Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BC3831

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
99190 - KG ZA 07-397
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN BC1122. Gedaagden zijn veroordeeld om het gekraakte pand te ontruimen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

NB / HW

KG nummer: 99190 / KG ZA 07-397

datum: 7 februari 2008

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STEDEBEHOUD B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

EISERES IN KORT GEDING bij dagvaarding van 12 december 2007,

procureur mr. F.P. Klaver,

tegen:

[toevoeging 4GP8118]

1. [GEDAAGDE SUB 1],

wonende te Alkmaar,

GEDAAGDE IN KORT GEDING,

advocaat mr. E.Th. Hummels te Zeist,

2. Zij die verblijven in de onroerende zaak of in een gedeelte daarvan staande en gelegen aan het [adres] te Alkmaar,

GEDAAGDEN IN KORT GEDING,

niet verschenen.

Partijen zullen verder worden genoemd "Stedebehoud", "[gedaagde sub 1]" respectievelijk "gedaagden sub 2".

1. HET VERDERE VERLOOP VAN HET GEDING

Voor het procesverloop tot 3 januari 2008 verwijst de voorzieningenrechter naar het op die datum tussen partijen gewezen en uitgesproken tussenvonnis.

Vervolgens is de mondelinge behandeling op 28 januari 2008 voortgezet.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

Heden is vonnis bepaald.

2. DE VERDERE GRONDEN VAN DE BESLISSING

2.1 In het tussenvonnis van 3 januari 2008 heeft de voorzieningenrechter aan Stedebehoud gevraagd om nadere inlichtingen met documentatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar te verstrekken over de volgende vraagpunten:

a. Is het nodig dat aan Stedebehoud een vrijstelling (of wijziging) van het bestemmingsplan voor het voorgenomen gebruik van het bedrijfspand aan het [adres] te Alkmaar als zakenpand wordt verleend en zo ja, zal een aanvraag hiertoe naar verwachting worden verkregen?

b. Is het nodig dat Stedebehoud voor het uitvoeren van de voorgenomen verbouwing een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 verkrijgt en zo ja, zal deze vergunning naar verwachting worden verkregen?

c. Op welke termijn kunnen eventueel vereiste vergunningen, zo die worden verleend, worden verwacht?

2.2 Ter voldoening aan het tussenvonnis heeft Stedebehoud een brief van 10 januari 2008 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar in het geding gebracht. In die brief zijn de hiervoor vermelde vragen als volgt beantwoord:

a. De voorgenomen verhuur van [adres] als bedrijfsruimte is in overeenstemming met de bestemming. Stedebehoud hoeft derhalve geen vrijstelling of een wijziging van het bestemmingsplan aan te vragen voor het voorgenomen gebruik. Het gehele pand is al meer dan 20 jaar geheel in gebruik geweest als kantoor/bedrijfspand, dus zonder woonruimte. Dat kan op dezelfde wijze gecontinueerd worden. In 1980 heeft het College een bouwvergunning verleend voor de verbouwing/restauratie tot bedrijfsruimte.

b. Een vergunning is nodig maar daarvoor kan de verkorte procedure worden gevolgd aangezien de verbouwing de monumentale status van het pand niet aantast. Het gaat namelijk om een voorziening, die tijdens de verbouwing in 1980 is aangebracht en dus niet tot het monument hoort. Voor dergelijk aanpassingen aan het monument is de gemeente door de Rijksdienst gemachtigd om dit zelfstandig af te handelen. De bouw- monumentenvergunning zal naar verwachting - op basis van de nu bekende gegevens - spoedig afgegeven kunnen worden.

c. De termijn waarop de vergunning sub b zal kunnen worden afgegeven, bedraagt circa 14 dagen na aanvraag.

2.3 [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat het nog lang niet zeker is dat Stedebehoud op korte termijn een bouwvergunning verkrijgt, zodat zij geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Er is immers voor het realiseren van de trap wel degelijk een bouwvergunning in de zin van de Monumentenwet vereist, de te realiseren trap voldoet niet aan de eisen die worden gesteld in het Bouwbesluit, het bedrijfspand voldoet niet aan de door de arbowetgeving gestelde eisen, en de door Stedebehoud aangevraagde vergunning dient nog in de welstandscommissie te worden besproken, aldus [gedaagde sub 1].

2.4 Aldus betwist [gedaagde sub 1] de juistheid van de inlichtingen die het college van burgemeesters en wethouders heeft verstrekt. Niet gebleken is echter dat Stedebehoud het college heeft voorzien van onjuiste of onvolledige informatie, waarop de verstrekte inlichtingen zijn gebaseerd. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat aan Stedebehoud op korte termijn de vereiste bouwvergunning wordt verleend.

2.5 Mocht het verkrijgen van de bouwvergunning onverhoopt langer op zich laten wachten, dan kan het verweer [gedaagde sub 1] evenmin baten. Uit artikel 10 lid 1 van de door Stedebehoud gesloten huurovereenkomsten blijkt immers dat de uitvoering van de bouwwerkzaamheden voor de beide huurders geen enkel beletsel vormt om het gehuurde in gebruik te nemen. Dit hebben de huurders nog eens schriftelijk bevestigd, zoals blijkt uit de verklaringen die Stedebehoud in het geding heeft gebracht. Daarbij komt dat ter terechtzitting van de zijde van Stedebehoud is gesteld dat de huurders in afwachting van en gedurende de verbouwing het pand reeds in gebruik zullen nemen om zelf de nodige opknapwerkzaamheden uit te voeren, hetgeen [gedaagde sub 1] onvoldoende heeft weersproken.

2.6 Gelet op het vorenstaande heeft Stedebehoud voldoende aannemelijk gemaakt dat de huurders het bedrijfspand op korte termijn in gebruik zullen nemen, zodat zij een spoedeisend belang heeft bij ontruiming van het bedrijfspand. [gedaagde sub 1] wordt dan ook veroordeeld om het pand te ontruimen. Ook de vordering tegen gedaagden sub 2 wordt toegewezen, nu de vordering tegen hen de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om [gedaagde sub 1] en gedaagden sub 2 een termijn van 14 dagen te gunnen om het pand te ontruimen.

2.7 De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge de artikelen 556 lid 1 en 557 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering overbodig is.

2.8 De vordering om een termijn te bepalen gedurende welke de bevoegdheid tot ontruiming kan worden uitgeoefend is voor toewijzing vatbaar, nu deze niet voldoende gemotiveerd is weersproken.

2.9 [gedaagde sub 1] en gedaagden sub 2 worden als de in het ongelijk te stellen partijen veroordeeld in de proceskosten.

3. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- veroordeelt [gedaagde sub 1] en gedaagden sub 2 om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis met al de zijnen en het zijne de onroerende zaak gelegen aan het [adres] te Alkmaar te ontruimen;

- bepaalt dat dit vonnis tot een jaar na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet;

- veroordeelt [gedaagde sub 1] en gedaagden sub 2 in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Stedebehoud begroot op [euro] 321,85 aan verschotten en op [euro] 816,- aan salaris procureur;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- weigert de meer of anders gevorderde voorziening.

Gewezen door mr. H. Warnink, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2008 in tegenwoordigheid van mr. N. Boots, griffier.