/werkomgeving/hulpmiddelen, wettelijke/gezondheidsdeskundige normen, arbeidstijden, voorlichting, onderricht en re-integratie.

De arbeidsinspectie heeft bij Rotorline overtreding van de wettelijke voorschriften op het gebied van de arbeidsomstandigheden geconstateerd, zoals blijkt uit de brieven van de Arbeidsinspectie van 20 oktober 1997, 6 april 1999, 2 november 1999 en 27 november 2000.

Gedaagde had eiser dienen te beschermen tegen schade die hij zou kunnen oplopen in zijn dienstbetrekking, alsmede tegen de effecten van veelvuldige blootstelling aan styreen althans oplosmiddelen. Nu gedaagde dit niet (voldoende) heeft gedaan, is zij aansprakelijk voor de door eiser geleden schade, waaronder de vermogensschade bestaande uit het verschil tussen zijn uitkering en het salaris dat hij tot aan zijn 65-jarige leeftijd zou hebben genoten.

3.7 Eiser verrichtte zijn werkzaamheden bij Rotorline samen met collega [T.], die eerder is uitgevallen wegens OPS-klachten. Ten aanzien van [T.] heeft de kantonrechter Alkmaar bij vonnis geoordeeld dat [T.] in zijn werkzaamheden bij Rotorline aan diverse stoffen/oplosmiddelen was blootgesteld en dat zijn ziekte aldus het gevolg was van de blootstelling aan die stoffen. Tevens oordeelde de kantonrechter dat Rotorline onvoldoende (gemotiveerd) had betwist dat zij haar zorgplicht ten opzichte van [T.] met betrekking tot de gevaarlijke stoffen steeds (voldoende) heeft nageleefd, zodat Rotorline voor de helft - gelet op medeschuld aan de zijde van [T.] - aansprakelijk werd gehouden voor de geleden en te lijden schade.

Ook op grond van dit vonnis is eiser van mening dat de kantonrechter tot het oordeel dient te komen dat gedaagde aansprakelijk is jegens eiser en aan hem de volledige schade dient te vergoeden, nu de schade niet het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van eiser.

3.8 Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd, op welk verweer - voor zover van belang - bij de beoordeling van het geschil zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagde heeft zich beroepen op onbevoegdheid van de kantonrechter, althans voor zover eiser zich beroept op art. 6:175 BW.

De kantonrechter acht zich op grond van art. 94 lid 2 Rv bevoegd van de onderhavige vorderingen kennis te nemen, nu onbetwist één van die vorderingen een vordering is als bedoeld in art. 93 onder c of d Rv en de samenhang van de vorderingen zich niet tegen afzonderlijke behandeling verzet.

4.2 Voorts doet gedaagde een beroep op de niet-ontvankelijkheid van eiser in zijn vorderingen, omdat hij ten onrechte gedaagde als rechtopvolger van Rotorline in deze procedure heeft betrokken.

Volgens gedaagde zijn in 1999 alleen de activa van Rotorline door haar overgenomen en niet (de aandelen in het kapitaal van) Rotorline en dus ook niet de passiva, waaronder de onderhavige vordering die betrekking heeft op de periode van voor de overdracht.

Ingevolge vaste jurisprudentie ziet het begrip overgang van onderneming op een andere ondernemer op het geval waarin de identiteit van het (onderdeel van het) betrokken bedrijf bewaard blijft. Bij toepassing van dit criterium moet eerst worden nagegaan of de exploitatie van het betrokken bedrijf door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsactiviteiten. Vervolgens moet rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden die de betrokken transactie kenmerken, zoals de aard van de onderneming of vestiging, het al dan niet overdragen van de materiële activa zoals gebouwen en roerende goederen, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overdracht, het al dan niet overnemen van het personeel, het al dan niet overdragen van de klantenkring, de mate waarin de voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen en de duur van een eventuele onderbreking van de activiteiten.

Vastgesteld kan worden dat de exploitatie van het bedrijf door gedaagde als nieuwe ondernemer is voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsactiviteiten.

De identiteit van de economische eenheid, het ontwikkelen, het produceren en het verkopen van rotoren en andere componenten voor winturbines bleef daarmee in voldoende mate in stand. Bovendien is de nieuwe onderneming in hetzelfde pand gevestigd en heeft gedaagde als werkgever tot 4 maart 2000 de uitkering van eiser aangevuld.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, worden gesteld dat in het onderhavige geval sprake is van overgang van onderneming als bedoeld in art. 7:662 BW.

4.3 Nu vastgesteld is dat sprake is van overgang van onderneming gaan daarmee ook de aansprakelijkheden voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst over op gedaagde.

Het verweer van gedaagde dat haar aansprakelijkheid voor eventuele schade aan eiser niet zou zijn overgegaan, dient te worden verworpen, nu die aansprakelijkheid op grond van de wet (art. 7:658 BW) voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst. De door gedaagde aangehaald jurisprudentie over doorbraak van aansprakelijkheid heeft geen betrekking op een arbeidsovereenkomst, zodat de vergelijking met de onderhavige casus alleen al om die reden niet opgaat.

4.4 In deze procedure is aan de orde de vraag of eiser lijdt aan de aandoening OPS/CTE (organisch psychosyndroom / chronisch toxische encephalopathie), welke aandoening het gevolg kan zijn van blootstelling aan giftige, althans voor zijn gezondheid schadelijke stoffen tijdens werkzaamheden voor (de rechtsvoorganger van) gedaagde. Het is aan eiser als werknemer te stellen en zonodig te bewijzen dat hij aan een dergelijke aandoening lijdt.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft eiser hieraan voldaan, gelet op de bevindingen en conclusies van het Solventteam verbonden aan het Academisch Medisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam, waar eiser door zijn neuroloog naar was verwezen. In dit verband zijn de volgende bevindingen/conclusies van belang.

Op 9 november 1998 rapporteert G. van der Laan, als arts verbonden aan het Solvent Team schriftelijk aan mevr. M. Bruins, bedrijfsarts:

"(...) Samen met betrokkene ([werknemer]) zijn de gezondheidsproblemen in relatie tot de arbeidsomstandigheden op een rij gezeg. Aanvullend is een screenend psychometrisch onderzoek verricht. (...)

Conclusie en Advies:

34-jarige man met klachten van duizeligheid en misselijkheid. Ook bestaan klachten van moeheid, hoofdpijn en concentratieproblemen. Als polyesterverwerker heeft hij een forse blootstelling aan oplosmiddelen gehad. Sommige van zijn klachten passen bij een chronisch toxische encephalopathie en ook de afwijkingen bij screenend psychometrisch onderzoek duiden op cognitieve functiestoornissen. De duizeligheidsproblemen zijn echter atypisch; omdat dit op de voorgrond staat en de andere zaken secundair, stellen we voor dit eerst te laten analyseren (...)"

Op 16 juli 1999 brengt G. van der Laan wederom schriftelijk rapport uit aan bedrijfsarts Bruins, onder meer inhoudende:

"Als vervolg op ons bericht van 9 november 1998 werd de heer [werknemer] uitgebreid onderzocht op verdenking van een chronisch toxische encephalopathie nadat de duizeligheidsklachten door mevr.dr. H.W. Kortschot geanalyseerd waren. Op 29 april jongstleden werd het resultaat van de verschillende deelonderzoeken in het Amsterdamse Solvent Team besproken. Hieronder volgt een samenvatting van de bevindingen (...)

Blootstelling: Als polyesterverwerker is hij vanaf 1989 blootgesteld geweest aan (mengsels van) oplosmiddelen. De blootstelling met inachtneming van acute intoxicatieverschijnselen wordt als matig hoog geschat. (...)

Beschouwing:

35-jarige man met klachten van duizeligheid, moeheid en concentratieproblemen. (...)

Bij neuropsychologisch onderzoek worden cognitieve stoornissen gevonden.

De ziektegeschiedenis reconstruerend menen we dat er sprake is van een OPS stadium II. (...)

Over ca. 1,5 jaar een herhalingsonderzoek te verrichten om beter inzicht te krijgen in het verloop."

Op 11 oktober 2000 heeft een herhalingsonderzoek van eiser plaatsgevonden door de neuropsycholoog (mw. I. de Koning) van het Solvent Team. In haar rapportage vermeldt zij het volgende:

"(...) Het algehele niveau van psychisch en somatisch welbevinden is nog steeds laag, hoewel er sprake is van een vermindering in een aantal somatische klachten die gerelateerd zijn aan CTE. Samenvattend: aanhoudende problemen in informatieverwerkingssnelheid en reactievermogen maar verbeteringen op het gebied van het geheugen."

4.5 Gedaagde heeft op dit punt - onder meer - tot verweer aangevoerd, dat het Solvent Team niet met voldoende zekerheid de diagnose OPS bij eiser heeft kunnen en mogen stellen, het door het Solvent Team gehanteerde protocol voor de diagnostiek van OPS in wetenschappelijk kring niet onomstreden is, er geen werkplekonderzoek is gedaan, een retrospectieve analyse en een (zorgvuldige) arbeidsanamnese achterwege zijn gebleven, de periode van ernstige blootstelling aan toxische stoffen te kort is geweest voor een goede diagnose, de aanwezigheid van cerebrale atrofie op de CT-scan of MRI-scan een belangrijke aanwijzing voor OPS kan opleveren en er geen andere oorzaken voor het bestaande klachtenpatroon aan te wijzen mogen zijn. Bovendien zou het Solvent Team teveel zijn afgegaan op de verklaring/ervaring van eiser zelf en passen niet alle klachten van eiser in het patroon van OPS, terwijl andere kenmerkende klachten voor OPS juist ontbreken.

De kantonrechter passeert dit verweer. In Nederland bestaan twee Solventteams, het Solventteam van het AMC te Amsterdam en dat van het Medisch Spectrum Twente te Enschede. Naar deze teams kunnen patiënten slechts worden verwezen door huisarts, bedrijfsarts of medisch specialist. Nu beide Solventteams speciaal zijn ingesteld bij van overheidswege erkende expertisecentra, zijn deze teams bij uitstek competent om de diagnose OPS te stellen. De stelling dat de deskundigen van het Solventteam teveel zouden afgaan op enkel de verklaring/ervaring van de patiënt wordt niet onderschreven, nu deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd. Voorts is eiser door verschillende malen onderzocht en heeft ook een herhalingsonderzoek plaatsgevonden.

Bovendien wordt de diagnose van het Solventteam bevestigd door de bij het GAK aangesloten verzekeringsartsen Bergkamp en Timmer.

- In zijn rapport van 2 februari 1999 vermeldt G.W.F. Bergkamp onder meer:

"Diagnose: aanwijzingen voor OPS (een en ander is nog in onderzoek)..., duizeligheidsklachten e.c.i.

Beschouwing (...) Overwegingen: Sommige van zijn klachten passen bij een chronische toxische encephalopathie en ook afwijkingen bij screenend psychometrisch onderzoek duiden op cognitieve functiestoornissen. Het onderzoek is op dit moment nog gaande."

- In zijn rapport van 4 augustus 1999 vermeldt G.W.F. Bergkamp onder meer:

"Diagnose: Chronische toxische encephalopathie stadium II (...)

Beschouwing (...) Overwegingen: gezien de aard van zijn klachten, die geobjectiveerd en verklaard kunnen worden en die passen bij een chronische toxische encephalopathie stadium II, waarbij betrokkene bij de minste of geringste inspanning misselijk en duizelig wordt, kan betrokkene op dit moment niet belastbaar geacht worden (...)"

- In zijn rapport van 25 juni 2001 vermeldt A.R.I.S. Timmer onder meer:

"Onderzoek psyche (...) Er is ondertussen wel een forse fixatie opgetreden op de klachten en onmogelijkheden i.p.v. op herstelgedrag en de mogelijkheden tot werk. (...)

Diagnose: Milde chronische toxische encephalopathie (OPS), stadium II, verbeterend. Somatisering."

Weliswaar heeft gedaagde in reactie op de door eiser overgelegde medische gegevens van haar kant rapporten (d.d. 9 juni 2004, 22 maart en 4 december 2006) laten opstellen door medisch adviseur M.J.C. Klop van Klop Medisch Avdies, welke adviseur kritiek heeft op de bevindingen van de door eiser geraadpleegde deskundigen, maar naar het oordeel van de kantonrechter legt zijn (als enige in deze procedure) afwijkende oordeel onvoldoende gewicht in de schaal om te twijfelen aan door eiser overgelegde rapportages. Bovendien heeft Klop eiser niet zelf onderzocht, is het de vraag of hij voldoende deskundig en onafhankelijk is (hij werkt in opdracht van gedaagde) en is zijn kritiek gemotiveerd weerlegd in het door eiser overgelegde rapport van 7 september 2006 van bedrijfsarts/medisch adviseur J. Jonker.

4.6 Onbetwist staat vast dat eiser in de periode van 1994 tot 1999, derhalve tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij (de rechtsvoorganger) van gedaagde, is blootgesteld aan giftige stoffen die (afhankelijk van de mate en duur) de aandoening OPS kunnen veroorzaken.

Nu tevens als vaststaand is aangenomen dat eiser aan de aandoening OPS lijdt, dient in beginsel te worden aangenomen dat sprake is van een causaal verband tussen de blootstelling aan de giftige stoffen en de aandoening OPS, tenzij gedaagde als werkgever tegenbewijs levert dat zij aan haar zorgverplichtingen heeft voldaan.

Gedaagde heeft in dit verband gesteld dat de OPS bij eiser niet tijdens de werkzaamheden bij (de rechtsvoorganger van) gedaagde kan zijn ontstaan, gelet op de geringe mate en duur van de blootstelling, waarbij gedaagde zich met name heeft gebaseerd op het door haar als productie 3 bij conclusie van antwoord overgelegde rapport d.d. 12 oktober 2005 van Indus Tox Consult (IndusTox): "Retrospectieve beoordeling van blootstelling aan oplosmiddelen, ex werknemer dhr. [werknemer]".

De in het rapport vermelde conclusie van dit bureau, dat is gespecialiseerd op het terrein van arbeidshygiëne en toxicologie, luidt:

"De geschatte gemiddelde concentratie oplosmiddelendampen in de ademzone van dhr. [werknemer] in de periode 1994-1998 bedraagt 21 ppm ofwel 50% van de gesommeerde MAC-waarde. Bij deze schatting is, bij uiteenlopende antwoorden van oud-collega's over de aard en duur van dhr. [werknemer] werkzaamheden op de afdeling Afwerking en Panelen, uitgegaan van de in blootstellingstermen meest ongunstige variant.

De daadwerkelijk door Dhr. [werknemer] ingeademde concentratie oplosmiddelendampen zal aanzienlijk lager zijn, omdat hij regelmatig adembescherming gebruikte (masker met actief kool filter ca. 50-80% van de tijd dat hij met styreenhoudende producten werkte).

De berekende huidopname van methyleenchloride bij dhr. [werknemer] is laag (<6% van de MAC-dosis). De huidopname van styreen is eveneens laag (<2,5% van de MAC-dosis). Bovendien droeg [werknemer] vaak handschoenen (ca. 80-100% van de tijd dat hij met styreenhoudende producten werkte)."

Eiser heeft - onder overlegging van een rapport d.d. 4 oktober 2006 van drs. H.B.W. Bunnik van Arboschade - de conclusies van dit rapport zowel wat betreft inhoud als totstandkoming bekritiseerd. Wat het laatste betreft geeft de kantonrechter eiser gelijk: bij dupliek heeft gedaagde een aanvulling en toelichting d.d. 13 april 2006 van IndusTox overgelegd op haar eerdere rapport. In dit aanvullend rapport geeft IndusTox aan dat zij voor de totstandkoming van het rapport gerichte interviews heeft gehouden met de toenmalige bedrijfsleider en enkele oud-collega's van eiser, maar dat zij eiser zelf en ex-collega [T.] (die in hoger beroep in een OPS-procedure is verwikkeld) niet heeft geïnterviewd, omdat IndusTox deze personen onvoldoende betrouwbaar achtte.

Het is evenwel aan de rechter om de betrouwbaarheid en relevantie van getuigen en hun verklaring te beoordelen; in casu is geen enkele verklaring van de door IndusTox gehoorde getuigen overgelegd, zijn de verklaringen niet compleet (eiser en [T.] zijn niet gehoord) en zijn de verklaringen in ieder geval niet tot stand gekomen met procedurele/gerechtelijke waarborgen. Aldus kan het rapport van IndusTox als zodanig niet als bewijs dienen.

4.7 Gedaagde dient daarom overeenkomstig haar aanbod alsnog tegenbewijs te leveren (bijvoorbeeld door middel van ter terechtzitting onder ede gehoorde getuigen) van de stelling dat OPS bij eiser tijdens zijn werkzaamheden bij Rotorline is ontstaan. Daarbij zijn van belang de werkomstandigheden, de mate en duur van de blootsteling en de door haar genomen beschermings- en voorzorgsmaatregelen. Indien deze in rechte zijn komen vast te staan, kan op basis daarvan (zo nodig) nader deskundigenonderzoek (met betrekking tot het causaal verband) plaatsvinden.

4.8 De kantonrechter acht termen aanwezig om te bepalen dat van dit tussenvonnis hoger beroep kan worden ingesteld (art. 337, lid 2 Rv).

4.9 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1 Draagt gedaagde op te bewijzen hetgeen hiervoor in dit vonnis onder alinea 4.7 als te bewijzen is geformuleerd.

5.2 Bepaalt, dat gedaagde daartoe vóór of uiterlijk op de openbare civiele terechtzitting (rolzitting) van woensdag 27 februari 2008 te 10.30 uur kan mededelen of van die bewijsopdracht gebruik wordt gemaakt. Wanneer zij daarvoor getuigen wil doen horen, moeten op deze rolzitting tevens het aantal en de personalia van de getuigen worden opgegeven, alsmede de verhinderdata van beide partijen, de gemachtigden en - voor zover mogelijk - van de getuigen. Daarna zal een tijdstip voor het verhoor worden vastgesteld.

5.3 Uitstel wordt in beginsel niet verleend. Bij gebreke van tijdig bericht van gedaagde wordt er van uitgegaan dat zij geen gebruik wenst te maken van de gelegenheid tot bewijslevering.

5.4 Bepaalt dat tegen dit tussenvonnis hoger beroep kan worden ingesteld.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Schlingemann, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 30 januari 2008 in het openbaar uitgesproken.