Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BL4257

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
06/1394
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob verzoek. Artikel 88 en 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat Wob niet in de weg. Bestuurlijke aangelegenheid. Geen categorale weigering mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: WOB 06/1394

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[naam],

wonende te [plaatsnaam],

eiser,

gemachtigde mr. CH.G.A. van Rijckevorsel,

tegen

het Dagelijks Bestuur van de GGD Westfriesland (hierna: GGD),

gevestigd te Hoorn,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij brief van 10 november 2005 heeft eiser verweerder onder verwijzing naar de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) gevraagd kopieën te verstrekken van alle documenten betrekking hebbende op de plannen voor nieuwe huisvesting van de GGD te Hoorn.

Bij besluit van 13 december 2005 heeft verweerder openbaarmaking van de gevraagde stukken geweigerd. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Daarnaast heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om toepassing te geven aan artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De voorzieningenrechter heeft dit verzoek bij uitspraak van 13 maart 2006 met registratienummer 06/265 afgewezen.

Bij besluit van 20 maart 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar, in afwijking van het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften GGD, ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, enkele op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd waarvan de kennisneming uitsluitend is voorbehouden aan de rechtbank.

Bij tussenbeslissing van 31 januari 2007 heeft de rechtbank beslist dat de beperking van de kennisneming van de stukken waarvoor verweerder geheimhouding heeft verzocht gerechtvaardigd is.

Eiser heeft de rechtbank op grond van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb toestemming gegeven om mede op de grondslag van de stukken waarvan de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht uitspraak te doen.

Het beroep is behandeld op de zitting van 6 februari 2007. Namens eiser is verschenen

mr. J.N.T. van der Linden, kantoorgenoot van mr. CH.G.A. van Rijckevorsel. Verweerder is verschenen bij gemachtigden Y. Koopen en mr. W.J.M. Loomans.

Motivering

1. De rechtbank moet beoordelen of verweerder terecht afwijzend heeft beslist op eisers verzoek om openbaarmaking van de volgende stukken:

Alle in- en uitgaande correspondentie (brief, fax en e-mail), interne en externe adviezen, memoranda, notulen, rapporten, berekeningen, tekeningen, aantekeningen en andere documenten zowel in concept als definitieve vorm met betrekking tot de geplande huur en verbouwing van het pand staande en gelegen aan de Nieuwe Steen 2 te Hoorn over de periode vanaf december 2004 tot heden. Tot dit verzoek behoren ook notulen van het dagelijks bestuur, verslagen en/of aantekeningen van vergaderingen van bijeenkomsten tussen vertegenwoordigers van de GGD en vertegenwoordigers van eiser.

(Hierna: de geheime stukken.)

2. Bij de beoordeling is de volgende regelgeving met name van belang.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob wordt onder ‘bestuurlijke aangelegenheid’ in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wob verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid van artikel 3 van de Wob wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Artikel 10, tweede lid, van de Wob luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de Wob niet kan worden gebruikt om meer informatie te verkrijgen dan op grond van het civiele procesrecht mogelijk is. Daarnaast heeft volgens verweerder te gelden dat hier geen sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob. Het gaat eiser immers om stukken betreffende concrete onderhandelingen over de huur van een pand en niet over huisvesting in beleidsmatige zin. Echter, ook als wel sprake zou zijn van een bestuurlijke aangelegenheid zou de gevraagde informatie volgens verweerder op grond van de uitzonderingsbepalingen van de Wob niet verstrekt hoeven worden.

4. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder een onjuiste invulling heeft gegeven aan het begrip ‘bestuurlijke aangelegenheid’. Volgens eiser betreft huisvesting wel degelijk een bestuurlijke aangelegenheid omdat de vraag in welk(e) pand(en) de GGD is gevestigd

- onder meer uit kostenoverweging - mede bepaalt op welke wijze de GGD haar taken uitoefent.

Verder is eiser van mening dat hij via het civiele recht niet de informatie kan verkrijgen die hij wenst. Het honoreren van zijn verzoek zal hem in het bezit stellen van stukken waarmee hij zijn stelling in een civiele procedure kan onderbouwen. Dit belang dient te worden meegewogen aangezien zonder een afweging van zijn belang geen sprake kan zijn van een goede besluitvorming.

5. Vast staat dat het verzoek om openbaarmaking van de geheime stukken door eiser is gedaan in verband met een mogelijk door hem aan te spannen civiele procedure. Verweerders standpunt dat de Wob niet kan worden gebruikt om meer informatie te verkrijgen dan op grond van het civiele procesrecht mogelijk is - waarbij is gewezen op de artikelen 88 en 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - wordt door de rechtbank aldus opgevat dat voor toepassing van de Wob thans geen plaats is, omdat in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een bijzondere regeling van openbaarmaking en geheimhouding is opgenomen, waarvoor de Wob dient te wijken.

Hieromtrent wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 2 van de Wob verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij de wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de gecursiveerde zinsnede tot uitdrukking brengt dat de Wob als “algemene openbaarmakingsregeling wijkt voor bijzondere openbaarmakingsregelingen in wetten in formele zin” (MvT Kamerstukken II, 19 859, nr. 3, pagina 23). De bestaande wettelijke regelingen op speciale terreinen inzake openbaarmaking en geheimhouding worden door de Wob dus niet opzij gezet, noch biedt de Wob een aanvullende mogelijkheid om informatie te verkrijgen, indien de in de bijzondere wetgeving opgenomen regeling uitputtend is bedoeld. Zo'n regeling is uitputtend, indien zij ertoe strekt te voorkomen dat door toepassing van de Wob afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van materiële bepalingen in de bijzondere wet.

Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de door verweerder genoemde bepalingen geen uitputtende regeling inzake openbaarmaking en geheimhouding van stukken (zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 31 januari 1989 met LJ-nummer AN0429, gepubliceerd in AB 1989, 277). Dit volgt reeds uit het feit dat beide bepalingen aan de civiele rechter overlaten om te bepalen of - en door wie - gegevens moeten worden overgelegd. Ook overigens valt noch in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, noch daarbuiten een bijzondere wettelijke regeling als vorenbedoeld aan te wijzen. Het verzoek van eiser moet daarom worden getoetst aan de Wob.

6. Verweerder heeft aan de weigering tot openbaarmaking van de geheime stukken verder ten grondslag gelegd dat deze stukken geen bestuurlijke aangelegenheid betreffen. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de geheime stukken is de rechtbank van oordeel dat verweerder hierin niet kan worden gevolgd. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob wordt onder ‘bestuurlijke aangelegenheid’ verstaan de aangelegenheid die betrekking heeft op het beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en uitvoering daarvan. Deze wettelijke begripsomschrijving moet worden gelezen in samenhang met het doel van de wet, te weten burgers in de gelegenheid te stellen besluitvormingsprocessen te doorzien. Door deze brede doelstelling moet het begrip ‘bestuurlijke aangelegenheid’ ruim worden opgevat (zie ook MvT Kamerstukken II, 19 859, nr. 3, pagina 25). Het begrip ziet op het bestuur in al haar facetten, zodat de enkele aanwezigheid van een verband met een bestuurlijke aangelegenheid reeds voldoende is. Uit de rechtspraak blijkt dan ook dat ook informatie over privaatrechtelijke handelingen betrekking kan hebben op een bestuurlijke aangelegenheid. Dit is het geval wanneer de gevraagde gegevens zien op een onderdeel van de publieke taak van het betreffende bestuursorgaan.

In de gemeenschappelijke regeling Basisgezondheidsdienst Westfriesland is bepaald dat een deel van de publieke taak van de GGD de uitvoering van de infectieziektebestrijding en van de jeugdgezondheidszorg betreft. Naar het oordeel van de rechtbank is evident dat de huisvesting van de GGD bij de uitoefening van deze taak een rol speelt, waarbij wordt gedacht aan een aspect als de bereikbaarheid voor het publiek. Naar het oordeel van de rechtbank zien de onderhavige stukken, die betrekking hebben op de huur van een pand ten behoeve van de GGD, dan ook op een onderdeel van de publieke taak, zodat deze een bestuurlijke aangelegenheid betreffen.

7. Verweerder heeft ten slotte gewezen op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Volgens verweerder valt eisers verzoek onder deze uitzonderingsbepaling zodat het verzoek niet hoeft te worden gehonoreerd

De rechtbank oordeelt als volgt. In artikel 10, tweede lid, van de Wob zijn de relatieve uitzonderingsgronden opgenomen. Bij de toepassing van deze uitzonderings-gronden moet worden bezien of het algemene belang dat is gemoeid met de openbaarmaking van de gevraagde stukken opweegt tegen de in de onderscheidene artikelonderdelen genoemde belangen. Deze belangenafweging moet per concreet (onderdeel van een) document worden gemaakt. Een categorale weigering als hier is geschied, is dus niet toereikend. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met LJ-nummer: AZ7410. Bij die belangenafweging dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2006, gepubliceerd in AB 2006, 319 en op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: AV6265).

Uit het voorgaande volgt dat verweerder gehouden is het verzoek om inzage in te willigen, tenzij het openbaarheidsbelang in dit specifieke geval minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen. Een dergelijke belangenafweging heeft in het bestreden besluit niet plaatsgevonden. Het besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:4 en 7:12 van de Awb.

8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van eiser moeten beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank zal verweerder hiervoor een termijn bieden van acht weken na de verzending van deze uitspraak.

9. De rechtbank acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proces¬kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 2 (punten voor het opstellen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting en voor het verschijnen ter zitting) en € 322,00 (waarde per punt) en 1 (gewicht van de zaak: gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiser zal nemen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 141,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00;

- wijst de Gewestelijke Gezondheidsdienst Westfriesland aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op 13 maart 2007 door mr. drs. W.P. van der Haak, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.T. Visser, griffier.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.