Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BC7690

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
14-810640-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkrachting en aanranding. Is tongzoen "verkrachting" als bedoeld in artikel 242 Sr?

Effect van onwenselijk lange termijn op strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Locatie Alkmaar

Parketnummer : 14/810640-05 (P)

Datum uitspraak : 19 maart 2008

TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboortedatum]) op [geboortedattum] 1981,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het [adres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 maart 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en mr. P.G.M. Lodder, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 17 december 2005 te Zwaag, gemeente Hoorn, door geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [naam slachtoffer] ([geboortedatum] 1991) heeft gedwongen tot

het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en)

uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], hebbende

verdachte zijn tong een of meer ke(e)er(en) in de mond van die [naam slachtoffer] gestoken

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

die [naam slachtoffer] dreigend een mes heeft voorgehouden en/of

dat mes op zeer korte afstand van haar buik heeft gehouden, waarbij hij tegen

die [naam slachtoffer] zei:"Trek je kleren uit!, althans woorden van gelijke aard en/of

strekking en/of

die [naam slachtoffer] met kracht in haar maag heeft gestompt,althans zodanig heeft

geduwd, waardoor zij ten val is gekomen en/of

zijn hand op de mond van die [naam slachtoffer] heeft geplaatst om haar gillen te stoppen

en/of

bovenop die [naam slachtoffer] is gaan zitten,

en/of (aldus) voor die [naam slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 december 2005 te Zwaag, gemeente Hoorn, ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [naam slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van (een)

handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer]

die [naam slachtoffer] dreigend een mes heeft voorgehouden en/of

dat mes op zeer korte afstand van haar buik heeft gehouden, waarbij hij tegen

die [naam slachtoffer] zei:"Trek je kleren uit!, althans woorden van gelijke aard en/of

strekking en/of

die [naam slachtoffer] met kracht in haar maag heeft gestompt,althans zodanig heeft

geduwd, waardoor zij ten val is gekomen en/of

zijn hand op de mond van die [naam slachtoffer] heeft geplaatst om haar gillen te stoppen

en/of

bovenop die [naam slachtoffer] is gaan zitten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 17 december 2005 te Zwaag, gemeente Hoorn,, door geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van

een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten van de

vagina, althans de schaamstreek, van die [naam slachtoffer] en/of het kussen van die

[naam slachtoffer] en/of het bovenop die [naam slachtoffer] gaan liggen en/of daarbij heen en weer

gaande bewegingen met zijn lichaam te maken,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij

die [naam slachtoffer] dreigend een mes heeft voorgehouden en/of

dat mes op zeer korte afstand van haar buik heeft gehouden, waarbij hij tegen

die [naam slachtoffer] zei:"Trek je kleren uit!, althans woorden van gelijke aard en/of

strekking en/of

die [naam slachtoffer] met kracht in haar maag heeft gestompt,althans zodanig heeft

geduwd, waardoor zij ten val is gekomen en/of

zijn hand op de mond van die [naam slachtoffer] heeft geplaatst om haar gillen te stoppen

en/of

bovenop die [naam slachtoffer] is gaan zitten,

en/of (aldus) voor die [naam slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 december 2005 te Zwaag, gemeente Hoorn,, met [naam slachtoffer]

([geboortedatum] 1991), die toen de leeftijd van zestien jaren nog

niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft

gepleegd, bestaande uit

het betasten van de vagina, althans de schaamstreek, van die [naam slachtoffer] en/of het

kussen van die [naam slachtoffer] en/of het bovenop die [naam slachtoffer] gaan liggen en/of daarbij

heen en weer gaande bewegingen met zijn lichaam te maken;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. OVERWEGINGEN MET BETREKKING TOT DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging in verband met overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM en daartoe het volgende aangevoerd:

Ik heb overwogen om een preliminair verweer te voeren met betrekking tot overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld artikel 6 EVRM. Deze zaak is ten aanzien van de beoordeling van de termijn zo speciaal omdat cliënt niet in het normale profiel te passen is. Gezien het mentale niveau van cliënt dient de termijn te worden beoordeeld alsof cliënt minderjarig is. We zijn, sinds de arrestatie van cliënt, nu twee en een half jaar verder. Al die tijd is er niets gebeurd.

De zaak is niet complex. In 2006 waren de rapportages al gereed. Op grond van het tijdsverloop en gelet op de persoon van cliënt is de termijn te lang en moet het openbaar ministerie niet ontvankelijk worden verklaard in de vervolging. Dit slaat op de totale termijn. Voor zover een deel van de overschrijding van de termijn te wijten zou zijn aan verzoeken van de verdediging, was er sprake van overmacht.

De officier van justitie heeft naar aanleiding van dit verweer het volgende opgemerkt:

Bij de vorige terechtzitting op 31oktober 2007 is de noodzaak besproken om actuele voorlichting omtrent de persoon van verdachte te verkrijgen door aanvullende rapportages te laten opmaken. Ik stelde voor de zaak aan te houden voor een maximale duur van drie maanden. De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht het onderzoek ter terechtzitting voor een langere termijn te schorsen teneinde rapporteurs alle tijd te geven om een rapport met betrekking tot verdachte uit te brengen. Daarom is deze zaak pas na vijf maanden weer ter terechtzitting aangebracht. De termijn van behandeling van deze zaak is lang, maar dat heeft vooral te maken met het bewaken van de belangen van verdachte en niet met een gebrek aan activiteit van de zijde van het openbaar ministerie. Een gedegen onderzoek naar de persoon van een verdachte vergt nu eenmaal tijd.

De rechtbank overweegt met betrekking tot voornoemd verweer het volgende.

Gelet op de inhoud van het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, is de rechtbank van oordeel dat als aanvangsdatum voor de redelijke termijn moet worden aangenomen het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat ter zake een zeker strafbaar feit een strafvervolging zal worden ingesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor bedoelde termijn een aanvang heeft genomen op 22 december 2005, zijnde de datum waarop verdachte in het belang van het onderzoek in verzekering is gesteld. Vervolgens is op 25 september 2007 de inleidende dagvaarding betekend.

De voorlopige hechtenis, waarin verdachte zich bevond, is op 6 januari 2006 geschorst. Aan die schorsing werden voorwaarden verbonden – welke op 16 februari 2006 werden aangevuld – met het oog op behandeling van de bij verdachte aanwezige problematiek.

Op 31 januari 2006 zijn twee deskundigen benoemd. De rapporten van de psychiater en de psycholoog zijn op 21 september 2006 op het parket binnengekomen.

Vervolgens is kennelijk een tijdlang geen juridische actie ondernomen in afwachting van de resultaten van de met betrekking tot verdachte gestarte behandeling, zoals die blijkt uit de verscheidene reclasseringsrapporten.

Vervolgens is de zaak aangebracht op de terechtzitting van 31 oktober 2007 en in overleg met officier van justitie en raadsman geschorst tot de zitting van 5 maart 2008.

De behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden.

Tussen het moment van inverzekeringstelling en de datum van de eerste behandeling ter terechtzitting zijn ruim 21 maanden verstreken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het voorgaande niet worden vastgesteld dat er sprake is van een zodanig gebrek aan voortvarendheid in de behandeling van deze strafzaak dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM, is overschreden.

Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk.

Overigens is de rechtbank van oordeel dat er, gelet op de duur van de termijn in relatie tot de persoon van verdachte, sprake is van een onwenselijk lange termijn.

De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de onwenselijke lange duur van de termijn als gevolg van het tijdsverloop sinds de inverzekeringstelling van verdachte.

3. VASTSTELLING FEITEN

Op 19 december 2005 doet [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1991 aangifte van een poging tot verkrachting en aanranding op 17 december 2005.

Zij verklaart onder meer:

Op 17 december 2005 liep ik op het fietspad van [straatnaam] te Zwaag. Ineens stond die man achter mij. Ik hoorde dat die man zei “ Ga naar binnen toe”. Ik zei “Nee” en draaide me om. Ik voelde dat die man mij bij mijn rechterarm beetpakte en in de richting van de flat trok. Ik zag en voelde dat hij mij met twee handen bij mijn pols beetpakte. Ik probeerde tegen te stribbelen en los te komen, maar dat ging niet. Ik weet dat die man in het flatje woont op de benedenverdieping, eerste deur links tegenover de trap. Ik heb hard gegild en geroepen dat hij mij moest laten gaan. Hij schreeuwde echt boos tegen me “Niet gillen”. Ik werd daar bang van. Daarom ben ik maar mee naar binnen gegaan. Ik zag dat de voordeur al open stond. We liepen toen zijn woning binnen. De man gooide de voordeur dicht. De man duwde mij de woonkamer binnen. Ineens stond hij schuin tegenover mij. Hij hield toen in zijn rechterhand een mes, welke hij op een centimeter na tegen mijn buik hield. Ik hoorde dat hij tegen mij zei “Trek je kleren uit”. Ik zei toen “Nee”.

Ik heb van het mes alleen het lemmet gezien. Ik denk dat het een soort zakmes was. Ik denk dat het ongeveer 12 cm lang was. Toen ik het mes zag was ik ineens heel bang. Ik moest ook huilen. Ik liep richting de kamerdeur, richting de hal. Ik zag en voelde dat hij mij hard tegen mijn maag duwde met een korte stoot waardoor ik achterover op mijn rug viel. Ik ging toen heel hard gillen. Toen ik begon te gillen viel de man op zijn knieën naast mij. Toen hield die man zijn linkerhand op mijn mond om het geluid van het gillen te stoppen. Daarna zag en voelde ik, dat die man zijn ene knie over mij heen zette waardoor hij bovenop mij kwam te zitten. Ik zag dat hij het mes in zijn rechterhand hield. Ik zag en voelde toen dat die man met zijn linkerhand mijn kruis betastte. Ik voelde dat hij met die hand op en neer ging. Ik zag toen dat die man nog verder naar voren boog. Ik zag en voelde dat hij mij begon te zoenen. Hij zoende mij op mijn mond. Ik voelde dat hij ook met zijn tong in mijn mond ging. Ik draaide mijn hoofd weg, maar die man begon me steeds weer te zoenen. Hij pakte toen ook mijn hoofd zodat ik mijn hoofd niet meer weg kon draaien. Hij begon me toen weer te tongzoenen. Daarna ging die man op mij liggen en bewoog zijn lijf heen en weer terwijl zijn benen naast mijn benen lagen.

Hij maakte zeg maar seksbewegingen. Toen hij op mij lag deed hij zijn ogen dicht. Toen ik opstond pakte die man me beet. Hij omhelsde me zeg maar en ik hoorde dat hij tegen mij zei “Sorry, sorry, het spijt me. Zeg dit tegen niemand, anders vermoord ik je “, of zoiets. Misschien zei hij ook zoiets als “anders pak ik je wel”.

Ik ben toen naar mijn buren [naam getuige 1] en [naam getuige 2] gegaan. Ik kwam huilend binnen en heb hen het hele verhaal verteld. Hiervoor was ik nooit in de woning van die man geweest.

Op 22 december 2005 wordt [naam slachtoffer]opnieuw gehoord en verklaart dan als volgt :

U confronteert mij nu via een confrontatiespiegel met een man. Ik herken deze man als de man die geprobeerd heeft mij te verkrachten en die mij heeft bedreigd met een mes. Het is de man die woont op [adres] te Zwaag. Ik ben er helemaal zeker van dat hij het is. Ik ben niet bij die man aan de deur geweest. Ik ga wel eens naar een man die daarboven woont.

Bij de stukken is een extract gevoegd uit het register van geboorten van de gemeente Hoorn waaruit blijkt dat op [geboortedatum] 1991 is geboren [naam slachtoffer].

Door verbalisanten is op 21 december 2005 een onderzoek ingesteld in de woning [adres] te Zwaag. Naar aanleiding van dit onderzoek wordt het volgende gerelateerd.

Op 21 december 2005 stelden wij een onderzoek in in de woning [adres] te Zwaag. Wij hebben een onderzoek ingesteld in de woning naar aanleiding van waarnemingen die de aangeefster in de door haar gedane aangifte heeft beschreven met betrekking tot het interieur en overige bijzonderheden in de woning van verdachte. Aangeefster tekende een plattegrond van de woning van de verdachte. De getekende inrichting van de woning komt volledig overeen met de aangetroffen situatie.

Op 22 december 2005 wordt als getuige gehoord [naam getuige 2]. Zij verklaart tegenover verbalisant [naam opsporingsambtenaar1] als volgt :

Ik ken [naam slachtoffer] vanaf haar tweede jaar, dus nu ongeveer 12 jaar. [naam slachtoffer] stond op 17 december 2005 plotseling trillend en bevend in de huiskamer. Ze huilde. Zij vertelde dat zij was bedreigd met een mes. Een vent had haar gepakt, vertelde ze, en onder bedreiging meegenomen naar zijn huis. Dat huis was bij [adres], in het flatje daar, in het benedenhuis links. Ze vertelde dat die jongen haar gezoend had en dat hij haar betast had tussen haar benen en dat ze d’r uit moest kleden en dat ze toen tegen die jongen had gezegd “Nee, dat doe ik niet!” Ze heeft me in ieder geval verteld dat die jongen haar mee had genomen onder bedreiging van een mes. Daarna heeft hij haar betast en gezoend. Die jongen had tegen haar gezegd dat ze niets tegen haar ouders mocht vertellen en dat hij, nadat dit zich allemaal had afgespeeld, tegen [naam slachtoffer] had gezegd “Sorry, sorry, het spijt me wat er gebeurd is”. Volgens mij heeft ze verteld dat hij haar heeft getongzoend.

Op 22 december 2005 wordt als verdachte gehoord [naam verdachte]. Hij verklaart tegenover de verbalisanten [naam opsporingsambtenaar 4] en [naam opsporingsambtenaar 1] het volgende :

Ik weet zeker dat ik schuldig ben, maar dat het niet helemaal zo is als dat meisje heeft verteld.

Ik had die avond na een feest geblowd in de koffieshop. Daarna ben ik naar huis gegaan. Ik wil mijzelf beschermen. Ik heb altijd een mes in mijn zak. Die avond belde iemand aan de deur. Zij wilde een sigaretje. Ik word echt spuugzat van haar. Ze is veertien, wat moet ze van mij?

Ik vroeg haar of ze binnen kwam. Ik wilde haar een lesje leren, want ik kon het niet met woorden zeggen. Ik pakte mijn mes. Ik wilde dat ze niet meer aan de deur kwam. Ik pakte haar beet en zij ging toen tegenstribbelen en toen gooide ik haar op de grond. Ik had die dag een blowtje gerookt, ik werd helemaal gek. Ik zei tegen haar dat ik er spijt van had en dat ze het tegen niemand moest zeggen.

Toen ze opstond wilde ik haar pakken. Ze moest stil zijn. Ze schreeuwde en bleef maar schreeuwen. Daarom gooide ik haar op de grond.

Ze was niet eerder bij mij binnen geweest.

Toen ze opstond pakte ik haar van achter om haar nek vast. Toen ik mijn mes pakte begon ze te gillen. Ik gooide haar op de grond. Ze kwam op haar buik terecht. Het klopt dat we samen op de grond zijn gevallen. Ik lag toen boven. Ik had mijn arm nog om haar nek. Ik vind dat ze te ver is gegaan, ja ik zelf eigenlijk ook. Ik ben ook te ver gegaan.

Het meisje heeft gehuild toen ik mijn mes tevoorschijn had gehaald.

Ik kan me helemaal niet herinneren wat ik heb gedaan of gezegd als ik heb geblowd.

Toen zij zo gilde heb ik mijn hand over haar mond gelegd.

Het is niet zo dat ik heb gezegd dat ze haar kleren uit moest trekken.

Toen zij viel wist ik niet wat ik moest doen. Ik ging een beetje naar die kant. (Verbalisanten: verdachte wijst naar rechts). Naast haar.

Wat ik gedaan heb wilde ik zelf ook niet, maar het gebeurde toch.

Ik heb haar gekust.

Ik heb niet in haar kruis gevoeld. Ik heb niet op haar gelegen. Ik kuste haar op haar wangen. Ze lag nog op de grond. Ik hield haar handen vast en kuste haar wangen.

Ik hield haar vast omdat ze wilde opstaan, daarom hield ik haar vast. Ze wilde namelijk weg en ik wilde haar zeggen dat ze niets mocht zeggen.

Ik weet niet meer wat ik met het mes heb gedaan op die momenten dat zij op de grond lag en ik haar zoende.

4. OVERWEGING TEN AANZIEN VAN DE BEWEZENVERKLARING.

De raadsman heeft met betrekking tot bewijs van de tenlastegelegde feiten het volgende aangevoerd.

Mijn cliënt heeft bij de politie een verklaring afgelegd. Ik vind dat met die verklaring behoedzaam moet worden omgegaan. Ik heb grotendeels de van de verhoren van cliënt gemaakte video’s gezien. Mijn cliënt kreeg de cautie. Op dat moment is echter niet geverifieerd of hij kon overzien wat de strekking was van die mededeling. Op pagina 20, laatste alinea van het proces-verbaal van verhoor van cliënt wordt als verklaring van cliënt gerelateerd “Ik ben te ver gegaan”. Dit is echter een reactie op een opmerking van de verhorende verbalisant. Op een gegeven moment wordt aan cliënt gevraagd om een schets te maken van zijn woning. Halverwege stopt cliënt. Het wordt hem niet duidelijk wat hij moet doen.

Op pagina 24, zesde alinea, worden cliënt de volgende woorden in de mond gelegd “Wat ik gedaan heb wilde ik niet, maar gebeurde toch”. Wat er feitelijk is gebeurd is, dat verbalisant een vraag stelde met die strekking en cliënt als reactie daarop knikte. Hij heeft niet met die bewoordingen geantwoord.

Nergens hebben verbalisanten geverifieerd of cliënt wel begreep wat hem werd gevraagd, dit terwijl ze bekend waren met zijn beperkingen.

Ze hebben hem niet uitgelegd waarom het van belang is dat hij een verklaring aflegt. Er zijn veel overeenkomsten tussen de verklaringen van aangeefster en cliënt. Hij heeft niet de mogelijkheid te overzien wat de gevolgen zijn van zijn verklaringen. De verslaglegging van de opgenomen videoverhoren blijkt niet feilloos.

Ten aanzien van feit 1.

Aangeefster weet een bijzonder accurate schets te maken van het interieur van de woning van cliënt. Dat is vreemd omdat ze niet lang in de woning is geweest en heeft verklaard daarvoor nooit bij hem binnen te zijn geweest. Cliënt zegt echter dat zij vaak bij hem kwam “om een sigaret te bietsen”. Bovendien is het vreemd dat zij, als de tenlastegelegde feiten inderdaad zouden hebben plaatsgevonden, kennelijk meer gefocust was op het interieur van de kamer dan op de dader. Dat doet twijfel ontstaan aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster.

Indien cliënt aangeefster een tongzoen heeft gegeven, is er geen sprake van verkrachting. Zie vonnissen van de rechtbanken Roermond en Utrecht van respectievelijk 8 juli 2002 (LJN:AE8141) en 16 juli 2002 (LJN: AE5467).

In het algemeen spraakgebruik is een tongzoen geen verkrachting. Het opzet is niet gericht op verkrachting door middel van een tongzoen. Aangeefster heeft haar kleren niet uitgetrokken en cliënt heeft niet geprobeerd haar kleren uit te trekken. Daarom kan het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde niet worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2.

Mijn cliënt heeft ontkend dit feit te hebben gepleegd. Hij heeft wel gezegd dat hij het meisje heeft bedreigd, maar dat hij – met uitzondering van de kus – haar niet heeft aangeraakt. Alleen het kussen is onvoldoende om te spreken van ontuchtige handelingen.

Bovendien heeft hij haar niet door bedreiging met geweld gedwongen iets te dulden. Hij heeft niet met het mes gezwaaid. Hij heeft haar alleen in het begin het mes voorgehouden. Later had hij het mes in zijn hand die naast haar op de grond rustte. Ten aanzien van 2 primair moet vrijspraak volgen evenals ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het geven van een tongzoen moet worden gezien als het binnendringen van het lichaam indien dit plaats vindt met een seksuele bedoeling. (HR 21 april 1998, NJ 1998, 781), en dat de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De officier van justitie heeft daartoe het volgende aangevoerd:

Ik neem daarbij in beschouwing de aangifte en de verklaringen van de moeder en de buurvrouw van de aangeefster, waaruit blijkt dat aangeefster consistent heeft verklaard. Daar komt nog bij de betrouwbaarheid van de door aangeefster getekende en toegelichte situatieschets betreffende indeling en interieur van de woning van verdachte. Verdachte heeft destijds verklaard dat hij aangeefster heeft binnengelaten, heeft vastgehouden terwijl hij een mes bij zich had. We spreken hier wel over een meisje van 14 jaar. Zij was behoorlijk aangedaan.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt nu zij enerzijds worden bevestigd door verklaringen van personen aan wie zij kort na het gebeuren verslag heeft gedaan van hetgeen er ten huize van verdachte gebeurd zou zijn en anderzijds op belangrijke punten – mes, in zijn woning aanwezig laten zijn, omduwen, naast haar knielen, zoenen – worden ondersteund door verklaringen van verdachte. Bovendien blijkt de beschrijving van het interieur van de woning van verdachte – waar aangeefster niet eerder binnen was geweest – bijzonder accuraat te zijn.

Met betrekking tot de wijze waarop verdachte door verbalisanten is gehoord en/of de wijze waarop door verbalisanten verklaringen van verdachte zijn verkregen, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de verhoren van verdachte blijkt dat verdachte op vragen, die belangrijke elementen van de hem verweten gedraging betreffen, reageert met ontkenning of een beroep op zijn zwijgrecht.

Op grond van het vorenstaande kan niet worden vastgesteld dat verdachte door de wijze waarop deze verhoren hebben plaats gevonden tot verklaringen is gebracht die hij anders niet zou hebben afgelegd.

Met betrekking tot de vraag of het geven van een tongzoen “seksueel binnendringen” is als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arresten van 22 februari 1994 en 21 april 1998 (NJ 1994, 379 en NJ1998, 781) moet op grond van de wetsgeschiedenis worden aangenomen dat de term “seksueel binnendringen” in artikel 242 Sr ieder binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking omvat.

Het eerdergenoemde arrest van de Hoge Raad dwingt de wetsgeschiedenis tot de opvatting dat de wetgever, voor wat de toepassing van artikel 242 Sr betreft, geen beperking heeft willen aanbrengen in de wijze waarop het lichaam is binnengedrongen.

Dat strookt ook met de ratio van die bepaling, te weten de bescherming van de (seksuele) integriteit van het lichaam. Ook ogenschijnlijk minder ernstige vormen van binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking kunnen immers als een ingrijpende aantasting van de lichamelijke integriteit worden ervaren en kunnen even kwetsend zijn als gedwongen geslachtsgemeenschap.

Gelet op de aldus door de wetgever beoogde reikwijdte van artikel 242 Sr kan de toepasselijkheid van die bepaling dan ook niet afhankelijk worden gesteld van de wijze waarop het lichaam is binnengedrongen en de aard en de ernst daarvan, nog daargelaten dat een dergelijke differentiatie op gespannen voet zou staan met de eisen die vanuit een oogpunt van rechtszekerheid aan de afgrenzing van de desbetreffende strafbepaling moeten worden gesteld.

5. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank verklaart gelet op het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1. primair:

hij op 17 december 2005 te Zwaag, gemeente Hoorn, door geweld en andere feitelijkheden en bedreiging met geweld [naam slachtoffer] ([geboortedatum] 1991) heeft gedwongen tot

het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], hebbende verdachte zijn tong in de mond van die [naam slachtoffer] gestoken

en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte

die [naam slachtoffer] dreigend een mes heeft voorgehouden en

dat mes op zeer korte afstand van haar buik heeft gehouden, waarbij hij tegen die [naam slachtoffer] zei:"Trek je kleren uit! en

die [naam slachtoffer] met kracht in haar maag heeft gestompt, waardoor zij ten val is gekomen en

zijn hand op de mond van die [naam slachtoffer] heeft geplaatst om haar gillen te stoppen en

bovenop die [naam slachtoffer] is gaan zitten,

en aldus voor die [naam slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

2. primair:

hij op 17 december 2005 te Zwaag, gemeente Hoorn, door geweld en andere feitelijkheden en bedreiging met geweld [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het betasten van de schaamstreek van die [naam slachtoffer] en het kussen van die [naam slachtoffer] en het bovenop die [naam slachtoffer] gaan liggen en daarbij heen en weer gaande bewegingen met zijn lichaam te maken,

en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld hierin dat hij

die [naam slachtoffer] dreigend een mes heeft voorgehouden en

dat mes op zeer korte afstand van haar buik heeft gehouden, waarbij hij tegen

die [naam slachtoffer] zei:"Trek je kleren uit!” en

die [naam slachtoffer] met kracht in haar maag heeft gestompt, waardoor zij ten val is gekomen en

zijn hand op de mond van die [naam slachtoffer] heeft geplaatst om haar gillen te stoppen en

bovenop die [naam slachtoffer] is gaan zitten,

en aldus voor die [naam slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

6. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor genoemde bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

7. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

De voortgezette handeling van

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid

en

Verkrachting

8. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

9. DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

De strafoplegging.

De eis van de officier van justitie, waarbij hij aangeeft rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarde: zich houden aan de aanwijzing van de Reclassering Nederland, arrondissement Alkmaar ook indien dit inhoudt een opname bij GGZ Altrecht Wier.

Het standpunt van de verdediging.

Indien er een veroordeling volgt voor 2 subsidiair dan kan op grond van de heldere rapportage gekozen worden voor een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld verplicht Reclasseringstoezicht. Cliënt kan zich in dat geval vinden in de door de officier van justitie genoemde bijzondere voorwaarde. Gezien het tijdsverloop en de in de rapportages geschetste positieve ontwikkelingen lijkt een klinische opname niet voor de hand te liggen. Bovendien kan om dezelfde reden ook de duur van de voorwaardelijke gevangenisstraf fors worden gematigd.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en met het feit dat er sprake is van een onwenselijk lang tijdsverloop, gelet op de persoon van verdachte.

De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat verdachte vanaf de openbare weg een jong meisje zijn woning heeft ingetrokken en haar heeft bedreigd met een mes. Hij heeft haar verhinderd de woning te verlaten, heeft haar op de grond gewerkt en heeft haar vervolgens, nog steeds met dat mes in zijn hand of binnen zijn bereik, ontuchtig betast en verkracht door haar een tongzoen te geven. Een dergelijk inbreuk op haar lichamelijke integriteit met daarbij het op haar uitgeoefende geweld en bedreiging met geweld kan een zodanig grote impact hebben op een meisje van nog maar 14 jaren, dat zij daarvan nog lang ernstige – psychische – gevolgen kan ondervinden.

Uit een uitreksel uit de justitiële documentatie, gedateerd 1 februari 2008 blijkt dat verdachte in 1997 en 2005 in verband met handelen in strijd met de zedelijkheidswetgeving met justitie in aanraking is gekomen, maar niet eerder daarvoor is veroordeeld.

De rechtbank heeft voorts gelet op de inhoud van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport, gedateerd 3 maart 2008, van W.J.S. Stet, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, Regio Alkmaar-Haarlem en de ter terechtzitting door genoemde getuige-deskundige op dit rapport gegeven toelichting.

Dit rapport houdt onder meer in als advies:

Wij adviseren de rechtbank om een verplicht reclasseringscontact op te leggen. Voorts achten wij het noodzakelijk dat in het vonnis als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen dat betrokkene meewerkt aan de behandeling bij Wier, GGZ Altrecht, ook als dat inhoudt en indien geïndiceerd, tijdelijk klinisch opgenomen te worden, zolang de verantwoordelijke behandelaar in overleg met de reclassering dit nodig acht.

De rechtbank heeft voorts gelet op de inhoud van het over verdachte uitgebrachte psychologisch rapport gedateerd 29 februari 2008, van drs. P.E. Geurkink.

Dit rapport houdt onder meer het volgende in als conclusie en advies:

Er is bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis der geestvermogens en een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de zin van parafilie (in remissie door het feit dat betr. op dit moment in een gecontroleerde omgeving functioneert) en een antisociale persoonlijkheidsstoornis mogelijk in combinatie met een persoonsverandering door een somatisch aandoening.

Het voorgaande in combinatie met het misbruik van middelen (alcohol en cannabis), eveneens in remissie door het feit dat betrokkene op dit moment in een gecontroleerde omgeving functioneert.

Deze gecombineerde pathologie bestond ten tijde van het tenlastegelegde, waarbij de parafilie en het misbruik van middelen nog niet in remissie waren.

Deze ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens beïnvloedde onderzochtes gedragkeuzen ten tijde van het tenlastegelegde.

Ondergetekende is van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil - overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen.

In antwoord op de in hoofde gestelde vraag concludeert ondergetekende, dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens dat dit feit - indien bewezen - hem in verminderde mate kan worden toegerekend.

Ten aanzien van de kans op herhaling zijn ten opzichte van het vorige onderzoek nuanceringen aan te brengen, zoals ook al bleek bij de actuele statistische risicotaxatie hiervoor. Betr. functioneert naar het zich laat aanzien langere tijd zonder veel problemen in een gecontroleerde setting, waarin met name zijn familie een sturende en corrigerende rol speelt, die vrij consistent en duurzaam lijkt. Betr. woont weer bij zijn ouders, hij heeft werk en ook zijn vrije tijd lijkt hij vrij

adequaat te vullen. Verder lijkt hij - al dan niet onder druk van het systeem – het

gebruik van middelen te beperken en werkt hij mee aan een ambulante

behandeling bij Wier. Door het voorgaande wordt betr. op dit moment beschermd,

ondersteund, begeleid en behandeld. Hierdoor is de kans op een herhaling binnen

deze constructie aanzienlijk verminderd, wat niet wegneemt dat wanneer deze

constructie op dit moment totaal zou wegvallen, de kans op een herhaling weer

toeneemt. Betr. zal gezien zijn pathologie duurzaam afhankelijk zijn van een vorm

van begeleiding, maar op de wat langere termijn valt van de behandeling en het

functioneren in de huidige situatie mogelijk een duurzaam positief effect te

verwachten op zijn functioneren, zoals een toename van het zelfinzicht, meer

controle op zijn impulsen en een positiever en meer autonoom zelfbeeld, waardoor

de kans op herhaling structureel kleiner wordt. De voorgaande meer klinische

inschatting van de kans op een recidive wordt ondersteund door de statistische

risicotaxatie zoals hiervoor beschreven.

Het is van belang dat de huidige constructie rondom betr. wordt gecontinueerd,

waarbij met name aan de familie een grote vrij autonome rol kan worden gegeven.

De afweging om ofwel een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel

te adviseren, ofwel een terbeschikkingstelling als juridisch kader voor de

behandeling, was tijdens het vorige onderzoek een moeilijke. Vanuit het huidige

onderzoek zijn er voldoende aanknopingspunten te vinden om hierin een duidelijke

voorkeur aan te geven. Binnen de huidige constructie met het verminderde

recidiverisico is een Terbeschikkingstelling, al dan niet met voorwaarden,

disproportioneel en lijken bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk

strafdeel het meest geschikt. De bijzondere voorwaarden moeten inhouden dat

betr. de reeds ingezette behandeling afrondt, dat hij woont met toezicht zoals

bijvoorbeeld nu bij zijn ouders, dat hij een dagbesteding blijft houden en dat er aandacht is voor zijn middelengebruik. Wanneer dit advies wordt overgenomen lijkt het wenselijk, gezien de betrokkenheid van de familie, om bij hen een groot deel van de uitvoering van het bovenstaande te laten en de rol van de reclassering te beperken tot een meer op afstand toetsende, zolang de familie zich zoals nu uitstekend kwijt van haar verantwoordelijke taak.

De rechtbank kan zich verenigen met de conclusie in dit rapport.

De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank acht, gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend.

De rechtbank zal echter, gelet op de onwenselijk lange termijn als hiervoor overwogen, en gelet op de omstandigheid dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, de straf als volgt matigen.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van de straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de reeds aangevangen ambulante behandeling bij de Wier zal voortzetten. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed te laten uitoefenen op het gedrag van de verdachte, het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan. De rechtbank zal niet, zoals door de Reclassering is geadviseerd, als bijzondere voorwaarde opnemen dat verdachte zich voor behandeling, indien geïndiceerd, tijdelijk zal laten opnemen in een kliniek zolang “verantwoordelijke behandelaar in overleg met de reclassering dit nodig acht.” Een dergelijke beslissing, welke vrijheidsbeneming inhoudt voor betrokkene, dient door de rechter te worden genomen en mag niet aan de behandelaar worden overgelaten.

10. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 56, 242, 246 van het Wetboek van Strafrecht.

11. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 150 dagen.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 139 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland Regio Alkmaar/Haarlem, ook indien dit inhoudt het voortzetten van een ambulant contact met de Wier, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.H. Franke, voorzitter,

mr. A. van der Perk en mr. Y.M.I. Greuter-Vreeburg, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2008.