Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BD0626

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
07/2471, 07/2619, 07/2763 en 07/2858
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BH0460, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een aantal eisers is geen belanghebbende bij besluiten tot verlening van bouwvergunningen en vrijstellingen voor bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning in open agrarisch gebied in Egmond aan den Hoef. Hoewel er zicht bestaat op de beoogde bollenloods met woning is de ruimtelijke uitstraling daarvan, gelet op de grote afstanden tot de woningen van eisers en op de situering van de bouwwerken op de bewuste plek in relatie tot de omgeving, niet zodanig dat eisers rechtstreeks in hun persoonlijke belangen worden getroffen. Gevreesde verkeerstoename leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op verleende vrijstelling geen rechtstreekse toets aan noodzaakcriterium uit planvoorschriften. De ruimtelijke onderbouwing is, gelet op de inbreuk op het planologische regime, toereikend. Belangen van vergunninghouder wegen zwaarder dan belangen van de stichting bij het behoud van bepaalde zichtlijnen en openheid van het landschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 07/2471, 07/2619, 07/2763 en 07/2858

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaken van:

1. [eiser 1],

wonende te [[plaats]],

2. de Stichting Behoud Historisch Landschap Bergen-Egmond-Schoorl en anderen,

gevestigd te Bergen/wonende te Egmond aan den Hoef, Bergen en Alkmaar,

3. [eiser 3],

wonende te [plaats], en

4. [eiser 4],

wonende te [plaats],

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen,

verweerder.

Aan het geding hebben als partij deelgenomen [naam], wonende te [plaats], gemachtigde mr. D.S.P. Fransen, en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland.

Ontstaan en loop van de zaken

Bij afzonderlijke besluiten van 26 september 2006 heeft verweerder, beslissende op daartoe op 31 augustus 2005 en 14 november 2005 ontvangen aanvragen, vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning verleend aan [naam] (hierna: vergunninghouder) voor het oprichten van een woonhuis met berging en voor het plaatsen van een bloembollenloods op het perceel plaatselijk bekend Egmondermeer ongenummerd te Egmond aan den Hoef, kadastraal bekend [kadastraalnummer].

Het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 10 september 2007, verzonden op 12 september 2007, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eiser sub 1 bij brief van 16 september 2007, eisers sub 2 bij brief van 27 september 2007, eiseres sub 3 bij brief van 16 oktober 2007 en eiser sub 4 bij brief van 18 oktober 2007 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft op 13 december 2007 besloten de beroepen met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) versneld te behandelen.

De rechtbank heeft op 25 januari 2008 besloten het verzoek van de vereniging Milieufederatie Noord-Holland om haar in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen, niet in te willigen.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld ter zitting van 13 maart 2008, waar eisers sub 1, 3 en 4 in persoon en eisers sub 2, vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2], zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. P.J.M. Hink. Verder zijn verschenen vergunninghouder, bijgestaan door gemachtigde mr. drs. F. Onrust, en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, vertegenwoordigd door J.G. van Turen.

Motivering

1. Vergunninghouder exploiteert op zijn in eigendom behorende gronden, gelegen tussen de Hoeverweg en de Meerweg te Egmond aan den Hoef, een agrarisch bedrijf. Hij beschikt ter plaatse niet over een bouwvlak, waarop bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning gesitueerd kunnen worden. De bouwplannen, waarvoor vrijstellingen en bouwvergunningen zijn verleend, zien op het oprichten van een woonhuis met een aparte berging en een bloembollenloods op eerdergenoemd perceel. Het woonhuis bestaat uit een begane grond en een kapverdieping. De woning is aan de zuidwest zijde van de loods gesitueerd, met de berging schuin daarachter. De bloembollenloods is ongeveer 64 meter lang en 30 meter breed en bestaat uit één grote ruimte.

2. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eisers kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij de besluiten tot verlening van de bouwvergunning en de vrijstelling.

3. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De wetgever heeft deze eis gesteld ten einde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juli 2006, LJ-nummer: AY3651, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

4. De rechtbank stelt voorop dat eiseres sub 2 “de Stichting Behoud Historisch Landschap Bergen-Egmond-Schoorl” (hierna: de stichting) rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij gelet op haar statutaire doelstelling en feitelijke werkzaamheden in het bijzonder beoogt te behartigen, zodat zij als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb is aan te merken.

Ten aanzien van de overige eisers (hierna: eisers) overweegt de rechtbank als volgt. De bollenloods met bedrijfswoning is gesitueerd in open agrarisch gebied. Binnen een straal van ongeveer 1.100 meter van deze locatie zijn ongeveer 20 bouwvlakken gelegen met daarop (bedrijfs)bebouwing. Blijkens de door vergunninghouder ter zitting overgelegde plankaart met bijhorende lijst zijn eisers [eiser 1] en [eiser 4] woonachtig op een afstand van respectievelijk ongeveer 1.000 meter en 1.100 meter van het perceel van vergunninghouder. Eiseres [eiser 3] heeft onroerend goed in eigendom - ’t Stadter Tolhuys -, dat is gelegen op een afstand van ongeveer 950 meter van de planlocatie. De woningen van de andere eisers, die ter zitting desgevraagd hebben bevestigd dat zij voor zichzelf beroep hebben ingesteld, bevinden zich op een afstand van meer dan 650 meter. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank aan dat eisers vanaf hun perceel in enige mate zicht op de bouwlocatie hebben. Dit zicht is beperkt vanwege tussenliggende bebouwing, bomen en begroeiing. Het enkele feit dat eisers zicht hebben op de beoogde bouwwerken betekent evenwel nog niet dat zij belanghebbenden bij de verlening van de bouwvergunningen en vrijstellingen zijn. Het criterium van ruimtelijke uitstraling van het project speelt blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zekere mate een corrigerende rol.

Hoewel er zicht bestaat op de op te richten bollenloods met bedrijfwoning is de rechtbank van oordeel dat de ruimtelijke uitstraling daarvan, gelet op voormelde afstanden en op de situering van de bouwwerken op de bewuste plek in relatie tot de omgeving, waarin ook andere bebouwing aanwezig is, niet zodanig is dat eisers door de besluiten van 26 september 2006 rechtstreeks in hun persoonlijke belangen worden getroffen. Gelet op hetgeen hieronder onder 19. is overwogen kan evenmin de door eisers gevreesde toename van verkeersoverlast als gevolg van de plannen leiden tot het oordeel dat hun belangen direct worden geraakt door de verleende bouwvergunningen en vrijstellingen. Nu ook anderszins niet is gebleken van specifieke omstandigheden die maken dat eisers een voldoende van anderen te onderscheiden belang hebben, kunnen zij niet worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Verweerder had het bezwaar van eisers, behoudens dat van de stichting, dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Nu verweerder dit heeft nagelaten, komt het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Aan een bespreking van de door deze eisers aangevoerde gronden komt de rechtbank daarom niet meer toe.

5. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1998” rust op het betreffende perceel de bestemming ‘Open agrarisch gebied (Ao)’.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de plankaart als zodanig aangewezen bestemd voor de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf alsmede voor het behoud van de ruimtelijke openheid.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op deze gronden uitsluitend ten dienste van en noodzakelijk voor de genoemde bestemmingen worden gebouwd:

a. bedrijfsgebouwen;

b. bedrijfswoningen;

c. (…)

d. bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

6. Vaststaat dat de bouwplannen in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, nu ter plaatse niet is voorzien in een bouwvlak waarbinnen de bollenloods en bedrijfswoning kunnen worden gerealiseerd.

Teneinde realisering van de bouwplannen niettemin mogelijk te maken heeft verweerder vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend.

Een dergelijke vrijstelling moet zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in artikel 19, eerste lid, opgenomen vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan het college van burgemeester en wethouders.

7. Gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten) hebben op 19 juli 2005 de notitie “Beleid inzake de toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening” vastgesteld. Gebleken is dat de bouwplannen vallen onder één van de in die notitie vermelde speerpunten van beleid, zodat de raad van de gemeente Bergen bevoegd was om vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen.

Bij besluit van 1 februari 2005 heeft de raad van de gemeente Bergen de vrijstellingsbevoegdheid gedelegeerd aan verweerder. Gedeputeerde staten hebben op 12 september 2006 verklaard tegen de realisatie van de bollenloods en bedrijfswoning geen bezwaar te hebben. De rechtbank stelt dan ook vast dat aan de formele vereisten om toepassing te geven aan artikel 19, eerste lid, van de WRO is voldaan.

8. De stichting betoogt dat zowel ten aanzien van de bedrijfsbebouwing als de bedrijfswoning geen vrijstelling kon worden verleend, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde die is geformuleerd in artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften, te weten dat de op te richten gebouwen noodzakelijk zijn voor de bestemming.

Dit betoog faalt. Daarbij wijst de rechtbank er in de eerste plaats op dat, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 14 juli 2004 (LJ-nummer: AQ1105, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) heeft overwogen, artikel 19, eerste lid, van de WRO er niet toe dwingt dat in het besluit tot verlening van vrijstelling precies wordt aangegeven van welke onderdelen van het bestemmingsplan vrijstelling wordt verleend. Het project van vergunninghouder is vanwege het ontbreken van een bouwvlak in strijd met het bestemmingsplan. Uit het geheel van de gedingstukken valt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk af te leiden dat verweerder in verband met deze strijdigheid vrijstelling voor het project heeft verleend.

Nu vrijstelling is verleend voor het mogelijk maken van een project, heeft dit tot gevolg dat de voorschriften van het bestemmingsplan rechtstreekse toepassing missen. Anders dan de stichting veronderstelt, hoeft dus niet te worden getoetst aan het in artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften neergelegde criterium dat de op te richten gebouwen noodzakelijk moeten zijn voor de bestemming. Hetgeen de stichting hierover naar voren heeft gebracht dient bij de beoordeling of verweerder in redelijkheid alle bij de vrijstelling betrokken belangen tegen elkaar heeft afgewogen, te worden betrokken.

9. De stichting betoogt verder - kort samengevat - dat een goede ruimtelijke onderbouwing voor het project ontbreekt. In de ruimtelijke onderbouwing is volgens haar onvoldoende ingegaan op de inpasbaarheid van het project op deze plek in relatie tot het open landschap. Naar haar mening is sprake van aantasting van het landschap, waaronder de essentiële kwaliteit van openheid. Verder is zij van mening dat de bouwplannen niet passen in het geldende rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, in het bijzonder omdat het project wordt gerealiseerd in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Volgens haar gaat het om een gebied met hoge cultuurhistorische en landschappelijke waarde, dat door de plannen van vergunninghouder wordt aangetast.

10. De rechtbank stelt voorop dat de stelling van de stichting dat het project is gesitueerd in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en de ecologische verbindingszone feitelijke grondslag mist. De rechtbank heeft aan de hand van kaart 3 behorende bij het streekplan “Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord” (hierna: het streekplan) en de kaart op pagina 163 van het streekplan vastgesteld dat de beoogde locatie is gelegen in een gebied dat is aangeduid als “groene waarden en open ruimten” met nadere aanduiding “bloembollenconcentratiegebied”. Volgens de streekplankaart, die maatgevend is, is dit gebied buiten de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur gelegen. Evenmin heeft het streekplan het gebied aangewezen als ecologische verbindingszone, noch is gebleken dat het gebied onderdeel uitmaakt van de Rijks Ecologische Hoofdstructuur. Hetgeen de stichting in andere zin heeft aangevoerd in relatie tot andere kaarten kan hieraan niet afdoen. Voor zover zij in haar betoog heeft gewezen op dit aspect behoeft het dan ook geen verdere bespreking.

11. Bij het bepalen van de mate van inbreuk op het geldende planologische regime als gevolg van het realiseren van het project gaat de rechtbank verder uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Vergunninghouder heeft al vele jaren een teeltareaal van meer dan 25 hectare in de Egmondermeer in eigendom. Hij exploiteert een volwaardig agrarisch bedrijf en maakt daarbij gebruik van de opstallen van zijn broer aan de Zomerdijk in de Egmondermeer. Blijkens de plankaart bevinden zich binnen een straal van ongeveer 1.100 meter van de beoogde bouwlocatie ongeveer 20 bouwvlakken met daarop bebouwing. In de directe nabijheid van twee van die bouwvlakken (stolpboerderij en melkveehoudersbedrijf) zijn de bollenloods en bedrijfswoning gesitueerd.

Blijkens het geldende bestemmingsplan is aan de gronden van vergunninghouder de bestemming “Open agrarisch gebied (Ao)” toegekend. In het bestemmingsplan wordt een onderscheid gemaakt tussen Open agrarisch gebied (Ao), Agrarische gebieden met landschappelijke en natuurlijke waarden (Aln) en Natuurwaarden (N). In de Ao-gebieden, die overeenkomen met de bollenconcentratiegebieden zoals aangegeven in het streekplan, ligt het accent blijkens de plantoelichting puur op de agrarische bedrijfsvoering en is bollenteelt toegestaan.

In het bestemmingsplan wordt voorts een ontwikkelingsgerichte indeling van het gebied geïntroduceerd: de binnenduinrand, het overgangsgebied en de polder. De gronden met de bestemming Ao zijn aangeduid als polder. Nieuwvestiging van agrarische bedrijven is volgens het bestemmingsplan - met toepassing van de in artikel 5, vijfde lid, van de planvoorschriften neergelegde wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 van de

WRO - onder voorwaarden mogelijk in de polder. Hoewel in het geval van vergunninghouder niet aan de voorwaarde van verplaatsing vanuit de binnenduinrand wordt voldaan, dient door de rechtbank, anders dan de stichting kennelijk meent, voor het bepalen van de mate van inbreuk op het geldende planologische regime wel mede acht te worden geslagen op deze wijzigingsbevoegdheid. Door middel van deze wijzigingsbevoegdheid wordt immers voorzien in de mogelijkheid om op Ao-gronden nieuwe bouwvlakken voor agrarische bedrijven aan te wijzen. Bij de beoordeling van de mate van inbreuk op het geldende planologische regime betrekt de rechtbank tevens de forse bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan voor reeds in het gebied aanwezige agrarische bedrijven met een bouwvlak mogelijk maakt. Anders dan de stichting betoogt wordt de realisatie van die mogelijke uitbreidingen niet afhankelijk gesteld van een belangenafweging, maar wordt deze puur beheerst door de toetsing aan artikel 44 van de Woningwet.

12. Gelet op het vigerende planologische regime en de feitelijke situatie, zoals hierboven uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat het enkel ontbreken van een bouwvlak voor de realisatie van de bollenloods en bedrijfswoning een afwijking van het bestemmingsplan inhoudt die het midden houdt tussen een geringe en een ernstige inbreuk daarop.

Dat de gronden van vergunninghouder tevens bestemd zijn voor het behoud van de ruimtelijke openheid kan er naar het oordeel van de rechtbank, anders dan de stichting betoogt, niet toe leiden dat realisering van bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf aanzienlijk wordt bemoeilijkt. Niet uit het oog moet worden verloren dat in het onderhavige Ao-gebied het primaat ligt op de agrarische functie, waarvan op een effectieve wijze gebruik moet kunnen worden gemaakt. Gelet op de redactie van het bestemmingsplan en de situatie ter plaatse is er voor een rigide uitleg van de bestemming geen plaats.

De ruimtelijke onderbouwing behoeft derhalve een invulling die enig concreet houvast biedt, doch daaraan behoeven geen extreem zware eisen te worden gesteld.

13. De ruimtelijke onderbouwing, die aan de vrijstellingen ten grondslag ligt, wordt gevormd door een door BügelHajema adviseurs opgesteld rapport van 5 januari 2006 en de aanvulling daarop van 19 februari 2007. Daarnaast bevat de ruimtelijke onderbouwing een advies van DLV Bouw, Milieu en Techniek B.V. van 31 januari 2007 en een ongedateerd memo van RBOI adviesbureau voor ruimtelijk beleid ontwikkeling en inrichting.

14. In de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan en is uitvoerig uiteengezet waarom afwijking van het bestemmingsplan gerechtvaardigd is. Daarbij is aandacht besteed aan het rijks- en provinciaal beleid.

Het ruimtelijk beleid van het rijk, zoals neergelegd in de Nota Ruimte, is erop gericht de kracht van de bestaande landbouwontwikkelingsgebieden te versterken en de daarvoor benodigde ruimte te behouden. Door het rijk is het gebied Kennemerland aangewezen als landbouwontwikkelingsgebied bloembollenteelt. In dit gebied is permanente teelt van bloembollen toegestaan. Het streekplan kent ter plaatse de aanduiding “uitsluitingsgebieden”, welke gebieden gevrijwaard dienen te blijven van verdere verstedelijking. Het uitoefenen van een agrarisch bedrijf met benodigde bebouwing behoort in deze gebieden wel tot de mogelijkheden. In het streekplan is de beoogde locatie aangewezen als bollenconcentratiegebied, waarbinnen mogelijkheden zijn voor vestiging en uitbreiding van de permanente bollenteelt. De bouw van in elk geval één agrarische bedrijfswoning (voor zover nog niet aanwezig) zal volgens de Leidraad Provinciaal Ruimtelijk Beleid mogelijk moeten zijn voor een volwaardig agrarisch bedrijf. Geconcludeerd wordt in de ruimtelijke onderbouwing dat het project met het rijks- en provinciaal beleid in overeenstemming is.

In de ruimtelijke onderbouwing is verder vermeld dat het project ruimtelijk inpasbaar is in het open landschap. De locatie ligt aan een bestaande ontsluitingsweg, de Meerweg, en is gesitueerd in de onmiddellijke nabijheid van reeds aanwezige agrarische bebouwing in de Egmondermeer. De bebouwing is geconcentreerd op één bouwvlak, waarvan vanwege de groensingel effectief slechts ongeveer 0,5 hectare kan worden bebouwd. De omvang van het bouwvlak en de inhoud van de bedrijfswoning (600 m³) lopen voorts niet uit de pas met de bestaande bouwvlakken van agrarische bedrijven in de directe omgeving, respectievelijk met andere bedrijfswoningen. De oppervlakte van de bollenloods is in vergelijking met die van de omringende bedrijven wel groter, maar door die bedrijven mag op grond van het bestemmingsplan 60% van het bouwvlak (6.000 m²) worden bebouwd, terwijl het bouwplan voor de bollenloods een oppervlakte van 1.925 m² kent. Daarnaast is er sprake van een deugdelijke inpassing door middel van een te realiseren groenplan, dat voorziet in beplanting met gebiedseigen soorten.

In de ruimtelijke onderbouwing is verder aangegeven dat een noodzaak bestaat tot het realiseren van de beoogde bebouwing en dat er hiervoor op het gebied van wegverkeerslawaai, luchtkwaliteit, ecologie, cultuurhistorie, bodem, externe veiligheid en water geen belemmeringen aanwezig zijn. Wat de wateraspecten betreft is vermeld dat de benodigde extra waterberging zal worden gevonden in de verbreding van de bestaande watergangen rond het perceel van vergunninghouder en dat maatregelen zullen worden getroffen ter voorkoming van belasting van de riolering met grote hoeveelheden water.

15. De rechtbank is van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval moeten worden gesteld. Daartoe overweegt de rechtbank dat voor de stelling van de stichting dat het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid zich zou verzetten tegen de verleende vrijstellingen in de stukken geen aanknopingspunten bestaan. Verder overweegt de rechtbank dat een ruimtelijke onderbouwing vormvrij is. Hetgeen de stichting heeft aangevoerd over de onafhankelijkheid van de opstellers van de ruimtelijke onderbouwing geeft geen reden voor het oordeel dat verweerder niet van de door hen gedane bevindingen heeft kunnen uitgaan. In de ruimtelijke onderbouwing is, anders dan de stichting stelt, in voldoende mate ingegaan op de watertoets en op andere mogelijke bezwarende omgevingsfactoren, zoals op het gebied van ecologie. Verweerder heeft ten aanzien van deze aspecten onderzoek laten verrichten. Verder is verweerder ingegaan op het geldende planologische regime en de inpasbaarheid van de plannen in de omgeving, waarbij aansluiting is gezocht bij de in de omgeving aanwezige bebouwing.

Gelet op de inbreuk die er - blijkens hetgeen hiervoor onder 11. en 12. is overwogen - op het geldende planologische regime is, heeft verweerder met de in de ruimtelijke onderbouwing gegeven argumenten naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat realisering van de bollenloods met bedrijfswoning op deze specifieke plek in relatie tot de omgeving planologisch aanvaardbaar is. Daarom zijn de verleende vrijstellingen van een toereikende ruimtelijke onderbouwing voorzien.

16. Mede gelet hierop heeft verweerder bij het verlenen van de vrijstellingen van de door gedeputeerde staten afgegeven verklaring van geen bezwaar gebruik mogen maken. Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat, voor zover de stichting stelt dat de verklaring onvoldoende is onderbouwd, niet is gebleken dat aan de verklaring onjuiste uitgangspunten ten grondslag zijn gelegd, dan wel dat deze geen toereikende motivering van de instemming met de plannen bevat.

Voor zover de stichting betoogt dat verweerder gedeputeerde staten om een nieuwe verklaring had moeten vragen nadat in de bezwaarfase de ruimtelijke onderbouwing was aangevuld, volgt de rechtbank haar niet. De aanvullende onderbouwingen, die de conclusies in het rapport van 5 januari 2006 onderschrijven en nader motiveren, zijn niet van dien aard, zoals gedeputeerde staten ter zitting hebben bevestigd, dat deze tot een ander oordeel

- weigering van de verklaring - zouden leiden. Voor de stelling van de stichting dat de aanvullende onderbouwingen opnieuw ter inzage hadden moeten worden gelegd, vindt de rechtbank geen steun in de wet.

17. Bij het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO dient verweerder de met de uitoefening van die bevoegdheid gemoeide belangen af te wegen en vervolgens tot het al dan niet uitoefenen van die bevoegdheid te beslissen. Uit het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb vloeit voort dat de rechtbank zich bij toetsing van die belangenafweging moet beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot verlening van de vrijstellingen heeft kunnen komen.

18. Voor zover de stichting grote waarde hecht aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van het betrokken gebied stelt de rechtbank vast, zoals eerder overwogen, dat het hier een zogenaamd Ao-gebied betreft. In het bestemmingsplan zijn aan dit gebied, anders dan aan een Aln-gebied, geen landschappelijke en cultuurhistorische waarden toegekend die bescherming behoeven. Voorts blijkt ook uit het door BügelHajema adviseurs opgestelde flora en fauna-rapport van 22 juni 2006 dat het betreffende gebied een geringe natuurwaarde heeft. De rechtbank ziet geen reden aan deze conclusie te twijfelen. Aan de door de stichting gestelde inbreuk op de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteit komt dan ook niet zodanige betekenis toe dat hierin grond is gelegen voor weigering van de gevraagde vrijstellingen. Verweerder heeft, anders dan de stichting betoogt, zonder nader onderzoek tot die conclusie kunnen komen. Het gegeven dat het betrokken gebied is omringd door een Aln-gebied leidt niet tot een ander oordeel.

19. Naar aanleiding van het betoog van de stichting dat het project leidt tot een grote toename van het aantal verkeersbewegingen op de Meerweg en daardoor tot een verslechtering van de luchtkwaliteit in het gebied, overweegt de rechtbank als volgt.

In de huidige situatie worden de gronden aan de Meerweg door vergunninghouder alsmede door pachters/huurders gebruikt. De door vergunninghouder gerooide bollen worden ter verdere bewerking naar het bedrijf aan de Zomerdijk vervoerd door middel van een tractor met aanhangwagen. Deze vervoersbewegingen vallen weg indien van de beoogde bollenloods gebruik kan worden gemaakt. Verweerder heeft blijkens het verhandelde ter zitting als uitgangspunt genomen dat de omvang van de bollenloods correspondeert met het areaal van grond dat vergunninghouder in het bewuste gebied in eigendom en gebruik heeft. Gegeven dit uitgangspunt ligt het niet voor de hand dat de loods wordt gebruikt voor opslag van bollen vanuit andere gebieden. Voor zover de stichting betoogt dat de praktijk van de wisselteelt hiertoe wel leidt, kan de rechtbank haar niet volgen. Vergunninghouder heeft ter zitting verklaard dat het mogelijk is in de directe nabijheid met andere telers van gronden te ruilen. Volgens hem zal het aantal vervoersbewegingen per saldo afnemen, in aanmerking genomen dat niet langer vervoer plaatsvindt tussen de Meerweg en de Zomerdijk en dat van moderne vrachtwagens, die meer capaciteit hebben, gebruik zal worden gemaakt. De rechtbank ziet geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Voor zover niet valt uit te sluiten dat op enig moment niet kan worden geruild met telers uit het plangebied en dus van gronden verderop gebruik moet worden gemaakt, acht de rechtbank aannemelijk dat het om een dermate gering aantal vervoersbewegingen, in een beperkt gedeelte van het jaar, gaat dat redelijkerwijs uitgesloten kan worden geacht dat de vrijstellingsbesluiten een verkeerstoename ten opzichte van de bestaande situatie met zich brengen en dus een verslechtering van de luchtkwaliteit zal optreden. Verweerder heeft dan ook kunnen afzien van een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Het betoog van de stichting faalt in zoverre.

20. Voor zover de stichting wijst op hinder als gevolg van agrarisch verkeer benadrukt de rechtbank dat sprake is van een agrarisch gebied waarin bewegingen van vrachtverkeer en tractoren thuishoren. Voor het oordeel dat deze hinder onaanvaardbaar is, ziet de rechtbank, mede gelet op hetgeen onder 19. is overwogen, geen grond.

Wat betreft de verkeersontsluiting overweegt de rechtbank dat de uitweging zal plaatsvinden via de bestaande ontsluiting op de Meerweg, een doorgaande weg waarop meerdere agrarische bedrijven en (burger)woningen ontsluiten en waarvan ook ander verkeer gebruik maakt. In zoverre vindt dus geen verandering plaats in de verkeerssituatie. Hierin is dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid vrijstelling voor het project heeft kunnen verlenen.

21. Het betoog van de stichting dat er voor de bedrijfsvoering van vergunninghouder geen noodzaak bestaat voor het oprichten van de bollenloods met bedrijfswoning kan evenmin leiden tot het daarmee beoogde doel. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting beschikt vergunninghouder over bijna 30 hectare grond in het gebied Egmondermeer. De gronden zijn midden in het bollenconcentratiegebied gelegen, welke omstandigheid van belang is geweest voor vergunninghouder om op die locatie een agrarische bouwkavel te wensen. Vergunninghouder teelt ter plaatse al jarenlang bollen, die worden opgeslagen in de bollenloods van zijn broer aan de Zomerdijk. De capaciteit van deze bollenloods is momenteel ontoereikend en daardoor is gezamenlijk gebruik niet langer mogelijk en verantwoord. De wens van beide broers bestaat uit het splitsen van de bedrijfsvoering, zodat geen schade meer hoeft te worden geleden aan de bollenteelt als gevolg van ruimtegebrek.

Naast bollenteelt is vergunninghouder voornemens zich toe te leggen op het veredelen van bloembollen. Dit betreft een zeer arbeidsintensieve vorm van bollenteelt. De kwaliteit van het geleverde product en de ambachtelijke manier van kwaliteitsbeheersing maken het volgens de ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk dat vergunninghouder in de directe nabijheid van zijn bedrijf woont. Verder wordt in de ruimtelijke onderbouwing aangegeven dat een bedrijfswoning nodig is vanuit het oogpunt van toezicht op teelt (de klimaatbeheersing in de bollenloods) en in verband met brandgevaar en diefstal.

Gelet op de belangen die vergunninghouder ter plaatse in het plangebied heeft en in aanmerking genomen dat onweersproken is gesteld dat de huidige opslagcapaciteit ontoereikend is voor de bedrijfsvoering van beide broers, heeft vergunninghouder naar het oordeel van de rechtbank de legitieme wens om zijn bedrijf af te splitsen en een bouwkavel te situeren nabij zijn agrarische gronden. Een redelijk belang om bedrijfsbebouwing en een woning ter plaatse te realiseren kan, gezien het vorenoverwogene, aanwezig worden geacht. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder, mede gelet op de voorgeschiedenis, bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan de belangen van vergunninghouder dan aan het belang van de stichting bij behoud van bepaalde zichtlijnen en openheid van het landschap. Niet is gebleken dat met het project de belangen van de stichting onevenredig worden geschaad, terwijl anderzijds het belang van vergunninghouder in het kunnen voorzien in een bedrijfsgebouw met woning in een gebied waar zijn wortels en het zwaartepunt van zijn grondareaal liggen en waar hij als bollenteler al jarenlang werkzaam is, is gegeven.

22. Voor zover de stichting heeft aangevoerd dat verweerder slechts de thans, in overeenstemming met gedeputeerde staten, gekozen locatie in ogenschouw heeft genomen voor realisering van de bollenloods en woning, hoewel daarvoor alternatieve locaties voorhanden zijn, overweegt de rechtbank met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 december 2005 (LJ-nummer: AU7569, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl), dat het bestaan van een alternatief, indien de beoogde locatie op zichzelf aanvaardbaar is, slechts dan tot het onthouden van medewerking aan vrijstelling noopt, indien met het alternatief een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier niet voordoet. Mede gelet op de lange voorgeschiedenis van het project, waarin ook een locatie aan de Hoeverweg te Egmond aan den Hoef in beeld is geweest, komt de motivering van verweerder waarom eventuele alternatieven niet inpasbaar en/of vanwege verkeersveiligheidsaspecten niet mogelijk waren, de rechtbank niet onjuist voor.

23. Hetgeen de stichting voor het overige heeft aangevoerd staat naar het oordeel van de rechtbank aan verlening van de vrijstellingen niet in de weg, noch zou tot een andere belangenafweging moeten nopen.

24. De beroepen van eisers, behoudens dat van de stichting, zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar van deze eisers ontvankelijk en ongegrond is verklaard. De rechtbank zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voor zover dit is vernietigd. Het beroep van de stichting is ongegrond.

25. Ten aanzien van de stichting bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van de overige eisers is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen van eisers, behoudens dat van de stichting, gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 10 september 2007, voor zover daarbij het bezwaar van deze eisers ontvankelijk en ongegrond is verklaard;

- verklaart het bezwaar van deze eisers tegen de besluiten van 26 september 2006 alsnog niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voor zover dit is vernietigd;

- verklaart het beroep van de stichting ongegrond;

- gelast dat de gemeente Bergen aan eisers het voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 voor eiser sub 1, € 285,00 voor eisers sub 2, € 143,00 voor eiseres sub 3 en € 143,00 voor eiser sub 4 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2008 door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. J. Blokland en mr. M.A.J. Berkers, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier.

griffier De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Door het oudste lid van de kamer die de zaken heeft behandeld, mr. J. Blokland, wordt de uitspraak ondertekend.

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.