Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2008:879

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
14.705735.07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging zware mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Alkmaar

Sector straf

Locatie Alkmaar

Parketnummer : 14.705735.07 (P)

Datum uitspraak : 15 april 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 april 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. A.W.J. Castelijns, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 10 juni 2007 te Hensbroek, gemeente Koggenland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet een- of meerma(a)l(en) (met kracht) met een houten lat (voorzien van spijkers), althans een hard en/of scherp voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 juni 2007 te Hensbroek, gemeente Koggenland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een- of meerma(a)l(en) (met kracht) met een houten lat (voorzien van spijkers), althans een hard en/of scherp voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 10 juni 2007 te Hensbroek, gemeente Koggenland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet een- of meerma(a)l(en) (met kracht) met een houten lat (voorzien van spijkers), althans een hard en/of scherp voorwerp, op het hoofd en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 juni 2007 te Hensbroek, gemeente Koggenland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een- of meerma(a)l(en) (met kracht) met een houten lat (voorzien van spijkers), althans een hard en/of scherp voorwerp, op het hoofd en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Verzoek horen getuigen

De raadsman van verdachte heeft direct na voordracht van de zaak door de officier van justitie verzocht de behandeling ter terechtzitting aan te houden teneinde een tweetal getuigen ter nadere terechtzitting op te roepen. De raadsman heeft aangevoerd dat deze getuigen kunnen verklaren onder welke omstandigheden de feiten op 10 juni 2007 te Hensbroek hebben plaatsgevonden.

De officier van justitie heeft zich verzet zich tegen aanhouding van de behandeling ter terechtzitting. Hij acht het verzoek van de raadsman onvoldoende gemotiveerd en is van oordeel dat het niet noodzakelijk is de door de raadsman in zijn brief genoemde getuigen te horen.

Na beraad in raadkamer is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het horen van de door de raadsman verzochte getuigen, gelet op de stand van het dossier, niet noodzakelijk is. De rechtbank wijst, mede gelet op de datum van binnenkomst van het verzoek, het verzoek van de raadsman af.

5 Vrijspraak

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. De verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

Feit 1 primair:

De rechtbank acht de kans dat het slachtoffer zou kunnen komen te overlijden door de slag met de door de verdachte gehanteerde lat niet zo aanmerkelijk, terwijl voorts niet kan worden vastgesteld dat de verdachte deze kans willens en wetens heeft aanvaard. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het voor de poging tot doodslag vereiste (voorwaardelijk) opzet had.

Feit 2 primair en subsidiair:

De aangifte van [slachtoffer 2] wordt slechts ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 1] , een vriend van de aangever, die anderhalve maand na het gebeuren op 10 juni 2007 een verklaring heeft afgelegd. De aangever en de getuige verklaren beiden dat de verdachte de aangever [slachtoffer 1] en de aangever [slachtoffer 2] heeft geslagen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat eerst [slachtoffer 1] door de verdachte met een houten paal is geslagen en dat hij daarna een klap kreeg met de houten paal. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat eerst [slachtoffer 2] door de verdachte met een houten paal is geslagen en dat daarna [slachtoffer 1] door de verdachte met die houten paal is geslagen. De aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij is geslagen door een persoon die een blouse aanhad met daarop een V. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de ingehuurde mensen van het beveiligingsbedrijf een shirt droegen met een V en dat hij en andere vrijwilligers niet zo’n shirt droegen.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat uit bovengenoemde verklaringen niet blijkt door wie en wanneer de aangever [slachtoffer 2] is geslagen. Ook uit de overige stukken in het dossier kan dit niet worden afgeleid.

6 De bewijsmotivering

A De vaststaande feiten

Op 10 juni 2007 heeft in Hensbroek op een parkeerterrein op een weiland bij een feesttent een confrontatie plaatsgevonden tussen de verdachte en een aantal jongeren, waaronder het slachtoffer [slachtoffer 1] . Deze jongeren waren met een tractor en een caravan naar een - mede door de verdachte - georganiseerd feest gekomen. Na het feest hadden deze jongeren een vuur gemaakt in de omgeving van de caravan op het weiland. Na tussenkomst van de politie is besloten dat de jongeren de tractor en caravan op het weiland moesten laten staan en is hen toegestaan om in die caravan hun roes uit te slapen.

Nadat de politie weer was vertrokken, bleef de groep jongeren doorgaan met het stoken van een vuur, waartoe zij diverse goederen die op het weiland aanwezig waren om de parkeerplaatsen te markeren, in het vuur gooiden.

Verdachte heeft toen als één van de organisatoren besloten om niet meer de bemiddeling van de politie in te roepen maar om zelf op te treden tegen de jongeren. Deze beslissing van de verdachte wordt bevestigd in het proces-verbaal van bevindingen van de

verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] 1. Verdachte heeft immers tegen deze verbalisanten gezegd: “ Dan rijden jullie nu even naar de hoek, want dan los ik het zelf wel op met een aantal mensen en dan kunnen jullie meteen terugkomen”.

Tijdens de confrontatie heeft de verdachte op een gegeven moment de aangever [slachtoffer 1] met een houten lat, waaruit een aantal spijkers staken, geslagen. [slachtoffer 1] heeft hiervan aangifte gedaan2. De verklaring van de aangever wordt niet alleen bevestigd door zijn vriend [getuige 1]3, maar ook door de verklaring van een onafhankelijke getuige, de beveiligingsmedewerker [getuige 2]4. Deze getuigen hebben gezien dat de verdachte de aangever [slachtoffer 1] in ieder geval één keer met een stuk hout tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze het bewustzijn heeft verloren.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zelf een tik tegen zijn hoofd kreeg en dat hij daarna door het lint is gegaan. Terwijl de groep jongens uiteen stoof, heeft hij één van de jongens één keer met de houten lat geslagen.

De houten lat is later door één van de getuigen aan de politie overhandigd en de politie heeft nader onderzoek gedaan aan deze lat 5.

B. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en onder feit 2 primair tenlastegelegde.

C. Het standpunt van de verdachte, de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat de behandeling ter terechtzitting zou moeten worden aangehouden en dat de zaak naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, zou moeten worden verwezen teneinde twee getuigen te horen.

Subsidiair meent de raadsman dat feit 2 in de primaire en subsidiaire vorm niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 stelt de raadsman vast dat uit de stukken blijkt dat de aangever met de houten lat is geslagen door de verdachte, maar dat die handelingen niet kunnen leiden tot poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling. Ook voor dit feit verzoekt de raadsman de verdachte vrij te spreken.

D. Beoordeling van de tenlastelegging

Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen en op grond van de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] in ieder geval één keer met een houten lat, waaruit spijkers staken, op diens hoofd heeft geslagen.Dat er met kracht is geslagen is niet alleen af te leiden uit de verklaringen van de getuigen maar ook uit het feit dat de aangever bewusteloos is geraakt en het feit dat de lat is gebroken.

Slechts gelet op de geringe dikte van de lat is de rechtbank van oordeel dat de handelingen van verdachte niet als een poging tot doodslag zijn te kwalificeren maar wel als een poging tot zware mishandeling.

E. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 subsidiair:

hij op 10 juni 2007 te Hensbroek, gemeente Koggenland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht met een houten lat (voorzien van spijkers), op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voorzover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

7 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met de houten lat heeft geslagen nadat hij zelf een “tik” tegen zijn hoofd kreeg. Ook heeft de verdachte verklaard dat de groep jongens vervolgens uiteen stoof. Voor zover de verdachte hiermee een noodweerverweer heeft bedoeld te voeren, kan dit verweer naar het oordeel van de rechtbank niet slagen.

De verdachte heeft tijdens de zitting verklaard dat hij niet weet of hij moedwillig is geslagen. Ook weet hij niet door wie hij is geslagen. Naar het oordeel van de rechtbank kan er dan geen sprake zijn van een situatie van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij de lat van het slachtoffer heeft afgepakt en dat hij het slachtoffer daarmee heeft geslagen op het moment dat het slachtoffer wegrende. Hierdoor is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake van een situatie waarin de verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen.

Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een noodweersituatie, kan de verdachte zich in dit geval ook niet beroepen op noodweerexces.

Ook overigens zijn er geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling

8 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar omdat niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

9 De strafoplegging

A Korte leesbare beschrijving van de feiten

Verdachte heeft na een mede door hem georganiseerd feest op een parkeerterrein bij de feesttent één van de feestgangers met een houten lat, voorzien van spijkers, op diens hoofd geslagen, waarna het slachtoffer enige tijd bewusteloos is geweest.

De eis van de officier

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde. De officier van justitie heeft voorts gerekwireerd tot oplegging van een werkstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 2 weken aan welke voorwaardelijke straf een proeftijd van 2 jaar dient te worden gekoppeld. De officier van justitie vordert voorts de onttrekking aan het verkeer van de houten lat.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat de behandeling ter terechtzitting zou moeten worden aangehouden en dat de zaak naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, zou moeten worden verwezen teneinde twee getuigen te horen.

Subsidiair stelt de raadsman vast dat feit 2 in primaire en subsidiaire vorm niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 stelt de raadsman vast dat uit de stukken blijkt dat de aangever met de houten lat is geslagen door de verdachte, maar dat die handelingen niet kunnen leiden tot poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling. Ook voor dit feit bepleit de raadsman de verdachte vrij te spreken.

De raadsman voert aan dat bij een eventuele bewezenverklaring rekening moet worden gehouden met het gedrag van de groep jongelui, waartoe het slachtoffer behoorde en dat de mensen van de organisatie bevreesd mochten zijn dat er zaken werden vernield en dat deze groep zich midden in de nacht zou verplaatsen naar het dorp Hensbroek. De raadsman pleit voor matiging van de geëiste straffen.

Feit gerelateerde factoren

Verdachte is op de groep jongeren afgestapt omdat deze groep een vuur stookte en daartoe goederen van parkeerterrein op het vuur gooiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte een verkeerde beslissing genomen door, geïrriteerd als hij was, zelf de confrontatie met de groep aan te gaan. Eerder die avond heeft de politie bemiddelend opgetreden tussen de groep feestgangers en de organisatoren van het feest. Naar het oordeel van de rechtbank had het meer in de rede gelegen om opnieuw de politie te waarschuwen.

Door het handelen van de verdachte heeft het slachtoffer letsel bekomen en pijn ondervonden. Dat het slachtoffer geen ernstiger letsel heeft bekomen is een omstandigheid, die geenszins aan de verdachte is te danken.

Verdachte gerelateerde factoren

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de positie van de verdachte als medeorganisator van de festiviteiten op 10 juni 2007 te Hensbroek. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van de verdachte waarop geen veroordeling voor soortgelijke feiten voorkomen. Tenslotte heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van het reclasseringsrapport, opgemaakt door de reclasseringswerker [reclasseringswerker] en waarin tot oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf is geadviseerd bij bewezenverklaring van de feiten.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 40 (veertig) dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Bepaalt dat geen beslissing genomen kan worden over het beslag, nu de beslaglijst ontbreekt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. F.J. Lourens en mr. J.M. Vos, rechters,

in tegenwoordigheid van G.A.M. Delis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 april 2008.

1 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL10DK/07-188238, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. [verbalisant] en N.M.G. [verbalisant] , doorgenummerde bladzijden 19 en 20.

2 Het proces-verbaal met het nummer PL10DK/07-188238, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] , houdende het verhoor van de aangever [slachtoffer 1] , doorgenummerde bladzijden 13 en 14.

3 Het proces-verbaal met het nummer PL10DK/07-188238, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , houdende het verhoor van de getuige [getuige 1] , doorgenummerde bladzijden 37 tot en met 39.

4 Het proces-verbaal met het nummer PL10DK/07-188238, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , houdende het verhoor van de getuige [getuige 2] , doorgenummerde bladzijden 24 en 25.

5 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL1000/07-188238, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , doorgenummerde bladzijde 22.