Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:BC2757

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/3355 en AWB 07/3207
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vernietiging van besluit tot verlening van bouwvergunning en vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, WRO voor realisering van een kabelskibaan aan het Strand van Luna te Heerhugowaard.

Het bouwplan, waarvoor vergunning en vrijstelling is verleend, voorziet in de bouw van een kabelskibaan, een clubgebouw, een motorhuis en een terras/steiger. De vrijstelling is van een ontoereikende ruimtelijke onderbouwing voorzien. Voorts heeft verweerder miskend dat ook het gebruik van de kabelskibaan in strijd is met het bestemmingsplan. Onvoldoende rekening gehouden met de belangen van omwonenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 07/3355 en AWB 07/3207

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van:

[naam],

wonende te Heerhugowaard,

verzoeker,

gemachtigde mr. drs. O.H. Minjon,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard,

verweerder.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “SKEEF B.V.”.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 20 februari 2007 heeft verweerder aan SKEEF B.V. (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning eerste fase verleend voor het realiseren van een kabelskibaan, een clubgebouw, een motorhuis en een steiger/terras aan het Strand van Luna te Heerhugowaard.

Het hiertegen door onder meer verzoeker gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 11 oktober 2007 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft bij brief van 22 november 2007, aangevuld bij brief van 12 december 2007, tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 12 december 2007 heeft verzoeker de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van 11 januari 2008, waar verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigden [naam] en [naam]. Namens vergunninghoudster zijn verschenen [naam] en [naam], beiden bestuurder van vergunninghoudster.

Motivering

1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat onmiddellijk uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter neemt deze beslissing op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Het bouwplan, waarvoor vergunning en vrijstelling is verleend, voorziet in de bouw van een kabelskibaan, een clubgebouw, een motorhuis en een steiger/terras. De geplande kabelskibaan is een soort sleeplift waaraan de waterskiër met een snelheid van 30-60 kilometer per uur wordt voortgetrokken door een stalen kabel. Deze kabel wordt opgehangen aan vijf zogenoemde vakwerkconstructies, die verspreid in het water staan. Deze vakwerkconstructies zijn acht meter hoog (steken acht meter boven het water uit) en bestaan, ieder afzonderlijk, uit vier duimdikke profielen die door middel van een kruislingsvlechtwerk met elkaar verbonden zijn. Aan deze vakwerkconstructies zijn staalkabels (tuidraden) bevestigd, die met de grond worden verbonden ter versteviging van de hele baan (c.q. constructie). Enkele tuidraden beginnen vanaf het strand van het Park van Luna.

De baan heeft een totale lengte van ongeveer 700 meter en ligt in het verlengde van de oever van het meer (ter hoogte van de dagrecreatie) rond de Stad van de Zon. Het laatste gedeelte van de baan loopt evenwijdig aan een aantal percelen aan de [straatnaam], waaronder het perceel van verzoeker gelegen aan de [adres]. Verzoeker heeft vanuit zijn woning en tuin zicht op in ieder geval één van de vakwerkconstructies met bijbehorende tuidraden, op de opstapsteiger, op het motorhuis en op het clubgebouw met buitenterras van ongeveer 150 m², dat zich op een afstand van ongeveer 70 meter van zijn woning bevindt.

Het geplande clubgebouw is gesitueerd op een eiland, dat in een soort uitsparing van het meer is aangelegd, en bevat een aan de skibaan gelieerde horecagelegenheid, sanitaire en technische ruimten en een vergader- en groepsruimte. Vanaf het buitenterras loopt een vlonderverbinding over het water naar het startplatform. De vlonder beschikt over een aanlegsteiger voor kleine bootjes, waarbij geen toepassing plaatsvindt van fossiele brandstoffen, en waterfietsen. Daarnaast bevat het clubgebouw een dakterras van 50 m², dat alleen voor groepen wordt gebruikt. De horecavoorziening in het clubgebouw is bedoeld voor de beoefenaars van de kabelskibaan en de bezoekers van het Park van Luna, maar zal tevens in het laagseizoen voor andere horecadoeleinden, zoals recepties, vergaderingen, (bedrijfs)feesten, worden gebruikt.

Ter zitting is gevraagd om foto’s van de hierboven omschreven vakwerkconstructies waaraan de kabelskibaan wordt bevestigd. Deze foto’s zijn aan de voorzieningenrechter toegestuurd en bevestigen bovenstaande omschrijving.

3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Recreatiegebied Heerhugowaard Zuid’, dat is vastgesteld op 23 september 2003 door de gemeenteraad van Heerhugowaard en op 22 juni 2004 is goedgekeurd door gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten), rust op de gronden waarop de kabelskibaan is gesitueerd de bestemming “Aqua”. Op de gronden waarop het clubgebouw, het motorhuis en de steiger/het terras zijn gesitueerd rust de bestemming “Recreatieve doeleinden intensief”.

Ingevolge artikel 5, lid A, sub 1, van de planvoorschriften zijn, voor zover hier van belang, de gronden op de kaart aangewezen voor “Aqua” bestemd voor recreatie, water en oevervoorzieningen.

Ingevolge artikel 5, lid A, sub 2, van de planvoorschriften zijn op deze gronden, voor zover hier van belang, bouwwerken geen gebouwen zijnde toegelaten.

In artikel 5, lid B, sub 1, van de planvoorschriften is ten aanzien van oevervoorzieningen en water bepaald dat uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde met een maximale hoogte van 3 meter mogen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 3, lid A, sub 1, van de planvoorschriften zijn, voor zover hier van belang, de gronden op de kaart aangewezen voor “Recreatieve doeleinden intensief” bestemd voor intensieve oeverrecreatie, strand en ligweiden met bijbehorende gebouwde voorzieningen en voor op de kaart met de aanduiding “horeca toegestaan” maximaal één horecavoorziening conform artikel 1, sub H onder h1 van deze voorschriften.

In artikel 3, lid B, sub 2, van de planvoorschriften is ten aanzien van intensieve oeverrecreatie en ligweiden met bijbehorende gebouwde voorzieningen, voor zover hier van belang, bepaald dat de oppervlakte van de bebouwing ten behoeve van recreatieve voorzieningen niet meer mag bedragen dan 20 m² per gebouw en dat de hoogte van de gebouwen ten dienste van voornoemde doeleinden niet meer mag bedragen dan 3 meter.

In artikel 3, lid B, sub 4, van de planvoorschriften is ten aanzien van een horecabedrijf bepaald dat de oppervlakte van de bebouwing ten behoeve van de horeca niet meer mag bedragen dan 1.500 m².

Ingevolge artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet mag de bouwvergunning eerste fase slechts en moet deze worden geweigerd, indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn. De weigeringsgrond die in onderdeel c van artikel 44, eerste lid, van de Woningwet is neergelegd, houdt in het bouwen in strijd met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

4. Niet in geschil is en ook de voorzieningenrechter gaat er van uit dat het bouwplan op een aantal punten in strijd is met het bestemmingsplan. Het clubgebouw en het motorhuis passen niet binnen de bestemming “Recreatieve doeleinden intensief”. Verder wordt met de bouw van het clubgebouw de in artikel 3, lid B, sub 2, van de planvoorschriften toegestane maximale oppervlakte met 200 m² overschreden en de maximale hoogte met 4,5 meter. De bouw van het motorhuis leidt tot overschrijding van de maximale oppervlakte van de bebouwing met 0,8 meter. Daarnaast is het horecagebruik in het clubgebouw niet in overstemming met het bestemmingsplan, omdat op de gronden met de bestemming “Recreatieve doeleinden intensief” al een horecabedrijf met een oppervlakte van 1.500 m²

- te weten de Waerdse Tempel - is gevestigd. Voorts voldoet de kabelskibaan met vakwerkconstructies van ongeveer acht meter hoog niet aan de ten aanzien van water en oevervoorzieningen toegestane bouwhoogte voor bouwwerken geen gebouw zijnde.

5. Teneinde verwezenlijking van het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft verweerder in het primaire besluit van 20 februari 2007 met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan verleend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn besluit tot verlening van bouwvergunning en vrijstelling gehandhaafd met dien verstande dat hij vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO voor het bouwplan heeft verleend. Aan de vrijstelling heeft verweerder de voorwaarde verbonden dat in het laagseizoen (van oktober tot en met april) maximaal 3 keer in de week, met een maximum van 75 keer per jaar, de horeca accommodatie mag worden verhuurd voor het houden van recepties, feestjes, bruiloften e.d. voor groepen met een besloten karakter waarbij ook muziek kan worden gespeeld.

6. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

7. Voor zover verzoeker betoogt dat verweerder in zijn beslissing op bezwaar niet alsnog vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO heeft kunnen verlenen, faalt dat betoog. Ingevolge artikel 7:11 van de Awb vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats. Eventueel aan het besluit klevende gebreken kunnen bij de beslissing op bezwaar worden hersteld. De stelling van verweerder dat bij nader inzien niet de procedure van artikel 19, tweede lid, maar die van artikel 19, eerste lid, van de WRO had moeten worden gevolgd, betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat in het kader van de beslissing op bezwaar de bouwvergunning niet in stand kon blijven. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat bij de voorbereiding van het primaire besluit reeds de uniforme openbare voorbereidingsprocedure is toegepast en dat het bouwplan nadien niet is gewijzigd. Daarom valt niet in te zien dat verzoeker door de handelwijze van verweerder in zijn processuele belangen is geschaad.

Dat gedeputeerde staten, die bij besluit van 4 september 2007 een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven ten behoeve van het project, geen kennis hebben genomen van het negatieve advies van de bezwaarschriftencommissie leidt niet tot een ander oordeel. Het negatieve advies is immers voornamelijk gebaseerd op de waardering van de betrokken belangen, terwijl gedeputeerde staten zich alleen uitlaten over - kort gezegd - de ruimtelijke onderbouwing.

Verder blijkt uit de stukken dat de gemeenteraad van Heerhugowaard bij besluit van 25 april 2000 de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO aan verweerder (onder voorwaarden) heeft gedelegeerd.

Gelet hierop is aan de formele vereisten om toepassing te geven aan artikel 19, eerste lid, van de WRO voldaan. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het kader van zijn heroverweging van het primaire besluit dan ook met toepassing van artikel 19, eerste lid, WRO vrijstelling voor het betrokken bouwplan kunnen verlenen. Voor dit oordeel vindt de voorzieningenrechter steun in de uitspraken van (de Voorzitter van) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 oktober 2005 en 27 oktober 2005 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer: AU4162 respectievelijk

LJ-Nummer: AU5376).

8. Naar aanleiding van de stelling van verzoeker dat de kabelskibaan als geheel in strijd is met het bestemmingsplan en dat zowel voor de bouw als het gebruik vrijstelling had moeten verleend, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

9. De kabelskibaan, bestaande uit diverse vakwerkconstructies met tuidraden waaraan een kabel is opgehangen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan te merken als een bouwwerk dat, gelet op artikel 5, lid A, sub 2 in samenhang gelezen met artikel 5, lid B, sub 1 van de planvoorschriften, niet past in het bestemmingsplan. Uit het dictum van het bestreden besluit leidt de voorzieningenrechter af dat verweerder beoogd heeft voor dit bouwwerk als geheel en, anders dan verzoeker veronderstelt, niet alleen voor de bouw van de vakwerkconstructies vrijstelling te verlenen.

Voor het gebruik van de kabelskibaan heeft verweerder uitdrukkelijk geen vrijstelling verleend. Volgens verweerder is dit gebruik in overeenstemming met de bestemming “Aqua”, omdat (water)recreatie ingevolge artikel 5, lid A, sub 1, van de planvoorschriften ter plaatse is toegestaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat watersportactiviteiten op zichzelf passen binnen de bestemming “Aqua”, maar dat dit anders ligt als het gebruik (noodzakelijkerwijs) gepaard gaat met een hele constructie, te weten een kabelskibaan. Het gebruik is onlosmakelijk verbonden met het bouwwerk. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan geen enkele bepaling bevat die erop duidt dat het water mag worden ingericht en gebruikt voor watersportactiviteiten met een plaatsgebonden karakter zoals hier aan de orde, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van recreatie als bedoeld in artikel 5, lid A, sub 1, van de planvoorschriften. Het gebruik van de kabelskibaan is derhalve strijdig met het bestemmingsplan. Nu de door verweerder ten behoeve van het bouwplan verleende vrijstelling geen betrekking heeft op deze strijdigheid is de bouwvergunning in strijd met artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet verleend, waarin is bepaald dat de bouwvergunning eerste fase moet worden geweigerd, indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet van toepassing is.

10. Verzoeker betoogt verder dat de ruimtelijke onderbouwing niet toereikend is. Volgens hem is het bouwplan niet in overeenstemming met het ruimtelijk beleid zoals vastgelegd in het gemeentelijk Structuurplan Heerhugowaard-Zuid (hierna: het structuurplan). Hiertoe voert hij aan dat realisering van een kabelskibaan met bijbehorende horecagelegenheid niet past in de, in het structuurplan weergegeven, opsomming van recreatieve activiteiten. Deze activiteiten brengen, anders dan bij een kabelskibaan, geen of slechts in beperkte mate bouwkundige voorzieningen met zich en ook de overlast welke uitgaat van deze activiteiten is niet vergelijkbaar met die van een kabelskibaan, aldus verzoeker. Daarbij wijst hij er voorts op dat de kabelskibaan een groot beslag legt op de recreatieplas.

11. De ruimtelijke onderbouwing die aan de vrijstelling ten grondslag ligt, wordt gevormd door een rapport van John Dekker A&O van 13 november 2006 en de nadere aanvulling hierop in het bestreden besluit. In beide stukken staat, voor zover hier van belang, vermeld dat het bouwplan past binnen het vigerend gemeentelijk beleid. Hiertoe wordt verwezen naar het structuurplan. Volgens verweerder wordt in het structuurplan weliswaar het initiatief van een kabelskibaan vanwege het specifieke karakter ervan niet letterlijk genoemd, maar komt dit overeen met de beschreven beleidsintenties voor intensieve recreatie.

12. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het bouwplan een forse afwijking van het bestemmingsplan inhoudt, zowel qua bestemming als qua grootte. Nu de inbreuk die het bouwplan op het bestaande planologische regime maakt aanzienlijk is, moeten aan de ruimtelijke onderbouwing zware eisen worden gesteld. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter tevens dat sprake is van een vrij recent (structuur- en) bestemmingsplan, waarvan thans vrijstelling is verleend.

De vraag of de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de hieraan te stellen, moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden in het concrete geval. De voorzieningenrechter toetst dit vol.

13. Ter zitting zijn de volgende feiten en omstandigheden gebleken. De kabelskibaan is als een groot rechthoek met een lengte van ongeveer 700 meter in het recreatief water rond de Stad van de Zon gesitueerd. Rondom de baan ligt een veiligheidszone van ongeveer 18 meter, afgezet met een ballenlijn. De kabelskibaan bevindt zich op ongeveer 60 meter en de veiligheidszone op ongeveer 42 meter van het buitenterras van verzoeker. De tuin van verzoeker ligt op een veel kortere afstand. Gedurende het hoogseizoen brengt het gebruik van de kabelskibaan met zich dat binnen de baan alsmede de ruimte van de veiligheidszone

- dat totaal een groot gedeelte van de waterplas omvat - door andere recreanten geen gebruik van dat gedeelte van het water kan worden gemaakt. Tussen de tuin van verzoeker en de veiligheidszone is dan een smalle strook water over voor andere recreatieve activiteiten.

Het clubgebouw voorziet in kleedkamers en opslag ten behoeve van de kabelskibaan en heeft ook verder een ondersteunende functie voor de watersporters. De kabelskibaan kan echter vanwege de beperkte capaciteit en het feit dat het om een seizoensgebonden activiteit gaat, niet rendabel worden geëxploiteerd indien het clubgebouw niet gedurende het gehele jaar open is voor dag/avond horeca en in het laagseizoen niet beschikbaar is voor verhuur ten behoeve van besloten feesten en bijeenkomsten. De kabelskibaan vormt dus met het motorhuis en het clubgebouw één onlosmakelijk geheel.

14. In het structuurplan is, voor zover hier van belang, bepaald dat de realisatie van de volgende (intensieve) recreatieve voorzieningen is voorgenomen: gebieden voor ongebonden oeverrecreatie, met ligweiden en stranden, voor zwemmen en kanoën, vissen, een dagcamping, ruimte voor windsurfen, ruimte voor (elektrische) boot- en kanoverhuur en horeca. Deze activiteiten vereisen geen of slechts in beperkte mate bouwkundige constructies in het water. Het zijn vormen van recreatie waarbij een ieder van het gehele wateroppervlak gebruik kan maken, tenzij de veiligheid zich daartegen verzet.

De kabelskibaan en het daarbij behorende clubgebouw vereisen wel de nodige bouwkundige aanpassingen (in het water) en kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter, anders dan verweerder meent, dan ook niet op één lijn worden gesteld met de in het structuurplan opgesomde recreatieve voorzieningen. Hiertoe overweegt hij dat de exploitatie van het betrokken bedrijf van ingrijpend andersoortige aard is dan die van een boot- en kanoverhuur. Het gaat hier om een omvangrijk watersportcentrum, ten behoeve waarvan in het hoogseizoen een groot gedeelte van de recreatieplas, dat bestemd is voor intensieve recreatie, wordt afgeschermd voor het gebruik van de kabelskibaan. Dit betekent dat voor andere vormen van waterrecreatie minder ruimte overblijft. Het gebruik van de kabelskibaan, en de daarmee - naar mag worden aangenomen - gepaard gaande overlast, zal dus een wezenlijke invloed hebben op het karakter van het gebied. Gelet hierop en op de door vergunninghoudster overgelegde foto’s van vergelijkbare kabelskibanen in Nederland is de planologische uitstraling van het bouwplan, anders dan bij de recreatieve voorzieningen zoals beschreven in het structuurplan, groot te achten.

15. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had op deugdelijke wijze onderbouwd moeten worden waarom desondanks het project toch binnen het structuurplan past, welk plan gezien de recente datum niet te ruim mag worden uitgelegd. Dit plan legt, zoals hiervoor overwogen, op heldere wijze de nadruk op het creëren van vormen van (intensieve) recreatie waarbij een ieder, zonder dat hiervoor ingrijpende voorzieningen nodig zijn, van het gehele wateroppervlak gebruik kan maken. Het structuurplan ademt juist een sfeer uit dat er in het bewuste gebied een zeker evenwicht moet zijn tussen wonen, recreatie en natuur. Hiertoe verwijst de voorzieningenrechter onder andere naar pagina 12, onder 2, en naar pagina 14, onder 9, van het structuurplan, waaruit naar voren komt dat rond de Stad van de Zon een landschap van water en eilanden ligt, met wonen, recreatie en natuur, en dat deze gebieden samen een gevarieerd patroon vormen van functies en vormen. Voorts blijkt uit pagina 40 van het structuurplan dat het gebied tussen de grens van de Druiplanden en de Middenweg open water wordt. Voorzieningen in gebouwde vorm kunnen worden gesitueerd bij de zuidelijke entree en aan de centrale ruimte in het midden van het gebied.

16. Een deugdelijke onderbouwing van de stelling van verweerder dat het project met deze uitgangspunten van het structuurplan in overeenstemming is, ontbreekt. Uit het bestreden besluit blijkt niet, althans in onvoldoende mate dat verweerder zich ervan heeft vergewist welke ruimtelijke uitstraling (gezien de overgelegde foto’s) het bouwplan heeft en waarom het op zichzelf bezien in deze vorm en omvang het maken van een ingrijpende inbreuk op het bestaande planologische regime rechtvaardigt. De enkele stelling van verweerder dat het project door de stedenbouwkundige als passend in de opzet van het recreatiegebied wordt beschouwd, vindt de voorzieningenrechter dan ook niet begrijpelijk.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de verleende vrijstelling van een ontoereikende ruimtelijke onderbouwing is voorzien. Voorts moet worden vastgesteld dat gedeputeerde staten op basis van de ruimtelijke onderbouwing ervan zijn uitgegaan dat de beoogde voorzieningen feitelijk passen binnen de geldende bestemming. Uit het hierboven onder 9. overwogene volgt dat dit een onjuiste veronderstelling is, zodat verweerder ook van de voorliggende verklaring van geen bezwaar geen gebruik had mogen maken.

Het bestreden besluit ontbeert daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb een deugdelijke motivering en komt voor vernietiging in aanmerking.

17. Ten aanzien van het betoog van verzoeker dat met de realisering van het bouwplan zijn woongenot ter plaatse onevenredig wordt aangetast, overweegt de voorzieningenrechter - ten overvloede - nog het volgende.

18. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het watersportcentrum het recreatiegebied aantrekkelijker maakt voor de inwoners van Heerhugowaard en de regio en dat hierdoor de kustrecreatie wordt beperkt. Naar zijn mening dient dit algemene belang en het ondernemersbelang zwaarder te wegen dan het belang van verzoeker. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat, gelet op de afstand van de woning van verzoeker tot het clubgebouw en tot de kabelskibaan en op de omstandigheid dat een gering aantal skiërs tegelijkertijd actief is op de baan, geen sprake is van onaanvaardbare aantasting van de belangen van verzoeker bij rust en privacy.

19. Zoals uit de overwegingen hiervoor blijkt, is de kabelskibaan met clubgebouw als een grootschalige voorziening te beschouwen, waarop verzoeker gezien de overgelegde foto’s en kaarten direct zicht heeft. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat zowel het gebruik van de kabelskibaan als het clubgebouw een grote impact heeft op het woongenot van verzoeker. De argumenten die verweerder heeft gegeven ter rechtvaardiging van de inbreuk op de rust en de privacy komen de voorzieningenrechter niet overtuigend voor. Hiertoe overweegt hij dat verweerder niet heeft aangetoond dat een kabelskibaan met bijbehorend clubgebouw in deze omvang en op deze plaats, in de directe nabijheid van woningen van derden, vanuit een oogpunt van algemeen belang moet worden gerealiseerd. Verweerder heeft het algemeen belang en het ondernemersbelang voorop gesteld en geeft er in het bestreden besluit onvoldoende blijk van dat er concreet met de belangen van verzoeker rekening is gehouden. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat in het structuurplan staat vermeld dat zorgvuldig met de bestaande bebouwing moet worden omgegaan. Dat brengt mee dat ook zorgvuldig met de daaraan gekoppelde bewonersbelangen moet worden omgegaan. In zoverre ontbeert het bestreden besluit eveneens een deugdelijke motivering.

20. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en met artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet . Hetgeen verzoeker voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking. Verweerder dient een nieuw besluit op de bezwaarschriften van betrokkenen te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande tevens aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als hierna aangegeven.

21. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, in samenhang met artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 966,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 3,00 (punten voor het opstellen van het verzoekschrift, voor het opstellen van het beroepschrift en voor het verschijnen ter zitting) en € 322,00 (waarde per punt) en 1,00 (gewicht van de zaak: gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is

overwogen;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het primaire besluit van 20 februari 2007 wordt geschorst

tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het voor de behandeling van het beroep en het verzoek betaalde griffierecht ten

bedrage van € 286,00 (2x € 143,00) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van verzoeker redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 966,00;

- wijst de gemeente Heerhugowaard aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 966,00 dient te worden gedaan aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan op 23 januari 2008 door mr. J. Blokland, voor¬zieningen¬rechter, in tegen¬woordig¬heid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier.

griffier voorzieningenrechter