Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BC8333

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-03-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
14.810018-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Berekening opbrengst handel in heroïne in het kader van een ontnemingsvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14.810018-05-O

Datum uitspraak: 10 maart 2008.

TEGENSPRAAK

V O N N I S EX ARTIKEL 36E VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT van de rechtbank Alk¬maar, Meer¬voudige Kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

te¬gen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),

wonende te [adres],

hierna te noemen [verdachte].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terecht¬zitting van 25 februari 2008.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, van de op de vordering betrekking hebben¬de stukken (waaronder het strafdossier) en van hetgeen door [verdachte] en zijn raadsman mr. J.S.W. Boorsma naar voren is ge¬bracht.

1. De vordering

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 1 mei 2006 gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht zal vaststellen op € 118.900,00 en aan [verdachte] de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De vordering baseert de officier van justitie kennelijk op de feiten welke bij vonnis van de rechtbank van 10 mei 2005 en bevestigd bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 november 2005 bewezen zijn verklaard en waarvoor [verdachte] bij genoemd vonnis is veroordeeld.

2. Het verloop van de procedure.

De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank van 12 juni 2006.

Op genoemde zitting is het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst teneinde op verzoek van de verdediging door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank zeven personen als getuige te doen horen.

Bij brief van 12 april 2007 heeft de raadsman verzocht om een schriftelijke voorbereiding als bedoeld in artikel 511d, eerste lid, van het Wetboek van

Strafvordering. Nadat dit verzoek door de rechtbank bij schrijven van 7 mei 2007 is ingewilligd is door de rechtbank op 28 september 2007 van de raadsman een Conclusie van Antwoord ontvangen.

Vervolgens is [verdachte] opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van 25 februari 2008.

Op genoemde zitting heeft de raadsman verweer gevoerd overeenkomstig de inhoud van een door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnota. De officier van justitie heeft ter terechtzitting zijn vordering gematigd tot een bedrag van € 80.000,00. Vervolgens is de datum van de uitspraak bepaald op 10 maart 2008.

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] voor de terechtzit¬ting van 25 februari 2008 geldig is opgeroepen, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de vordering, dat het openbaar ministe¬rie ontvan¬kelijk is in zijn vordering en dat er geen redenen zijn tot schorsing van de vervolging.

3. De gronden voor het geschatte bedrag van het wederrechtelijk voordeel

Voor de schatting van dit voordeel baseert de officier van justitie zich op de navolgende stukken:

A. Het vonnis d.d. 10 mei 2005

In dit vonnis van deze rechtbank is onder meer bewezen verklaard dat:

Hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 11 januari 2005 in de gemeente Den Helder telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en opzettelijk heeft verstrekt hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne.

B. Het proces-verbaal voordeelsberekening

In het proces-verbaal met bijlagen, dossiernummer PL1030/05-010785, gedateerd 1 augustus 2005 en opgesteld door [naam], financieel deskundige/buitengewoon opsporingsambtenaar deel uitmakend van het Bureau Financiële Recherche van de regiopolitie Noord-Holland Noord, wordt aangege¬ven onder meer dat het vermoe¬delijk wederrechtelijk verkregen voordeel voor [verdachte] als volgt is samengesteld:

4.4.1 Uitgangspunten berekening voordeel

Periode

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [verdachte] sinds 1 januari 2002 (tot en met 11 januari 2005) in verdovende middelen handelde. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal van deze periode worden uitgegaan. Dit is een periode van 3 maal 52 weken, is 156 weken. Volgens de verklaring van [verdachte] is hij in 2003 2,5 maand in Suriname geweest. In verband hiermee wordt de periode van 156 weken met 10 weken verminderd en op 146 weken gesteld.

Hoeveelheid.

[verdachte] verklaarde dat hij zeker 35 gram heroïne per week inkocht. [Getuige 1] verklaarde dat hij 2 à 3 keer per week een hoeveelheid van 30 à 40 gram heroïne haalde voor [verdachte].

Voorzichtigheidshalve zal worden uitgegaan van een minimale inkoop van 35 gram heroïne per week.

Beloning halen heroïne.

Gelet op het feit dat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een minimale hoeveelheid van 35 gram heroïne per week zal worden uitgegaan, wordt in deze berekening met deze kosten geen rekening gehouden.

Inkoopprijs.

Zowel [verdachte] als [getuige 1] verklaarden over een inkoopprijs van € 20,00 per gram heroïne.

Verkoopprijs.

Uit het onderzoek rijst de verdenking dat [verdachte] de heroïne voor € 30,00 aan [getuige 2] verkocht. Uit de verklaring van afnemers rijst het ernstige vermoeden dat zij de heroïne voor € 50,00 per gram bij [verdachte] kochten. [Naam] verklaarde dat hij ongeveer 10 gram per week van [verdachte] kocht.

Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal rekening worden gehouden met een verkoop van 25 gram per week à € 50,00 en 10 gram per week à € 30,00.

5. Wederrechtelijk verkregen voordeel

Verkoop 146 weken x 25 gram is 3.650 gram x € 50,00 = € 182.500,00

Verkoop 94 weken x 10 gram is 940 gram x € 30,00 = € 28.200,00

€ 210.700,00

Inkoop 4590 gram x € 20,00 = € 91.800,00

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 118.900,00

De officier van justitie heeft met betrekking tot de vordering ter terechtzitting voorts nog het volgende opgemerkt:

Er is geen reden om af te wijken van de in het proces-verbaal genoemde periode van 146 weken. Met betrekking tot de hoeveelheid kunnen we afgaan op de verklaring van [verdachte] dat 1 à 2 keer per week in Amsterdam 35 gram heroïne werd gekocht. In het hiervoor genoemde proces-verbaal wordt uitgegaan in het voordeel van [verdachte] van 1 x per week. [Getuige 2] heeft op de terechtzitting van 12 juni 2006 verklaard dat hij één keer per week 10 gram kocht van [verdachte] en daarvoor 40 euro betaalde. Voor de inkoopprijs ga ik uit van € 20,-- per gram. Gelet op de door de verbalisant gehanteerde minimumpositie houd ik geen rekening met de beloning die aan [getuige 1] werd verstrekt voor het halen van de verdovende middelen.

De verkoopprijs schommelde tussen de 40 en de 50 euro, afhankelijk van de verkochte hoeveelheden. Een verkoopprijs van 40 euro is een redelijk bedrag. De berekening ziet er dan als volgt uit:

146 weken à 25 gram à € 40,-- per gram= € 146.000,--

94 weken à 10 gram à € 40,--per gram= € 28.200,--

Bruto opbrengst € 174.200,--

Inkoopprijs 4590 gram à € 20,00 = € 91.800,--

€ 82.400,--

Af: Vervoerskosten € 2.400,--

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 80.000,--

Het eigen gebruik van [verdachte] heb ik hierbij niet meegerekend, omdat dit voor hem ook een kostenbesparing heeft opgeleverd. Hij kon voor inkoopsprijs gebruiken. Besparing van onkosten levert ook voordeel op als bedoeld in artikel 36e Sr.

4. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4.1

De rechtbank zal bij de bespreking van de vordering, het verweer en het standpunt van de officier van justitie de volgorde aanhouden van het hiervoor aangehaalde proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.

4.2

Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseert de rechtbank zich op het hiervoor aangehaalde vonnis van deze rechtbank van 10 mei 2005 alsmede op onderdelen van het hiervoor aangehaalde ambtsedig proces-verbaal met bijlagen, dossiernummer PL1030/05-010785, gedateerd 1 augustus 2005 en opgesteld door [naam], financieel deskundige/buitengewoon opsporingsambtenaar deel uitmakend van het Bureau Financiële Recherche van de regiopolitie Noord-Holland Noord met betrekking tot het door [verdachte] verkregen voordeel uit het hiervoor genoemde feit, zoals hiervoor onder 3. is weergegeven.

De raadsman heeft ter terechtzitting van 25 februari 2008 onder meer het volgende aangevoerd:

Periode.

De periode in de ontnemingszaak is gelijk aan de hoofdzaak. De verbalisanten maken daarin een fout. Zij gaan namelijk uit van 156 weken min 10 weken vakantie in 2003 is 146 weken. Zij miskennen dat de bewezenverklaring ten aanzien van de periode slechts berust op de verklaring van [getuige 3]. [getuige 3] verklaart alleen over 2004 en [getuige 1]. [Getuige 1] zegt hij ongeveer een jaar drugs heeft gekoerierd, namelijk begin januari 2004, kort nadat hij zijn opleiding stopte.

Dit betekent dat de periode waarop deze ontnemingsberekening betrekking heeft niet 146 weken, maar 52 weken heeft beslagen, namelijk de 52 weken voorafgaand aan de aanhouding van [getuige 1] op 11 januari 2005.

Over de andere 94 weken ontbreekt ieder feit. Handelde [verdachte] op dezelfde schaal? Onbekend. Handelde hij met dezelfde frequentie? Onbekend. Had hij dezelfde leverancier? Onbekend. Deed hij het alleen of met anderen? Onbekend. Elke onderbouwing ontbreekt in het proces-verbaal.

Is de schatting redelijk? Ik meen van niet. Een berekening die voor tweederde fout is is geen redelijke schatting. Conclusie: Afwijzen vordering.

Is het dan gedeeltelijk redelijk? Conclusie: Gedeeltelijke afwijzing van de vordering. In dat geval zou u in ieder geval de voordeelsberekening tot aan 11 januari 2004 moeten afwijzen.

Als gegevens ontbreken, is dan de schatting van het OM voor de periode 2002-2003 toch redelijk? Ik meen van niet. Ik wil u in dat verband een uitspraak uit de in het belastingrecht bekende navorderingsjurisprudentie voorhouden. In een navordering met berekening terzake een drugshandelaar overwoog de HR echter dat het feit dat gegevens onbekend zijn, onvoldoende is om aan te nemen dat de inspecteur een redelijke schatting heeft gemaakt. Ook de rechter moet dan motiveren. U mag alleen maar de voordeelsberekening aannemelijk achten als deze gemotiveerd aannemelijk is. Ik voeg daar aan toe dat u tevens acht moet slaan op een gemotiveerd aannemelijke tegenberekening van de zijde van beklaagde.

Het samenwerkingsverband met Walden.

De ontnemingsberekening gaat uit van het idee dat [getuige 2] de heroïne van [verdachte] kocht voor een hogere prijs dan [verdachte] zelf betaalde. Daardoor wordt [verdachte] twee keer gepakt: hij wordt aangewezen als verantwoordelijke voor de gehele ingekochte hoeveelheid, terwijl het de helft moet zijn. Ten tweede gaat de berekening er van uit dat hij per geram 10 euro winst maakte op wat hij doorverkocht aan [getuige 2]. Maar feitelijk deelde hij met [getuige 2] en maakte hij geen winst. [Getuige 2] heeft stelselmatig geprobeerd om zijn eigen straatje schoon te vegen. Hij schildert zichzelf af als de zielige junk die in de klauwen van [verdachte] is geraakt en pas sinds heel, heel kort een klein beetje verkocht aan anderen.

[verdachte] , die gewoon zegt “ik deal” verklaart dat hij voor 600 euro via [getuige 1] drugs laat halen en dat meestal 285 euro – dus de helft – van hem is en de rest van [getuige 2]. Hij zegt ook “ik woog het deel van [getuige 2] af en de rest was zijn zaak” en dat [getuige 1] “ elke week voor mij en [getuige 2] naar Amsterdam ging”.

De ontnemingsberekening gaat er vanuit dat [getuige 2] 30 euro betaalde. Iedere onderbouwing daarvan ontbreekt.

Uit het geheel van feiten blijkt dat [verdachte] en [getuige 2] tezamen en in vereniging in drugs handelden. Daarom moet de rechter de omvang van het voordeel van elk van de daders berekenen en toerekenen. Is dat niet mogelijk dan volgt een ponds-pondsgewijze toerekening.

De hoeveelheid.

De ontnemingsberekening gaat uit van 35 gram die wekelijks door [getuige 1] werd gehaald. De verdediging heeft daar geen verdere opmerkingen bij. Conform het arrest van het gerechtshof Den Bosch 10-11-2006 (LJN:AZ4117) meen ik echter dat niet 25 gram, maar de helft van 35 gram aan [verdachte] moet worden toegerekend.

Kosten.

De ontnemingsberekening gaat in zijn geheel voorbij aan de kosten voor cliënt. Van de 35 gram moet 1,5 gram worden afgetrokken als beloning in natura voor [getuige 1]. Resteert 33,5 gram. Dit werd gedeeld door [verdachte] en [getuige 2]. Resteert 16,75 gram per dealer. In financiële zin moet bovendien rekening worden gehouden met de kosten van het treinkaartje. Dat is 52 x 14 = 728 euro.

De in- en verkoopprijs.

De inkoopprijs was in de visie van cliënt 22 euro. De verkoopprijs wisselt afhankelijk van de gekochte hoeveelheid en de persoon van de koper. De in de ontnemingsberekening aangenomen 50 euro gaat voorbij aan die variaties en wil in het nadeel van [verdachte] enkele van het hoogste bedrag uitgaan. [verdachte] noemt frequent het bedrag van 30 euro. Hij noemt in zijn eerste verhoor een winst van afgerond 34 per gram. De gemiddelde prijs is 39 euro, inclusief allerlei door de politie gehoorde kleingebruikers. In afwijking van de eerder gezonden conclusie van antwoord komt de verdediging nu daarom tot een handelsprijs van 34 euro.

Eigen gebruik heroïne.

De ontnemingsrichtlijn gaat uit van daadwerkelijk gerealiseerd en op geld waardeerbaar voordeel. Dat kunnen ook bespaarde kosten zijn. De ontnemingsberekening beschouwt het eigen gebruik van [verdachte] als een genoten voordeel van 30 euro per gram.

Dat is niet zo. En eerste is het zo dat de wet als eis stelt dat het voordeel voortvloeit uit het strafbare feit. [verdachte] kreeg echter geen korting omdat hij handelaar was. Hij kreeg korting omdat hij samen met anderen een grote hoeveelheid inkocht.

Ten tweede is het geen op geld waardeerbaar voordeel. Cliënt gebruikt zelf ongeveer een gram per dag. Dit komt ten laste van zijn omzet.

Eigen gebruik cocaïne.

Cliënt verklaart dat hij één keer in de twee weken drie gram heroïne ruilt voor drie gram cocaïne. Die rookte hij op. Het gaat per saldo dus om 1,5 gram per week.

Voordeelsberekening.

Aantal weken 52

Inkoop per week 35 gram

Gedeelde kosten 1,5 gram

Subtotaal hoeveelheid 33,5 gram

Toerekenbaar aan cliënt

50% van 33,5 gr = per week 16,75 gram

Eigen gebruik heroïne 8,5 gram

Inkoopsprijs € 22,00

Verkoopsprijs € 34,00

Totaal verkochte grammen per

week 8,25 gram

Omzet per week 8,25 x € 12.--= € 99,00

Omzet per jaar 52 x 99 = € 5148,00

Kosten treinkaartje 50% van € 728 = 364,00

Eindsaldo € 4784,00

Conclusie:

Primair: Gehele afwijzing van de vordering

Subsidiair:

1. Gedeeltelijk afwijzing van de vordering, namelijk beperking tot € 4784,00

Dan wel, indien u toch van 146 weken wenst uit te gaan:

2. Gedeeltelijke afwijzing en beperking tot een geschat daadwerkelijk voordeel van 146 x 99 = € 14.454 - € 2044(reiskosten) = € 12.410,00,

Dan wel, indien u toch van 146 weken en een verkoopprijs van 39 euro wenst uit te gaan:

3. Gedeeltelijke afwijzing en beperking tot een geschat daadwerkelijk genoten voordeel van 146 x € 1240,25(8,25 x € 17) = 20476,5 - € 2.044(treinkosten) = € 18.432,50.

4.3.

Door de hierna te noemen personen is met betrekking tot de koop en/of het verstrekken van heroïne bij/door [verdachte] ter terechtzitting van 12 juni 2006 en /of bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank het volgende verklaard:

[getuige 2]: Ik kocht één keer per week 10 gr heroïne bij [verdachte] . Er is wel eens een langere tijd geweest dat ik niet terecht kon bij [verdachte], ongeveer 5 maanden. Er is ook een periode geweest van 2 maanden dat ik niet bij [verdachte] kon kopen omdat hij in Suriname zat. Ik betaalde [verdachte] altijd € 40,-- per gram.

[getuige 4]: Ik heb minder dan een jaar heroïne gekocht bij [verdachte]. Dat was het jaar voorafgaande aan zijn aanhouding. Ik kocht in die periode 2 à 3 keer per maand. Ik kocht 2 à 3 gram per keer. Ik betaalde € 30,-- per gram.

[getuige 5]: Ik heb de laatste 5 à 6 maanden voor de aanhouding van [verdachte] onregelmatig heroïne bij [verdachte] gekocht. Ik heb meegemaakt dat hij 1 of 2 of 3 weken niet bereikbaar was. Ik betaalde € 30,-- per gram. Ik heb 5 à 6 keer gratis een halve gram heroïne van [verdachte] gehad als ik geen geld meer had.

[getuige 6]: Ik heb een aantal jaren bij [verdachte] heroïne gekocht. Meestal een halve gram per keer. Daar betaalde ik € 20,-- à € 25,-- voor. Ik kocht gemiddeld twee keer per week bij [verdachte]. Er waren ook wel eens weken dat ik niet bij hem kocht. Het tarief bij [verdachte] was € 50,-- per gram.

[getuige 3]: Ik heb een tijd bij [verdachte] in huis gewoond. Ik weet niet wanneer dat was. Ik gebruikte in die tijd heroïne. Soms betaalde ik ervoor, soms kreeg ik het. Het zal wel kloppen dat hij 40 à 50 euro per gram vroeg. Ik weet dat nu niet meer. [verdachte] gebruikte in die tijd cocaïne en hasj. Misschien ook wel heroïne, maar dat weet ik niet.

[getuige 7]: Ik heb een deel van 2003 en 2004 heroïne gekocht bij [verdachte]. Hij was degene bij wie ik het meest het gekocht. Ik weet dat hij een periode in Suriname is geweest. Dat waren eerder weken of maanden dan dagen dat hij afwezig was.

Ik betaalde bij [verdachte] € 50,-- per gram. Meestal kocht ik een gram, maar soms ook wel meerdere grammen. Voor zover ik me herinner zakte de prijs als je 5 gram of meer kocht.

Ik weet dat [verdachte] coke gebruikte. Ik denk dat hij een forse gebruiker was.

[getuige 8]: Ik schat dat we in 2002 bij [verdachte] heroïne zijn gaan kopen. Aanvankelijk ging [getuige 1] voor mij heroïne halen. Ik gaf hem geld mee. Ik weet dat hij die heroïne bij [verdachte] kocht. Na ca 4 maanden kon ik zelf bij [verdachte] heroïne halen. Ik haalde ongeveer 3 keer per week en betaalde € 50,-- per gram. Ik heb [verdachte] zelf nooit heroïne zien gebruiken.

[getuige 9]: Ik heb heroïne bij [verdachte] gekocht. Voor het eerst in 2004. Meestal kocht ik 2 à 3 gram tegelijkertijd en ik kocht 2 à 3 keer per week. Ik betaalde € 25 à 30 per gram. Ik weet niet of [verdachte] zelf ook heroïne gebruikte.

[getuige 10]: Ik heb ongeveer drie maanden heroïne bij [verdachte] gekocht. Ik kocht elke dag een pakje en betaalde daarvoor 10 euro. Een pakje bevat of een kwart of een vijfde gram heroïne.

Ik weet wel dat hij af en toe coke gebruikte.

[getuige 1]: Ik heb ongeveer een jaar heroïne gehaald voor [verdachte] en ben daarmee waarschijnlijk begin januari 2004 begonnen.

Ik heb gedurende ongeveer een jaar gemiddeld 2 à 3 keer per week heroïne voor hem gehaald. Het was ook wel eens een keer per week. Ik haalde tussen de 30 en 40 gram per keer. Ik betaalde aan de leverancier tussen de 18 en 22 euro per gram. Als beloning kreeg ik 1 à 1,5 gram per transport. Als ik grotere hoeveelheden haalde kreeg ik ook meer heroïne. Ik kreeg ook wel eens wat cadeau van [verdachte].

Ik weet dat [verdachte] zelf coke gebruikte. De verkoopprijzen varieerden tussen de 35 en 50 euro per gram.

Door [verdachte] is blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 april 2005 en op 13 januari 2005 tegen de verbalisanten [naam 1] en [naam 2] (pv pag 017) met betrekking tot de omzet onder meer het volgende verklaard:

[getuige 1] haalde een à twee keer per week voor mij heroïne in Amsterdam. Het betrof ongeveer 35 gram per keer. Een deel hiervan – soms 10 gram, soms de helft – was voor [getuige 2]. Meestal gaf ik [getuige 1] voor zijn diensten één gram heroïne. Ik betaalde 22 euro voor één gram heroïne. Ik verkocht de heroïne voor 30 euro per gram. De cocaïne was bestemd voor eigen gebruik. Ook van de heroïne was het grootste gedeelte bestemd voor eigen gebruik.

[naam 4] kocht 2 keer in de week bij mij 2 gram heroïne per keer.

[naam 5]kocht 2 keer in de week bij mij 1 gram per keer

[naam 6] 1 keer in de week een halve gram heroïne

[naam 7] 1 keer in de 2 weken een halve gram heroïne

[naam 8] 1 keer in de week 1 gram heroïne

[naam 9] 1 keer in de vier dagen 1 gram heroïne

[naam 10] 1 keer per week ¾ gram

[naam 11]: met [naam 11] 3 gram heroïne geruild voor anderhalve gram cocaïne.

[naam 12] kwam 1 à 2 keer per week en kocht een grammetje heroïne.

De rechtbank zal voor de berekening van de opbrengst in het voordeel van [verdachte] als uitgangspunt nemen de opbrengstberekening zoals deze in het ontnemingsproces-verbaal is verwoord.

De rechtbank heeft [verdachte] blijkens het hiervoor aangehaalde vonnis van 10 mei 2005 veroordeeld voor de handel in heroïne in een periode van 146 weken. De rechtbank heeft niet bewezenverklaard dat dit feit door [verdachte] tezamen en in vereniging met een ander is gepleegd. Om die reden kan het verweer, voor zover dit uitgaat van een andere lezing van het vonnis, niet slagen.

De rechtbank is, gelet op de hiervoor aangehaalde verklaringen van getuigen en de door [verdachte] bij de politie afgelegde verklaring, van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de omzet van [verdachte] beperkt is gebleven tot de door de raadsman aangegeven hoeveelheden.

De rechtbank is van oordeel dat, nu blijkens de verklaringen van de getuigen, er van uit moet worden gegaan dat de door [verdachte] gehanteerde verkoopprijs varieerde afhankelijk van de persoon en de gekochte hoeveelheid per transactie, een bedrag van € 40,00 redelijk is.

[verdachte] heeft ter terechtzitting van 26 april 2005 verklaard dat de inkoopprijs van de heroïne € 22,00 heeft bedragen. De rechtbank zal dat als uitgangspunt nemen.

De rechtbank gaat voorts uit van aangeschafte voorraad van 35 gram heroïne per week.

De rechtbank volgt de berekening ten aanzien van de periode welke in het hiervoor genoemde proces-verbaal van de [naam 1] is opgenomen, te weten 156 weken minus 10 weken vakantie.

Daarnaast gaat de rechtbank uit van de verklaring van [verdachte] en [getuige 2] met betrekking tot de periode dat [getuige 2] een deel van de door [verdachte] aangekochte heroïne afnam à € 30,-- per gram, te weten 94 weken.

De rechtbank houdt voorts rekening met de omstandigheid dat bij doorzoeking van de woning van [verdachte] een voorraad heroïne werd aangetroffen van 34,77 gram, (in het voordeel van [verdachte] afgerond op 35 gram). Deze aangetroffen hoeveelheid heroïne is wel door [verdachte] aangekocht, maar heeft niet geleid tot voordeel en moet dus van de hoeveelheid voor de verkoop beschikbare heroïne worden afgetrokken.

Gezien het feit dat [getuige 1] heeft verklaard dat, indien de wekelijkse hoeveelheid meer dan 35 gram heroïne bedroeg, ook de aan hem als beloning gegeven heroïne meer dan 1 gram bedroeg, lijkt het aannemelijk om in beginsel uit te gaan van een beloning van 1,5 gram per week.

De rechtbank houdt geen rekening met de hoeveelheid heroïne die [verdachte] voor eigen gebruik heeft aangewend, omdat uit de stukken geen duidelijk beeld van de omvang van het eigen gebruik naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de hoeveelheid heroïne die door [verdachte] werd aangewend voor de aanschaf van cocaïne is de rechtbank van oordeel dat ook de cocaïne als opbrengst van de door [verdachte] aangeschafte heroïne kan gelden.

Dit levert de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op.

Verkoop 146 weken à 25 gram = 3650 gram

Aangetroffen 35 gram

Beloning 146 x 1,5 gram = 219 gram

254 gram

3.396 gram

Verkoop aan [getuige 2] 94 weken à 10 gram = 940 gram

Opbrengst:

3396 gram x € 40,00 = € 135.840,00

940 gram x € 30,00 = € 28.200,00

Bruto opbrengst € 164.040,00

Af: Inkoop 4590 gram à € 22,00 per gram € 100.980,00

€ 63.060,00

Af: Kosten trein € 2.400,00

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 60.660,00

5. Gronden voor de vaststelling van het te betalen bedrag.

De raadsman heeft met betrekking tot de draagkracht van [verdachte] onder meer het volgende aangevoerd:

Het ontnemingsbedrag dient te worden gematigd. [verdachte] is een ernstig verslaafde man met een chronische verslavingsproblematiek. Hij zit in de WAO op een sociaal minimum. Hij is inmiddels 50 jaar oud. Hij is kansloos op de arbeidsmarkt. Hij heeft geen vermogensbestanddelen.

[verdachte] heeft zelf ter terechtzitting het volgende aangevoerd:

Ik heb nog nooit zulke geldsbedragen in mijn leven gezien. Ik leef onder de armoedegrens. Ik ben onder behandeling van de Brijder verslavingszorg. Ik probeer zo mijn leven weer op de rails te krijgen. Ik heb mij opgegeven voor vrijwilligerswerk.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het verweer onvoldoende is onderbouwd en dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op verdachtes verklaring dat hij onder behandeling is van de Brijder Verslavingszorg en zoekende is naar vrijwilligers werk, er bij een gunstige prognose de mogelijkheid aanwezig is dat [verdachte] op enigerlei wijze - legale – inkomsten kan generen.

De rechtbank zijn ook overigens geen omstandigheden bekend geworden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het [verdachte] aan draagkracht ontbreekt of op langere termijn zal ontbreken voor de betaling van onderstaand geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4. is overwogen met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal de rechtbank het te betalen bedrag vaststellen op € 60.660,00.

6. Toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissing

De rechtbank:

Stelt het wederrechtelijk door [verdachte] verkregen voordeel vast op € 60.660,00.

Verplicht [medeverdachte] tot het betalen aan de Staat van een geldbe¬drag van € 60.660,00 ( zestig duizend zeshonderdenzestig euro) ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. T.H. Bosma en mr. F.A. Egter van Wissekerke, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 maart 2008.

Mr. Egter van Wissekerke is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.