Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BD8927

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
02-07-2007
Datum publicatie
01-08-2008
Zaaknummer
06/2160
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eisers hebben verweerder verzocht om vergoeding van de schade die zij ondervinden van het bestemmingsplan “Kampeerplaatsen”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 06/2160 WRO

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

[naam] en [naam],

wonende te Schagen,

eisers,

tegen

de raad van de gemeente Bergen,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij verzoek van 17 december 2003 hebben eisers verweerder verzocht om vergoeding van planschade als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Bij besluit van 26 april 2005 heeft verweerder het verzoek van eisers afgewezen.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 30 mei 2006, verzonden op 12 juni 2006, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 21 juli 2006 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting van 5 april 2007 behandeld. Verzoekers zijn in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. [naam] en mr. [naam]

Onder toepassing van artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank de termijn voor het doen van een uitspraak met zes weken verlengd.

Motivering

1. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of verweerder bij zijn besluit van 30 mei 2006 met recht zijn afwijzing van het verzoek van eisers om schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de WRO heeft gehandhaafd.

2. Daarbij is met name de volgende regelgeving van belang.

Ingevolge artikel 49 van de WRO - voor zover hier van belang en zoals dat luidde ten tijde van het indienen van het verzoek om planschadevergoeding - kent de raad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

3. Eisers waren ten tijde hier van belang eigenaar van en wonend op het perceel aan de [adres] te Schoorl. Het perceel [adres] grenst aan de noordwestzijde van de [straatnaam], heeft een frontbreedte van ongeveer 21 meter en strekt zich over een diepte van ongeveer 50 meter uit in noordwestelijke richting. Op het perceel staan een woonhuis en een garage. Ten noordoosten van de woning is de camping “[naam camping]” (hierna: de camping) gevestigd. De uitgang van de camping is gelegen langs de noordwestelijke perceelgrens.

4. Eisers hebben verweerder in hun verzoek van 17 december 2003 verzocht om vergoeding van de schade die zij ondervinden van het bestemmingsplan “Kampeerplaatsen”. Eisers hebben gesteld dat zij veel hinder ondervinden van een receptiegebouw dat in 2003 op de camping is geplaatst en in gebruik is genomen. Hun woning is als gevolg hiervan in waarde gedaald. In een brief van 18 november 2004 aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), hebben eisers gesteld dat er scheuren in de muren van de woning zijn ontstaan door de aanleg van het parkeerterrein bij het receptiegebouw.

5. De rechtbank stelt voorop dat het verzoek om planschade centraal staat voor de bepaling van de omvang van het geding en dat daarom hetgeen in het verzoek van 17 december 2003 is geclaimd bepalend is. Een aanvulling van het geclaimde na de indiening van het verzoek om planschade, ofwel vermeerdering van eis, is in beginsel niet toelaatbaar. Gelet hierop dient hetgeen eisers in hun brief van 18 november 2004 aan de SAOZ hebben gesteld omtrent de scheuren in de muren van de woning die zouden zijn ontstaan door de aanleg van het parkeerterrein buiten beschouwing te blijven. In deze zaak ligt derhalve ter beoordeling voor de beslissing op het verzoek om vergoeding van schade veroorzaakt door waardevermindering van de woning als gevolg van aantasting van het woon- en leefklimaat.

6. Verweerder heeft in deze zaak de SAOZ om advies gevraagd. De SAOZ heeft in haar (eerste) advies van februari 2005 een vergelijking gemaakt tussen de voorheen geldende bestemmingsplannen “Aagtdorp” - dat van toepassing was op de toegangsweg naar de camping - en “Uitbreidingsplan in onderdelen 1952” – dat van toepassing was op de overige betrokken gronden - enerzijds en het nu geldende bestemmingsplan “Kampeerplaatsen” anderzijds. De SAOZ heeft op grond van deze vergelijking geconcludeerd dat de voorheen toegestane bebouwing achter het perceel van verzoekers al van een zodanige omvang kon zijn dat de bebouwing die thans is toegestaan niet tot een verslechtering heeft geleid. Ten aanzien van het gebruik heeft de SAOZ geconcludeerd dat een wijziging van gebruik voor agrarische doeleinden naar gebruik voor een camping een toename van hinder heeft veroorzaakt. Voorheen was er overlast door stank mogelijk en thans is er seizoensgebonden overlast van geluid en verkeer en vermindering van privacy. De omgeving is in negatieve zin gewijzigd omdat het landelijke karakter verloren is gegaan.

De SAOZ heeft vervolgens onder het kopje ‘voorzienbaarheid’ geconcludeerd dat de planologische maatregel op de dag dat eisers de onroerende zaak hebben verworven was te voorzien. Op dat moment werd er reeds een camping geëxploiteerd. Bij een legalisering achteraf is geen grond voor vergoeding van schade omdat deze schade wordt geacht te zijn ontstaan uit het langdurig en onbestreden aanwezig zijn van de camping. Daar de bezwarencommissie van oordeel was dat er geen sprake was van voorzienbaarheid, is de SAOZ op dat punt om nader advies gevraagd. De SAOZ heeft op 6 februari 2006 nader geadviseerd. De SAOZ heeft aangegeven dat er wat betreft het gewijzigde gebruik van de gronden (van tuinen in receptiegebouw) inderdaad een wijziging is geweest die enig nadeel heeft veroorzaakt, maar dat de toegevoegde waarde van dit nadeel dient te worden bezien tegen de bestaande aanzienlijke negatieve invloed van het campingbedrijf als geheel. De negatieve invloed van het campingbedrijf als geheel bestond reeds ten tijde van de aankoop van het object [adres] in 1974 en is nadien niet gewijzigd en zelfs in het bestemmingsplan ‘Kampeerplaatsen’ vastgelegd. Van enig nadeel dat schade heeft veroorzaakt is geen sprake, aldus de SAOZ.

Verweerder heeft in zijn beslissing op bezwaar verwezen naar de adviezen van de SAOZ.

7. Eisers kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen. Zij hebben aangevoerd dat er als gevolg van de realisatie en het gebruik van het receptiegebouw op de camping sprake is van een aanmerkelijke verslechtering van hun woongenot.

Ten aanzien van de planologische vergelijking hebben eisers aangevoerd dat niet vaststaat dat op grond van het oude bestemmingsplan gebouwen voor pluimvee op 5 meter afstand van de perceelgrens konden worden opgericht, omdat hierin nog geen rekening is gehouden met milieuwetten en stankcirkels. Voorts hebben eisers aangevoerd dat het feit dat destijds niet handhavend is opgetreden tegen het gebruik als camping in strijd met het bestemmingsplan, nu niet kan worden gebruikt als argument voor het afwijzen van hun verzoek om vergoeding van planschade.

8.1 Voor zover de SAOZ in het advies van februari 2005 heeft gesteld dat de planologische wijziging als beweerdelijk schadeveroorzaker was te voorzien op het moment dat eisers de eigendom van de onroerende zaak hebben verworven, overweegt de rechtbank dat van voorzienbaarheid volgens vaste jurisprudentie slechts sprake kan zijn indien eisers op grond van concrete, voor iedereen kenbare beleidsvoornemens rekening moest houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Dat van concrete beleidsvoornemens in dit geval sprake was, is de rechtbank niet gebleken.

8.2 Gelet op de strekking van het advies van de SAOZ van februari 2005 stelt de rechtbank dan ook vast dat de SAOZ kennelijk heeft geadviseerd het verzoek van eisers af te wijzen op grond van de in de jurisprudentie geformuleerde regel dat een schadeclaim met betrekking tot een planologische maatregel waarbij een bepaalde bestaande, niet binnen het voorheen geldende bestemmingplan passende bebouwing of bestaand afwijkend gebruik positief wordt bestemd, ofwel wordt gelegaliseerd, niet voor inwilliging in aanmerking komt. De schade wordt in dat geval niet toegerekend aan de planologische maatregel. Het causale verband tussen de schade en het nieuwe regime ontbreekt dan.

8.3 De rechtbank overweegt dat deze regel slechts kan worden toegepast indien de feitelijk bestaande illegale situatie, te weten de illegale bebouwing of het illegale gebruik, positief wordt bestemd. In dit verband is van belang dat gronden achter het perceel van eisers reeds in gebruik waren als camping, maar dat verzoekers hun verzoek om planschadevergoeding hierop niet hebben gebaseerd. Verzoekers hebben hun verzoek gebaseerd op schade als gevolg van het receptiegebouw op de camping. Dit receptiegebouw is op grond van het huidige bestemmingsplan gerealiseerd op een stuk grond direct achter het perceel van eisers, dat vóór de planologische wijziging voor een deel in gebruik was als tuin, oorspronkelijk behorend bij een dienstwoning, en voor een deel als boomgaard. Niet in geschil is dat dit stuk grond slechts incidenteel ten behoeve van de camping werd gebruikt door het plaatsen van enkele tenten en dat er ter plaatse geen receptiegebouw ten behoeve van de camping aanwezig was. Aldus is er naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het receptiegebouw geen sprake van legalisatie van feitelijk bestaande bebouwing en gebruik en kon verweerder de afwijzing van het verzoek om planschadevergoeding niet op de in 8.2 genoemde regel baseren.

8.4 Daarbij is het advies van de SAOZ van februari 2005 naar het oordeel van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig. Bij toepassing van de hiervoor onder 8.2 genoemde regel wordt ervan uitgegaan dat het causale verband tussen de schade en het nieuwe bestemmingsplan ontbreekt en is het dus niet nodig een planvergelijking te maken. In het advies van 6 februari 2006 is evenwel ten aanzien van de bebouwing (het receptiegebouw) een planvergelijking gemaakt en op basis hiervan is geconcludeerd dat er geen sprake is van nadeel waaruit op de voet van artikel 49 van de WRO voor vergoeding vatbare schade is voortgevloeid. Hieraan zou de SAOZ niet kunnen toekomen indien er sprake was van het ontbreken van causaliteit vanwege legalisatie van bestaande bebouwing. Voorts is op basis van een planvergelijking geconcludeerd dat er sprake is van nadeel door het gewijzigd gebruik van de gronden. Gelet op deze op een planvergelijking gebaseerde conclusies is een causaal verband tussen de gestelde schade en het nieuwe bestemmingsplan erkend.

8.5 Niet inzichtelijk acht de rechtbank voorts op welke grond in het aanvullend advies van de SAOZ van 6 februari 2006 is geconcludeerd dat het nadeel dat eisers ondervinden van het gewijzigde gebruik als gevolg van het receptiegebouw opgaat in de bestaande negatieve invloed van de invloed van de camping op het object. Zoals reeds overwogen kan slechts de legalisatie van feitelijk bestaand illegaal gebruik of feitelijk bestaande illegale bebouwing in de weg staan aan toerekening van het nadeel aan de planologische maatregel en is er ten aanzien van het receptiegebouw geen sprake van legalisatie van bestaand illegaal gebruik.

Voor zover de SAOZ heeft willen stellen dat het toegevoegde nadeel niet leidt tot schade bij de verkoop van het object aan een willekeurige derde in het economisch verkeer, overweegt de rechtbank dat dit standpunt zou kunnen worden gehanteerd in het kader van de schadevaststelling bij waardevermindering, met andere woorden, de waardering van het nadeel op geld. Daaraan kan de SAOZ, gelet op het ingenomen standpunt ten aanzien van het ontbreken van causaliteit evenwel niet toekomen. Bovendien is het standpunt in zoverre niet onderbouwd en strijdig met de in het eerdere advies getrokken conclusie dat het gewijzigde gebruik van de gronden tot een nadeliger positie heeft geleid. De rechtbank ziet evenmin in dat deze stelling kan dienen als argument voor het door de SAOZ ingenomen standpunt ten aanzien van de causaliteit.

9. Verweerder heeft ter motivering van zijn besluit verwezen naar de adviezen van de SAOZ. Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat deze adviezen het bestreden besluit niet kunnen dragen. Het besluit is dan ook genomen in strijd met de artikelen 3:49 en 7:12 van de Awb. Het beroep is gegrond en het besluit dient te worden vernietigd.

10. De rechtbank overweegt dat, uitgaande van de nu voorliggende gegevens, verweerder bij een nieuwe beslissing op bezwaar ten aanzien van het receptiegebouw een planvergelijking dient te maken. Gelet op de bezwaargronden zal verweerder bij deze vergelijking de vraag moeten betrekken of de mogelijkheden onder het voorheen geldende bestemmingsplan nog reëel waren. Indien wordt geconcludeerd dat er sprake is van nadeel, hetgeen gelet op het hiervoor overwogene in de rede ligt, zal verweerder dit nadeel op de daartoe geëigende manier op geld dienen te waarderen.

11. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is

overwogen;

- bepaalt dat de gemeente Bergen aan eisers het griffierecht ten bedrage van € 141,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2007 door mr. drs. W.P. van der Haak, voorzitter, mr. P.H. Lauryssen en mr. J. Blokland, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, griffier.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.