Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BC7333

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
14-810230-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van mensensmokkel door het verhuren van woonruimte

aan illegaal in Nederland verblijvende personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Locatie Alkmaar

Parketnummer : 14/810230-07

Datum uitspraak : 19 maart 2008

TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte 1],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]1952,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het [adres] [plaatsnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 maart 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van

- de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 166 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis en een geldboete van € 5.000,00.

- hetgeen door de verdachte en mr. P.P.C.M. Waarts en mr. P.M. Breukink, raadslieden van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2004 tot en met 22 mei 2007 in de gemeente Zijpe, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,(telkens) (een) ander(en), te weten

-[persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of

-[persoon 4] en/of [persoon 5] en/of

-[persoon 6] en/of [persoon 7] en/of

-[persoon 8] en/of

-[persoon 9] en/of persoon 10] en/of

-[persoon 11] en/of

-[persoon 12] en/of

-[persoon 13] en/of

-[persoon 14] en/of

één of meer andere person(o)n(en), uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, dan wel haar/hem/hen daartoe gelegenheid en/of middelen heeft verschaft, door

-het verschaffen en/of verhuren van woonruimte aan [adres] te

[plaatsnaam] en/of [adres] en/of [adres] te [plaatsnaam] en/of

-het bemiddelen bij arbeid en/of

-het regelen van vervoer naar plaatsen van arbeid en/of

-het vervoeren naar plaatsen van arbeid

terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en), dan wel ernstige

redenen had(den) te vermoeden dat het verblijf wederrechtelijk was,

zulks terwijl voornoemd(e) feit(en) werd(en) begaan door verdachte en/of

verdachtes mededader(s) die daarvan een beroep of gewoonte heeft/hebben

gemaakt en/of in vereniging werden begaan door meerdere personen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

zij op tijdstippen in de periode van 01 januari 2004 tot en met 22 mei 2007 in de gemeente Zijpe,

tezamen en in vereniging met een ander, anderen, te weten

-[persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en

-[persoon 4] en [persoon 5] en

-[persoon 6] en [persoon 7] en

-[persoon 8] en

-[persoon 9] en [persoon 10] en

-[persoon 11] en

-[persoon 12] en

-[persoon 13] en

-[persoon 14]

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, door het verschaffen en verhuren van woonruimte aan [adres] te

[plaatsnaam] en/of [adres] en/of [adres] te [plaatsnaam],

terwijl verdachte en verdachtes mededader ernstige redenen hadden te vermoeden dat het verblijf wederrechtelijk was,

zulks terwijl voornoemde feiten werden begaan door verdachte en verdachtes mededader die daarvan een beroep of gewoonte hebben gemaakt en in vereniging werden begaan door meerdere personen;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. BEWIJSVERWEREN

De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit niet kan worden bewezen en daartoe onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van artikel 197a Sr moet er sprake zijn van enige vorm van schuld bij verdachten. Met andere woorden zal moeten kunnen worden vastgesteld dat cliënte wist dan wel had moeten vermoeden dat er sprake was van illegalen aan wie zij onderdak bood.

Kon cliënte weten dat zij illegalen onderdak bood? Kon cliënte weten dat Oekrainers niet zomaar in Nederland mochten verblijven? Kon cliënte weten dat er sprake was van vervalste paspoorten die werden getoond? Naar algemene ervaringsregels zal het oordeel zijn dat men bekend hoort te zijn met de Nederlandse wetgeving aangaande vreemdelingen. Dat was cliënte niet en dat wordt haar nu zwaar aangerekend. Dit terwijl zij op geen enkele wijze kwade bedoelingen had. Van slechte intenties en uitbuitingsituaties was geen sprake. Er werd gezelligheid in huis gehaald en verdachte had met haar pensionnetje wat om handen. Er werden geen torenhoge huren gevraagd en er werd niet moeilijk gedaan over te laat betalen. Als men geen werk had mocht men later betalen. Ik verzoek u met klem rekening te houden met de verklaringen van de aangetroffen Oekraïners. Het merendeel praat lovend over cliënte en haar man. Het zijn hartelijke mensen die hun overtollige ruimte in huis en het vakantiehuisje dat zij in bezit hadden verhuurden. Artikel 197 a Sr is in de wet gekomen ter bescherming van de vreemdelingen die uitgebuit werden. Uitgebuit door slechte mensen met slechte intenties. Niet door mensen zoals cliënte. Anders vier je samen geen verjaardagen. Haar wellicht wat domme naïeve houding ten aanzien van de vreemdelingenwet doet haar nu de das om.

Nb.) Ik merk op dat een aantal mensen van een vals paspoort gebruik maakte en dat cliënte naar mijn mening niet kan worden aangerekend dat zij had moeten vermoeden dat deze personen Oekraïners waren nu zij een Poolse identiteitskaart lieten zien. Dit betreft de personen:

• [persoon 1, alias [naam] (Poolse id-kaart)

• [persoon 2] en [persoon 3]

• [persoon 5] en [persoon 4] (hebben gezegd dat ze Polen zijn)

• [persoon 8]

• [persoon 9] en [persoon 10]

• [persoon 11]

• [persoon 12]

• [persoon 13]

• [persoon 14] (door ander gezegd dat ze Pools was, p 261)

De vraag die rijst is of cliënte bekend kon zijn met hun echte identiteit en als ze bekend was geworden met deze echte identiteit per wanneer dit dan was? De verdediging zal hierover niet uitweiden nu dit naar haar mening geen grote verandering zal brengen in het uiteindelijke oordeel over de zaak en de daaraan te koppelen straf of sanctie.

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte wist althans had kunnen vermoeden dat de personen aan wie zij woonruimte verhuurde uit de Oekraïne afkomstig waren op grond van

- de verklaring van [getuige 1];

- bij de stukken aanwezige foto’s waaruit blijkt dat in de door verdachte verhuurde huisjes in 2004 al uit de Oekraïne afkomstige personen aanwezig waren.

- de doorzoeking van de woning in mei 2007 waarbij uit de Oekraïne afkomstige personen werden aangetroffen. Hieruit blijkt dat de aanwezigheid van Oekraïners in door verdachte verhuurde woonruimtes een permanent karakter had.

Sommige Oekraïners hebben aan verdachte of aan haar echtgenoot valse Poolse paspoorten laten zien. Niet gebleken is dat de Oekraïners bezig waren om zich in Nederland een geldige verblijfstitel te verschaffen. Ze werkten bij boeren op het land en verrichtten klussen in de particuliere sector.

Uit verklaringen van de buren [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat het verdachte bekend was dat het om illegale Oekraïners ging. Door verdachte en haar mededader werd de gedachte dat de Oekraïners niet in Nederland mochten verblijven en werken kennelijk verdrongen. En ook al zouden ze het niet weten, dan is er toch nog sprake van voorwaardelijk opzet op de illegaliteit van de in de huisjes/kamers aanwezige illegale Oekraïners. Door niet de verblijfstatus van de huurders van de huisjes/kamers te controleren hebben verdachte en haar mededader zich willens en wetens blootgesteld aan de niet te verwaarlozen kans dat de huurders geen legale verblijfstatus in Nederland bezaten, aldus de officier van justitie.

De rechtbank heeft met betrekking tot dit verweer het volgende overwogen.

Verdachte heeft met haar mededader in de tenlastegelegde periode woonruimte verhuurd onder meer aan uit het buitenland afkomstige personen. Het was, onder meer gelet op de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1], verdachte duidelijk dat in de huisjes personen verbleven met de Oekraïnse nationaliteit. Ook al zouden verdachte en haar mededader aanvankelijk hebben geloofd dat het om uit Polen afkomstige personen ging, dan blijkt uit de verklaringen van de buren en de illegale personen zelf dat verdachte in ieder geval op zeker moment wist dat het om Oekraïners ging. Verdachte heeft daarna het verblijf van de illegaal in de door haar verhuurde woonruimtes verblijvende Oekraïners niet beëindigd.

Uit de door verdachtes mededader, [verdachte 2], afgelegde verklaring leidt de rechtbank af dat verdachte en haar mededader in veel gevallen niet hebben gevraagd naar de identiteit van de huurders omdat zij het niet tot hun taak rekenden om dit te controleren. Het maakte volgens zijn verklaring “ [verdachte 2] niet uit wie de huisjes/kamers bewoonde als hij maar tijdig de huurprijs ontving en de bewoners geen problemen veroorzaakten”.

5. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit, omschreven in het tweede lid van artikel 197a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt en in vereniging is begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd.

6. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. MOTIVERING VAN DE STRAFFEN.

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft zich geruimte tijd met haar mededader (haar echtgenoot) schuldig gemaakt aan het uit winstbejag onderdak verschaffen aan personen van wie zij ernstige redenen had te vermoeden dat zij illegaal in Nederland verbleven. Verdachte heeft hierdoor het overheidsbeleid bij de bestrijding van illegaal verblijf in Nederland bemoeilijkt. Artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht ziet niet slechts op het tegengaan van uitbuiting van vreemdelingen, maar, naast de bescherming van het vreemdelingenbeleid, ook op de bescherming van economische en met name arbeidsmarktbelangen.

De rechtbank neemt hierbij in het voordeel van verdachte het volgende in aanmerking.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte de intentie had om juist illegaal in Nederland verblijvende personen onderdak te verschaffen. Wel is gebleken dat verdachte verregaand onverschillig is geweest met betrekking tot de verblijfstatus van de personen aan wie zij woonruimte ter beschikking stelde en van wie zij het ernstige vermoeden moest hebben dat zij illegaal in Nederland verbleven. Ook is van belang dat verdachte geen andere huurprijzen vroeg aan bewoners die illegaal in Nederland verbleven dan aan andere bewoners. Er is dus geen sprake van uitbuiting van illegaal in Nederland verblijvende personen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 1 februari 2008, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder terzake van soortgelijke feiten is veroordeeld.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 5 maart 2008 van mevrouw M.D. Carduck als reclasseringswerker verbonden aan de Reclassering Nederland, Regio Alkmaar-Haarlem.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op haar plaats is. De rechtbank zal echter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de ernst van de gepleegde feiten en gelet op hetgeen in het hiervoor genoemde voorlichtingsrapport is vermeld met betrekking tot de persoon van verdachte, het onvoorwaardelijk deel van de straf beperken tot de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis en daarnaast een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen met daaraan verbonden een proeftijd als waarschuwing aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat tevens een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, behoort te worden opgelegd, een en ander op de wijze zoals hierna in de rubriek BESLISSING zal worden aangegeven.

8. BESLISSING OMTRENT IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De rechtbank is van oordeel, dat de in beslag genomen portemonnee dient te worden teruggegeven aan verdachte.

9. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c(oud), 22d, 57(oud), 197a van het Wetboek van Strafrecht.

10. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 74 dagen.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 60 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 60 dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Gelast de teruggave aan de verdachte van een portemonnee.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk , voorzitter,

mr. B.H. Franke en mr. Y.M.I. Greuter-Vreeburg, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2008.