Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BC2817

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
95606
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst. Non-conformiteit en verjaring. Onderzoeksplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

RH / PHL

zaak- en rolnummer: 95606 / HA ZA 07-464

datum: 30 januari 2008

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

1. [eiseres sub 1],

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISER bij dagvaarding van 24 mei 2007,

procureur mr. H.R.M. Jenné,

advocaat mr. F.A. Geevers te Utrecht,

tegen:

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats], gemeente [],

GEDAAGDE,

procureur mr. L.T. van Eyck van Heslinga.

Partijen zullen verder worden genoemd "[eiser]" respectievelijk "Gedaagde".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

1.1 Eiser heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de dagvaarding, waarbij 5 producties zijn overgelegd.

1.2 Gedaagde heeft een conclusie van antwoord genomen, waarbij 4 producties zijn overgelegd.

1.3 Op 8 augustus 2007 heeft de rechtbank een in deze zaak tussen partijen gewezen vonnis uitgesproken. Ter uitvoering van dat vonnis heeft op 7 december 2007 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.4 Ten slotte is vonnis gevraagd.

De inhoud van al deze stukken geldt als hier ingelast.

2. DE FEITEN

Tussen partijen staat het volgende vast:

2.1 Eiser heeft een boot (genaamd '[boot]) gekocht van Gedaagde. De door beide partijen ondertekende koopovereenkomst van 9 december 2002 houdt onder meer in, voor zover thans van belang en zakelijk weergegeven:

5. Koper verklaart, behoudens het gestelde in punt 7. van deze overeenkomst, de '[boot]' te hebben onderzocht en laten onderzoeken en aldus te kennen en te aanvaarden.

7. Koper en verkoper verklaren aan elkaar geen verdere verplichtingen te hebben, indien uit een te verrichten onderzoek van de '[boot]' vóór of op

13 december 2002 door een onafhankelijke expert zou blijken, dat de geschatte kosten van eventuele reparaties aan constructieve onderdelen van het schip een bedrag van euro 1.500,- te boven zouden gaan, hierbij de reeds bekende gebreken zoals de schroef en enkele te repareren delen van het dek en normaal onderhoud buiten beschouwing latende.

2.2 De boot is op 27 december 2002 geleverd. De door beide partijen ondertekende akte van levering houdt onder meer in, voor zover thans van belang:

Koper verklaart te hebben afgezien van verdere inspectie van het schip en verklaart de '[boot]' te hebben onderzocht en aldus te kennen en onvoorwaardelijk te aanvaarden. Koper noch verkoper kan zich ter zake van deze koop en levering op enige ontbindende voorwaarde wat betreft de staat van het schip beroepen. Eventuele reparaties voortkomende uit gebreken die later zouden blijken, zullen volledig voor kosten en risico van koper zijn.

2.3 Op 14 maart 2003 hebben de deskundigen P. Selles en M. Kamminga (hierna kortweg: Selles en Kamminga) in opdracht van Eiser de boot geïnspecteerd. In zijn rapport van 18 maart 2003 schrijft Selles onder meer dat het houtwerk van het boeisel op een aantal plaatsen fors door rotting is aangetast. De staat van het boeisel was langer bekend, daar het gehele boeisel aan binnen- en buitenzijde is ingepakt in multiplex, aldus Selles. Kamminga schrijft in zijn rapport van 3 april 2003 onder meer dat zowel aan bakboord- als aan stuurboordzijde de gangen zijn gedubbeld, hetgeen waarschijnlijk duidt op camouflage van slecht of verrot hout.

2.4 Eiser heeft bij brief van 26 mei 2003 Gedaagde kennis gegeven van de door de deskundigen gerapporteerde gebreken aan de boot. Ook is Gedaagde bij deze brief in gebreke gesteld en gesommeerd binnen 14 dagen te berichten dat hij aansprakelijkheid erkent voor de gebreken.

2.5 Bij brief van 4 maart 2005 heeft Eiser de koopovereenkomst buiten-gerechtelijk ontbonden subsidiair vernietigd op grond van dwaling en daarbij de aan Gedaagde betaalde koopprijs ter hoogte van euro 9.500,- teruggevorderd.

2.6 Tot op heden heeft Gedaagde, ondanks meerdere sommaties, niets terugbetaald aan Eiser.

3. HET GESCHIL

3.1 Eiser heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

primair en subsidiair:

voor recht zal verklaren dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de boot is ontbonden, dan wel die overeenkomst zal ontbinden, en Gedaagde hoofdelijk zal veroordelen om aan Eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen euro 17.271,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

1 mei 2007 tot aan de dag der algehele voldoening,

meer subsidiair:

voor recht zal verklaren dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de boot is vernietigd, dan wel die overeenkomst zal vernietigen, en Gedaagde hoofdelijk zal veroordelen om aan Eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen euro 17.271,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

1 mei 2007 tot aan de dag der algehele voldoening,

een en ander met veroordeling van Gedaagde in de kosten van deze procedure.

3.2 Naast de vaststaande feiten heeft Eiser - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Gelet op de bevindingen van de door Eiser ingeschakelde deskundigen, voldoet de geleverde boot niet aan de overeenkomst. Eiser heeft de overeenkomst daarom buitengerechtelijk ontbonden. Deze ontbinding leidt ertoe dat Gedaagde aan Eiser de betaalde koopsom dient te restitueren. Ook dient Gedaagde alle schade van Eiser te vergoeden. De koopsom en de schade bedragen bij elkaar euro 15.070,-. Subsidiair, voor zover geen sprake zou zijn van non-conformiteit, stelt Eiser dat Gedaagde toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, zodat Gedaagde op grond hiervan voornoemd bedrag aan Eiser dient te betalen. Meer subsidiair stelt Eiser dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling. Eiser heeft de overeenkomst dan ook buitengerechtelijk vernietigd. Deze vernietiging leidt ertoe dat de betaling aan Gedaagde onverschuldigd is dan wel dat Gedaagde daardoor ten opzichte van Eiser ongerechtvaardigd verrijkt is, zodat Gedaagde voornoemd bedrag aan Eiser dient te betalen, aldus Eiser.

3.3 Hiernaast vordert Eiser vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van euro 788,40 inclusief btw, alsmede de wettelijke rente vanaf 18 maart 2005, welke tot 1 mei 2007 euro 1.413,- bedraagt.

3.4 Gedaagde heeft de vordering en de onderbouwing daarvan gemotiveerd weersproken op gronden die hierna, voor zover van belang, aan de orde zullen komen.

4. DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1 Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld, dat het beroep van Eiser op ontbinding van de koopovereenkomst op grond van non-conformiteit is verjaard. Gelet op de kennisgeving van Eiser van 26 mei 2003 is ingevolge artikel 7:23 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de rechtsvordering van Eiser op 26 mei 2005 verjaard. Zelfs als aan de brief van Eiser van 4 maart 2005 stuitende werking zou kunnen worden toegekend, ook dan is de rechtsvordering verjaard. De dagvaarding is immers meer dan 2 jaren nadien uitgebracht. De verjaring treft ook de vordering tot vernietiging op grond van dwaling, aldus Gedaagde.

4.2 Gedaagde heeft hiernaast het verweer gevoerd, voor het geval dat de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van verjaring, dat Eiser niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd in de zin van artikel 7:23 lid 1 BW. Eiser heeft pas op 26 mei 2003 Gedaagde kennis gegeven van de gebreken aan de boot, terwijl de boot reeds op 27 december 2002 was geleverd. Dit betekent dat Eiser geen beroep meer toekomt op het niet beantwoorden van het gekochte aan de overeenkomst, aldus Gedaagde.

4.3 De rechtbank overweegt als volgt. Ter comparitie heeft Eiser onbetwist verklaard dat hij 4 tot 6 weken na de levering van de boot telefonisch contact heeft gehad met Gedaagde en voorts dat er op de datum van het rapport van de deskundige Kamminga wederom telefonisch contact is geweest. Bij beide contacten is er gesproken over de gestelde gebreken aan de boot. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat Eiser tijdig heeft geklaagd.

4.4 De vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst op de voet van artikel 6:267 lid 2 BW is naar het oordeel van de rechtbank inderdaad verjaard. Ingevolge artikel 7:23 lid 2 BW verjaren rechtsvorderingen en verweren door verloop van twee jaren na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving. De kennisgeving van Eiser heeft op 26 mei 2003 plaatsgevonden, terwijl de dagvaarding meer dan 2 jaren nadien is uitgebracht, te weten op 24 mei 2007.

4.5 Dit oordeel luidt niet anders, indien aan de brief van 4 maart 2005 stuitende werking toekomt. Op grond van artikel 3:319 lid 1 BW begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag waarop de stuiting plaatsvond. Deze nieuwe verjaringstermijn is ingevolge het tweede lid van dat artikel gelijk aan de oorspronkelijke verjaringstermijn. De vordering is dan ook in elk geval verjaard op 5 maart 2007.

4.6 De verjaring van de vordering tot ontbinding betreft alle vorderingen en verweren ter zake van de tekortkoming. In zijn arrest van 21 april 2006, NJ 2006, 272, oordeelt de Hoge Raad, kort gezegd, dat ingevolge artikel 7:23 lid 2 BW rechtsvorderingen en verweren, gegrond op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, verjaren door verloop van twee jaren en voorts dat op grond van de strekking van deze bepaling, mede blijkend uit de wetsgeschiedenis, deze verjaring geldt voor iedere rechtsvordering die feitelijk gegrond is op het niet beantwoorden van de afgeleverde zaak aan de overeenkomst.

4.7 Dit betekent dat ook de subsidiaire vordering van Eiser tot ontbinding van de overeenkomst op grond van een toerekenbare tekortkoming van Gedaagde, zijn meer subsidiaire vordering tot vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling en zijn vordering tot schadevergoeding zijn verjaard, nu de feitelijke grondslag van deze vorderingen inhoudt, dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. Deze vorderingen worden aldus beheerst, gelet op het hiervoor overwogene, door de verjaringsregel van artikel 7:23 lid 2 BW. Deze vorderingen dienen derhalve eveneens te worden afgewezen.

4.8 Daarmee komt de rechtbank toe aan de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de buitengerechtelijke ontbinding en de hierop gebaseerde vordering tot nakoming van de verbintenis tot ongedaanmaking. De verjaringsregel van artikel 7:23 lid 2 BW laat een ongedaanmakingsvordering resulterend uit een buitengerechtelijke ontbinding van vóór de voltooiing van de verjaring namelijk onverlet. Eiser heeft, volgens zijn stellingen, vrij snel nadat hij de boot op

27 december 2002 in zijn bezit heeft gekregen, gebreken aan die boot geconstateerd. Hij heeft Gedaagde van deze gebreken mondeling op de hoogte gesteld, daarna schriftelijk kennis gegeven op 26 mei 2003 en de overeenkomst vervolgens op 4 maart 2005 op de voet van artikel 6:267 lid 1 BW buitengerechtelijk ontbonden. Deze buitengerechtelijke ontbinding heeft aldus tijdig plaatsgevonden. Gelet hierop, alsmede gelet op het feit, dat de grondslag van de buitengerechtelijke ontbinding primair non-conformiteit is, zal de rechtbank thans deze grondslag beoordelen.

4.9 Het uitgangspunt bij de beoordeling van het beroep op non-conformiteit is de in artikel 7:17 lid 1 BW neergelegde regel, dat een afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Een zaak beantwoordt volgens het tweede lid van dat artikel niet aan de overeenkomst, indien die zaak niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan de koper de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Bij beantwoording van de vraag welke eigenschappen de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de zaak, de prijs, tot welke mededelingen de verkoper was gehouden, welk onderzoek van de koper kon worden gevergd en alle overige omstandigheden die een rol kunnen spelen.

4.10 Uit de rapporten van de door Eiser ingeschakelde deskundigen Selles en Kamminga blijkt, dat de gebreken aan de boot met name bestaan uit houtrot. De partijdeskundigen vermoeden expliciet (Kamminga) of impliciet, dat dit houtrot op enig moment is gecamoufleerd, omdat onder andere de gangen van de boot zijn gedubbeld en het gehele boeisel aan binnen- en buitenzijde is ingepakt in multiplex. Nog los van de vraag of de gestelde gebreken en de gestelde camouflage daarvan als vaststaand moeten worden beschouwd, nu Gedaagde immers zowel het bestaan van die gebreken als de omvang daarvan heeft betwist, dient de vraag te worden beantwoord of de door de deskundigen gerapporteerde en door Eiser ten grondslag aan zijn beroep op ontbinding gelegde gebreken in de onderhavige situatie non-conformiteit in vorenbedoelde zin kunnen opleveren.

4.11 In dit verband stelt de rechtbank allereerst vast dat de door de deskundigen gerapporteerde gebreken een normaal gebruik van de boot in de weg zouden kunnen staan. Bij de koop van een boot, waarvan niet in geschil is dat deze bestemd is om mee te varen, mag de koper immers verwachten dat hij daarmee langere tijd min of meer probleemloos kan varen. De gestelde gebreken zouden aldus een beroep op non-conformiteit kunnen rechtvaardigen.

4.12 Vervolgens dient, bij de bepaling van wat Eiser op grond van de overeenkomst mocht verwachten, de verhouding tussen de op Gedaagde als verkoper rustende mededelingsplicht enerzijds en de op Eiser als koper rustende onderzoeksplicht anderzijds te worden beschouwd. Gedaagde heeft aangevoerd dat Eiser niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan.

4.13 Vooropgesteld dient te worden dat de mededelingsplicht van de verkoper in beginsel vóór de onderzoeksplicht van de koper dient te worden beoordeeld. De eisen van redelijkheid en billijkheid verzetten zich er namelijk tegen dat, indien aan een koper inlichtingen hadden moeten worden gegeven omtrent zaken die alleen bij de verkoper bekend waren - hetgeen Gedaagde overigens betwist -, de verkoper ter afwering van een verweer ter zake daarvan kan aanvoeren dat de koper zelf meer onderzoek had moeten verrichten. Deze zogenoemde prioriteitsregel biedt de onvoorzichtige koper bescherming in een situatie waarin de verkoper relevante gegevens verzwegen heeft, die hij had behoren mede te delen.

4.14 Gelet op de na te noemen omstandigheden ziet de rechtbank echter aanleiding in het onderhavige geval van deze regel af te wijken en de onderzoeksplicht van Eiser vóór de mededelingsplicht van Gedaagde te beoordelen. Ten eerste gaat het in casu om een boot waarvan Eiser wist dat de herkomst en het bouwjaar, zoals ook blijkt uit de verkoopbrochure, onbekend zijn. Voorts mocht Eiser niet zonder meer afgaan op de opmerking in de verkoopbrochure dat de boot verkeert in goede staat van onderhoud. Deze opmerking houdt namelijk niet een garantie in, maar veeleer een aanprijzing. Verder blijkt uit de als productie 5 bij de dagvaarding overgelegde brief van Eiser van 25 maart 2005, dat Eiser bij de koop van de boot wist dat de heer Gedaagde senior de destijds verwaarloosde boot eigenhandig had gerestaureerd. Tot slot is Eiser in de koopovereenkomst uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden een onderzoek in te laten stellen naar de gesteldheid van de boot.

4.15 Naar het oordeel van de rechtbank had Eiser in deze omstandigheden aanleiding moeten zien de boot door een deskundige te laten onderzoeken op gebreken, alvorens tot de koop van de boot over te gaan. Eiser heeft echter, zoals ook blijkt uit de akte van levering, uitdrukkelijk afgezien van zijn in de koopovereenkomst vastgelegde mogelijkheid de boot vóór 13 december 2002 te laten onderzoeken door een onafhankelijk expert. Hij heeft daarnaast verklaard de boot te hebben onderzocht en aldus te kennen en onvoorwaardelijk te hebben aanvaard. Bovendien is in de akte van levering uitdrukkelijk bepaald dat koper noch verkoper zich ter zake van deze koop en levering op enige ontbindende voorwaarde wat betreft de staat van het schip kan beroepen en dat eventuele reparaties, voortkomende uit gebreken die later zouden blijken, volledig voor kosten en risico van koper zullen zijn.

4.16 De rechtbank is van oordeel dat Eiser, door in de gegeven omstandigheden geen onderzoek te laten verrichten naar de gesteldheid van de boot alvorens tot de koop daarvan over te gaan, een op hem rustende onderzoeksplicht heeft verzaakt. Dit betekent dat de consequenties van het nalaten van een dergelijk onderzoek voor rekening van Eiser dienen te blijven en Eiser geen beroep op ontbinding van de koopovereenkomst wegens non-conformiteit toekomt.

4.17 Dit oordeel zou mogelijk anders kunnen zijn, indien zou komen vast te staan dat Gedaagde opzettelijk gebreken aan de boot heeft gecamoufleerd om Eiser bij de verkoop van de boot te misleiden. Uit de stukken blijkt dat de heer Gedaagde senior in 1994/1995 groot onderhoud aan de boot heeft uitgevoerd en dat hij daarna jarenlang met die boot is gaan varen. In deze tijd heeft Gedaagde geïnvesteerd in de boot, bijvoorbeeld door een aluminium vluchtluik en een nieuwe brandstoftank in de boot aan te brengen. Ter comparitie is niet betwist dat, zoals Gedaagde heeft aangevoerd, het zogenaamde dubbelen reeds had plaatsgevonden vóór de aankoop van de boot door Gedaagde in 1994, terwijl het aanbrengen van platen op het boeisel is gebeurd bij gelegenheid van genoemd groot onderhoud in 1994/1995. Naar het oordeel van de rechtbank is geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat Gedaagde senior in 1994/1995 gebreken aan de boot opzettelijk heeft gecamoufleerd met het oog op de verkoop van die boot in 2002, terwijl hij er zelf in de tussentijd in heeft geïnvesteerd en jarenlang mee heeft gevaren.

4.18 Gelet op hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 4.14 tot en met 4.17 kan ook het subsidiaire beroep van Eiser op buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst wegens een toerekenbare tekortkoming van Gedaagde niet slagen.

4.19 De gevorderde verklaring voor recht dient derhalve te worden afgewezen.

4.20 De verplichting tot ongedaanmaking als bedoeld in artikel 6:271 BW is een rechtsgevolg van ontbinding van een overeenkomst. Nu in casu de buitenrechtelijke ontbinding zonder effect is gebleven, treedt daarmee dit rechtsgevolg niet in. Dit betekent dat ook de vordering tot ongedaanmaking, in casu de restitutie van de koopsom, dient te worden afgewezen.

4.21 De rechtbank concludeert dat de vordering van Eiser in haar geheel moet worden afgewezen. De rechtbank passeert het bewijsaanbod van Eiser, nu hierin geen feiten of omstandigheden liggen besloten die tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden.

4.22 Nu de hoofdvordering van Eiser wordt afgewezen, zal ook de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.

4.23 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden verwezen.

5. DE BESLISSING

De rechtbank:

Wijst de vordering af;

Verwijst Eiser in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Gedaagde begroot op euro 380,- aan verschotten en op euro 904,- aan salaris van de procureur;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. P.H.B. Littooy en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 30 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.