Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BC4067

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
AWB 06/1837
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing van artikel 37, tweede lid, van de WAO bij het arbeidsongeschiktheidscriterium zoals dat gold vóór 1 januari 1987.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 06/1837 WAO

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn,

tegen

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (districtskantoor Amsterdam),

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Eiser is op 2 oktober 1975 wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk als scheepsstelling¬maker. Met ingang van 14 augustus 1976 is aan eiser een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 5 december 1977 is de WAO-uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Op 17 februari 1981 heeft eiser zich in [woonplaats] gevestigd.

Op 10 oktober 1996 heeft eiser verzocht zijn WAO-uitkering te herzien in verband met toegenomen beperkingen en de mate van arbeidsongeschikt vast te stellen op 80 tot 100%. Bij besluit van 30 september 2002 heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen. Het bezwaar van eiser tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 19 maart 2003. Het beroep van eiser tegen dit besluit is gegrond verklaard bij uitspraak van deze rechtbank van 21 oktober 2004 (zaaknummer 03/1603 WAO). Bij een nader besluit op bezwaar van 14 april 2005 heeft verweerder bepaald dat eiser toegenomen arbeidsongeschikt is en dat hij met ingang van 7 juli 1997 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het beroep van eiser tegen dit besluit is gegrond verklaard bij uitspraak van deze rechtbank van 31 maart 2006 (zaaknummer 05/2553 WAO).

Bij besluit van 13 april 2006 heeft verweerder het bezwaar opnieuw gegrond verklaard en bepaald dat eiser met ingang van 7 juli 1997 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingediend.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting van 24 november 2006. Het onderzoek is vervolgens heropend op 17 januari 2007, waarbij de zaak is verwezen ter behandeling door de meervoudige kamer. De zaak is opnieuw ter zitting behandeld op 16 april 2007, waar voor eiser zijn gemachtigde is verschenen en voor verweerder F.M.J. Eijmael.

Motivering

1. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of verweerder terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser heeft vastgesteld op 25 tot 35% en of in verband daarmee terecht met ingang van 7 juli 1997 de WAO-uitkering is herzien naar die mate van arbeidsongeschiktheid.

2. Verweerder gaat er volgens het bestreden besluit vanuit dat eiser gelet op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige met ingang van 7 juli 1997 moet worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. Daarbij heeft verweerder gesteld dat de functies die zijn gebruikt voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid geschikt zijn voor eiser.

3. Eiser stelt dat de genoemde functies niet geschikt zijn. Er is volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met vereiste reistijd voor de functies, en hij is ook niet reëel plaatsbaar in die functies. Verder meent eiser dat de geselecteerde functies niet genoeg arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Daarnaast is sprake van een verkeerde vaststelling van de verdiencapaciteit, aldus eiser. Vanwege de lange duur van de gevalsbehandeling heeft eiser schadevergoeding gevraagd. Ook is gevraagd om vergoeding van wettelijke rente.

4. De rechtbank stelt voorop dat in genoemde uitspraak van 31 maart 2006 van deze rechtbank is geoordeeld dat er geen grond is de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten. Ook is in de uitspraak van 31 maart 2006 geoordeeld dat verweerder voldoende gemotiveerd en inzichtelijk heeft uiteengezet dat eisers toegenomen beperkingen kennelijk uit een andere oorzaak voortkomen dan die waaruit de ongeschiktheid, terzake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, voorkomt. De rechtbank is in die uitspraak daarom tot het oordeel gekomen dat ingevolge artikel 37, tweede lid, van de WAO herziening van de lopende uitkering wegens die toeneming achterwege dient te blijven. Partijen hebben geen hoger beroep ingediend tegen deze uitspraak, zodat dit oordeel vast staat en ook in deze procedure heeft te gelden.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 31 maart 2006 verder geoordeeld dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Daarbij is overwogen dat verweerder heeft erkend dat gelet op de geldende wettelijke bepalingen bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschikt¬heid ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat eiser op de datum in geding, 7 juli 1997, al de leeftijd van 50 jaar had bereikt. Ook is overwogen dat verweerder daarom had moeten onderzoeken of eiser plaatsbaar is op de arbeidsmarkt en of dat mogelijk leidt tot volledige arbeidsongeschiktheid.

Gelet op het voorgaande spitst de zaak zich toe op de vraag of de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit inmiddels wel deugdelijk is. De rechtbank zal in haar beoordeling ook betrekken de overige door eiser aangevoerde arbeidskundige gronden, nu deze gronden in de uitspraak van 31 maart 2006 niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn verworpen.

5.1. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de rechtbank staat vast dat de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser moet plaatsvinden aan de hand van het arbeidsongeschiktheidscriterium zoals dat gold vóór 1 januari 1987. Op een aantal aspecten wijkt dit criterium af van het arbeidsongeschiktheidscriterium zoals dat nadien is gaan gelden. Daarbij is met name van belang dat bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid moet worden voldaan aan de voorwaarden die onder meer in rechtspraak zijn benoemd met de termen “in billijkheid op te dragen”, “ter plaatse waar” en “regelmatig vacatures” (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 september 2004, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer AR3468). Verder dient rekening te worden gehouden met de zogeheten verdiscontering van de werkloosheid. Deze verdiscontering komt erop neer dat op grond van artikel 21, tweede lid, onder a, (oud) van de WAO, zoals deze bepaling vóór 1 januari 1987 luidde, rekening moet worden gehouden met door de arbeidsongeschiktheid verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid.

5.2. In verband met het criterium “ter plaatse waar” is in de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 8 september 2005, 14 augustus 2006 en 21 juni 2007 gemotiveerd uitgelegd dat de geselecteerde functies voldoen aan het vereiste dat eiser binnen vijf kwartier met behulp van het openbaar vervoer de reistijd tussen woning en werk kan overbruggen. Namens eiser is ter zitting aangegeven dat de juistheid van de gegevens over de reistijd in genoemde rapportages niet (langer) wordt betwist, maar dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat eiser medische beperkingen heeft voor lopen. Echter, uitgaande van de voor eiser in het belastbaarheidspatroon van 24 maart 2005 (stuk nummer 206, getiteld “FIS 2”) vastgestelde medische beperkingen, is hij in staat vijf minuten achtereen te lopen. Niet aannemelijk is dat met die beperking een reistijd van vijf kwartier niet haalbaar zou zijn, temeer nu de reis voornamelijk met het openbaar vervoer wordt afgelegd en niet lopend.

Overigens tekent de rechtbank aan dat de beperking tot vijf minuten achtereen lopen is aangenomen op basis van de in 1997 toegenomen medische beperkingen. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 31 maart 2006 heeft geoordeeld kunnen die toegenomen beperkingen niet leiden tot een verhoging van de uitkering, vanwege het bepaalde in artikel 37, tweede lid, van de WAO. Indien genoemde reistijd al niet haalbaar zou zijn vanwege eisers toegenomen medische beperkingen ten aanzien van lopen, kan dat niet dus niet leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit onjuist is. Uitgaande van de voor eiser in een ander belastbaarheidspatroon van 24 maart 2005 (stuk nummer 204, getiteld “FIS 1”) vastgestelde medische beperkingen, waarbij de toegenomen beperkingen buiten beschouwing zijn gelaten, is hij in staat 15 tot 20 minuten achtereen te lopen.

5.3. De stelling van eiser dat de geselecteerde functies niet genoeg arbeidsplaatsen vertegenwoordigen en dat de verdiencapaciteit onjuist is vastgesteld, gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op.

Uit rechtspraak blijkt dat voor het arbeidsongeschiktheidscriterium van vóór 1 januari 1987 een strikt getalscriterium ten aanzien van de functies, in de zin van een vast minimaal aantal functies en een ondergrens aan het aantal arbeidsplaatsen per functie, in rechtspraak nooit is aanvaard (zie de uitspraak van de CRvB van 24 september 2004, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer AR3463). Door verweerder zijn (uiteindelijk) zes functies met in totaal 57 arbeidsplaatsen gebruikt bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, hetgeen ruim voldoende is in het licht van het volgens verweerders eigen beleid vereiste aantal van vijf verschillende functies die samen minstens 50 arbeidsplaatsen vertegenwoordigden.

Het standpunt dat de verdiencapaciteit maximaal op het wettelijk minimumloon moet worden vastgesteld, is door eiser niet nader onderbouwd en vindt ook geen steun in de wet of de rechtspraak. De verdiencapaciteit is het (aanvangs)salaris in de geselecteerde functies (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 september 1984, gepubliceerd in RSV 1985/16, en eerdergenoemde uitspraak van 24 september 2004). Daarvan is verweerder ook uitgegaan.

5.4. De rechtbank volgt eiser ook niet in de stelling dat hij gelet op zijn leeftijd, zijn ziekte en de tijd die hij uit het arbeidsproces is geweest, niet plaatsbaar is op de arbeidsmarkt. In de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 11 april 2006 is uitvoerig toegelicht dat de arbeidsmarkt in 1997 en rond de datum in geding voldoende toegankelijk was voor mensen van 45 jaar en ouder. Daarbij is ook uiteengezet dat eiser aan alle in de functies gestelde werkervaringseisen kan voldoen en dat er daarom van kan worden uitgegaan dat de tijd dat eiser uit het arbeidsproces is geweest geen selectiecriterium meer is voor een werkgever om iemand niet aan te nemen. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk onderbouwd dat de Nederlandse arbeidsmarkt ook voor personen van de leeftijd van eiser voldoende toegankelijk was. Eiser heeft geen gegevens of argumenten naar voren gebracht die een aanknopingspunt geven voor een ander oordeel.

Daarnaast is in de verschillende rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige inzichtelijk gemotiveerd dat de functies zijn berekend op de voor eiser aangenomen beperkingen. Uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 12 april 2005 blijkt dat daarbij is uitgegaan van de voor eiser in het belastbaarheidspatroon van 24 maart 2005 (stuk nummer 204, getiteld “FIS 1”) vastgestelde medische beperkingen, waarbij eisers toegenomen beperkingen buiten beschouwing zijn gelaten. Indien ook de toegenomen medische beperkingen in aanmerking worden genomen, zoals vastgelegd in het andere belastbaarheidspatroon van 24 maart 2005 (stuk nummer 206, getiteld “FIS 2”), is blijkens de rapportage van 12 april 2005 sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. Zoals de rechtbank al eerder opmerkte, kunnen die toegenomen beperkingen echter niet leiden tot een verhoging van de uitkering, vanwege het bepaalde in artikel 37, tweede lid, van de WAO en de uitspraak van de rechtbank van 31 maart 2006.

5.5. Wat betreft de verdiscontering van de werkloosheid overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat eiser in 1976 volledig arbeidsongeschikt is geacht, mede vanwege verdiscontering van werkloosheid. Bij besluit van 13 juli 1978 is aan eiser meegedeeld dat hij met ingang van 1 februari 1978 in staat is velerlei werkzaamheden te verrichten in het vrije bedrijf en dat de mate van arbeidsongeschiktheid daarom is verlaagd van 80 tot 100% naar 15 tot 25%. Het besluit van 13 juli 1978 staat inmiddels vast. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat met dat besluit de verdiscontering van de werkloosheid is komen te vervallen en dat geen sprake meer was van door de arbeidsongeschiktheid verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid.

Uit rechtspraak blijkt dat als uit een eerder, vaststaand besluit volgt dat geen sprake meer was van door de arbeidsongeschiktheid verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid, niet valt in te zien hoe die gelegenheid nadien, bij gelijk gebleven klachten, door de arbeidsongeschiktheid (verder) zou kunnen zijn verminderd (zie de uitspraak van de CRvB van 19 oktober 2004, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer AR4734). In eisers geval is geen sprake van gelijk gebleven klachten, nu zijn beperkingen in 1997 zijn toegenomen. Echter, op basis van die toegenomen beperkingen zou eiser gelet op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 12 april 2005 al volledig arbeidsongeschikt moeten worden geacht. Het verdisconteren van de werkloosheid kan niet tot een voor eiser beter resultaat leiden en is dus niet meer van belang. Bovendien is verhoging van de WAO-uitkering, door het verdisconteren van werkloosheid in verband met toegenomen medische beperkingen, niet mogelijk vanwege eerdergenoemde toepassing van artikel 37, tweede lid, van de WAO.

6. De conclusie van het voorafgaande is dat alle arbeidskundige gronden van eiser worden verworpen, en dat verweerder terecht de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op 25 tot 35% en op die basis terecht de WAO-uitkering heeft herzien per 7 juli 1997.

7. Eiser heeft met een beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gevraagd om toekenning van immateriële schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure.

De rechtbank stelt voorop dat eisers klacht over de lange duur van de procedure zich alleen richt tegen het aandeel van verweerder in deze zaak. De rechtbank constateert dat vanaf de indiening van het bezwaarschrift op 22 oktober 2002 tot aan de datum van deze uitspraak vier jaar en 10 maanden zijn verstreken. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn overschreden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de zaak zelf en in de opstelling van eiser geen rechtvaardiging is aangetroffen voor de lange duur van de procedure. In het licht van het aandeel van verweerder in de duur van de overschrijding van de redelijke termijn, kent de rechtbank aan eiser een vergoeding toe voor immateriële schade en stelt deze vast op een bedrag van € 1.000,00 ten laste van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. In dat verband neemt de rechtbank in aanmerking dat met de bezwaarprocedure in totaal 12 maanden is gemoeid en de lange duur van de procedure mede is te wijten aan een schending van de hoorplicht door verweerder. Verder wordt tot uitgangspunt genomen dat eiser als gevolg van de lange duur van de procedure een daadwerkelijke spanning en frustratie heeft ondergaan.

Dit betekent dat het beroep gegrond is, dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 6 van het EVRM zal worden vernietigd, maar dat ook zal worden bepaald dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten.

8. Het verzoek van eiser om verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade, in de vorm van wettelijke rente, wordt met toepassing van artikel 8:73 van de Awb toegewezen. Immers, het beroep is gegrond en uit het bestreden besluit volgt een nabetaling van WAO-uitkering. Wat betreft de wijze waarop verweerder de aan eiser toekomende vergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering, moet berekenen, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van CRvB van 1 november 1995, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer ZB1495.

9. Vanwege de uitkomst van de zaak is er aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proces¬kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 805,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 38,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 805,00;

- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 805,00 dient te worden gedaan aan eiser;

- veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,00;

- veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de overige schade als hiervoor onder overweging 8 aangegeven.

Deze uitspraak is gedaan op 15 augustus 2007 door mr. P.J. Jansen, voorzitter, mr. T. Luigjes en mr. P.H. Lauryssen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Riemeijer, griffier.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.