Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BC3973

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
24-12-2007
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
14.810295-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens bedreiging en het zich opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Locatie Alkmaar

Parketnummers : 14/810295-07 en 14/704091-07 (gevoegd ter terechtzitting)

Datum uitspraak : 24 december 2007

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1942,

wonende te [adres en woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

12 december 2007.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennis genomen van:

- de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank

- al het ten laste gelegde bewezen zal verklaren;

- verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 150 dagen, waarvan 110 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek

overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, een werkstraf voor de duur van 80 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 10 maanden;

- de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] in hun vorderingen, strekkende tot vergoeding van immateriële schade, niet ontvankelijk zal verklaren;

- hetgeen door de verdachte en mr. K.R. Hofmann-Kuijl, raadsvrouw van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 14/810295-07 ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 10 juli 2007 te Opperdoes, in de gemeente Medemblik, [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum slachtoffer 1]1997) en/of [slachtoffer 2]geboren [geboortedatum slachtoffer 2] 1997) en/of [slachtoffer 3] (geboren [geboortedatum slachtoffer 3] 1992) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met zijn auto (naderende die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]), gas bijgegeven en/of vervolgens (al dan niet met hoge snelheid) is hij, verdachte, met die auto op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], die aldaar op straat stonden te spelen, ingereden, althans in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] gereden;

2.

hij op of omstreeks 08 mei 2006 in de gemeente Noorder-Koggenland, te Opperdoes, zich in het openbaar, namelijk door een openstaand raam vanuit zijn woning en aldus hoorbaar op de openbare weg en/of voor de buurt, mondeling, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten mensen die behoren tot het negroïde ras, wegens hun ras (waaronder begrepen nationaliteit en/of etnische afstamming en/of huidskleur), door opzettelijk beledigend een persoon, genaamd [slachtoffer 4], die geboren is op Aruba, de woorden toe te voegen: "Daar waar jullie vandaan komen, moeten jullie terug gaan" en/of "Dit is geen buurt voor bruine mensen" en/of "Jullie moeten terug naar je land" en/of "Je moet oprotten naar Aruba", althans woorden van gelijke beledigende en/of discriminerende aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 08 mei 2006 in de gemeente Noorder-Koggenland, te Opperdoes, een vrouw, genaamd [slachtoffer 4] en/of haar (drie) kind(eren), te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 5], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde perso(o)n(en) dreigend de woorden toegevoegd: "Rij over die kinderen heen, anders schiet ik zelf kogels door hun kop", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 07 juni 2006 in de gemeente Noorder-Koggenland, te Opperdoes, een persoon, genaamd [slachtoffer 6], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 6] de woorden toegevoegd: "Ik ga een bijl pakken voor jou" en/of "Ik schiet je dood" en/of "Ik ga een pistool halen" en/of "Ik schiet je door je hoofd" en/of "Ik maak jullie kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 14/704091-07 ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 10 juli 2007 te Opperdoes, gemeente Medemblik, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,83 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

2. VRIJSPRAAK

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 in de zaak met parketnummer 14/810295-07 is ten laste gelegd.

De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

3. NADERE MOTIVERING VRIJSPRAAK

De rechtbank concludeert dat uit geen van de zich in het dossier bevindende verklaringen blijkt dat verdachte met zijn auto [slachteroffer 2] en [slachtoffer 3] dicht is genaderd dan wel dat voornoemde personen door de handelwijze van verdachte zijn geschrokken of zich bedreigd hebben gevoeld.

[slachtoffer1] daarentegen heeft bij de politie verklaard dat zij is geschrokken, omdat de auto van verdachte op haar af ging. Verdachte had, zo blijkt mede uit de verklaring van zijn vriendin [getuige 1], ook de bedoeling om [slachtoffer 1] te laten schrikken en heeft daartoe gas bijgegeven. Hoewel deze handelwijze van verdachte onverstandig genoemd kan worden, is het enkele opzet om iemand te laten schrikken onvoldoende om te oordelen dat sprake is van een bedreiging als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. Voor een strafbare bedreiging is onder meer noodzakelijk dat de handelwijze van verdachte in het algemeen vrees voor een misdrijf tegen het leven gericht dan wel voor zware mishandeling heeft kunnen opwekken. Bij het beantwoorden van de vraag of daarvan sprake is, neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Vrijwel alle getuigen hebben tegenover de politie verklaard dat verdachte gas heeft bijgegeven, echter de getuigen hebben verschillend verklaard over de snelheid waarmee verdachte zou hebben gereden. Sommige getuigen spreken over een hoge snelheid – een enkeling zelfs over 70 a 80 kilometer per uur – en andere getuigen hebben verklaard dat verdachte rustig reed. Op het punt hoe dicht de auto van verdachte [slachtoffer 1] genaderd is, lopen de getuigenverklaringen eveneens uiteen. Volgens een aantal getuigen kon [slachtoffer 1] nog net op tijd voor de auto wegspringen, volgens andere getuigen bedroeg de afstand tussen [slachtoffer 1] en de auto een halve meter en volgens twee getuigen en verdachte zelf heeft verdachte zijn auto voor [slachtoffer 1] doen stoppen. [Slachtoffer 1] zelf heeft verklaard dat zij naar de kant van de weg is gelopen toen er een auto aankwam doch dat zij niet weg hoefde te springen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet overtuigend kan worden bewezen dat verdachte met hoge snelheid met zijn auto op [slachtoffer 1] is ingereden. Van het onder 1 ten laste gelegde resteert dan dat verdachte na gas bij te hebben gegeven in de richting van [slachtoffer 1] is gereden. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke handelwijze van verdachte, mede gelet op voornoemde omstandigheden, onvoldoende is om in het algemeen vrees voor een misdrijf tegen het leven gericht dan wel voor zware mishandeling op te kunnen wekken. Derhalve zal verdachte voor dit feit worden vrijgesproken.

4. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

(in de zaak met parketnummer 14/810295-07)

2.

hij op 08 mei 2006 in de gemeente Noorder-Koggenland, te Opperdoes, zich in het openbaar, namelijk door een openstaand raam vanuit zijn woning en aldus hoorbaar op de openbare weg en voor de buurt, mondeling, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten mensen die behoren tot het negroïde ras, wegens hun ras (waaronder begrepen nationaliteit en etnische afstamming en huidskleur), door opzettelijk beledigend een persoon, genaamd [slachtoffer 4], die geboren is op Aruba, de woorden toe te voegen: "Daar waar jullie vandaan komen, moeten jullie terug gaan" en "Dit is geen buurt voor bruine mensen" en "Jullie moeten terug naar je land" en "Je moet oprotten naar Aruba", althans woorden van gelijke beledigende en discriminerende aard of strekking;

3.

hij op 08 mei 2006 in de gemeente Noorder-Koggenland, te Opperdoes, drie kinderen, te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde personen dreigend de woorden toegevoegd: "Rij over die kinderen heen, anders schiet ik zelf kogels door hun kop", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op 07 juni 2006 in de gemeente Noorder-Koggenland, te Opperdoes, een persoon, genaamd [slachtoffer 6], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 6] de woorden toegevoegd: "Ik ga een bijl pakken voor jou" en "Ik schiet je dood" en "Ik ga een pistool halen" en "Ik schiet je door je hoofd" en "Ik maak jullie kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(in de zaak met parketnummer 14/704091-07)

hij op 10 juli 2007 te Opperdoes, gemeente Medemblik, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,83 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

5. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

6. BEWIJSMIDDELEN

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 in de zaak met parketnummer 14/810295-07:

? Het proces-verbaal met nummer PL1000/06-169211van 12 mei 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [betrokkene 1].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 12 mei 2006 tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van aangeefster [slachtoffer 4] (p.34):

Ik doe aangifte van bedreiging namens mijn drie kinderen [slachtoffer 2], [slachtoffer 1 en [slachtoffer 5]. Afgelopen maandagavond 8 mei 2006, omstreeks 20.00 uur, was ik in de tuin achter mijn woning. Onze kinderen en kinderen van de buren waren daar ook aan het spelen. Op dat moment kwam de bewoner van [adres 1] thuis met zijn auto, een rode Audi. Deze bewoner, ik ken hem als [verdachte], stapte uit de auto. Hierna ging hij zijn woning binnen en schold vanuit het bovenraam in onze richting. De woorden die hij toen gebruikte waren echt bedreigend. Ik zal dat proberen samen te vatten:“Daar waar jullie vandaan komen moeten jullie terug gaan. Dit is geen buurt voor bruine mensen”. Op dat moment riep ik mijn kinderen bij mij. Ook kwam er op dat ogenblik juist een auto voorbij rijden. Op dat moment hoorde ik hem zoiets zeggen als “Rij over die kinderen heen, anders schiet ik zelf drie kogels in hun hoofd”. Ik vond de woorden van die [verdachte] niet alleen bedreigend, maar ik voel mij ook gediscrimineerd. Mijn kinderen hebben alles gehoord.

? Het proces-verbaal met nummer PL1000/06-169211van 13 juni 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [betrokkene 2].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 juni 2006 tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van getuige [getuige 2] (p.37):

Op maandagavond 8 mei 2006 om ongeveer 20.15 uur was ik buiten aan het praten met een buurvrouw. Ik zag en hoorde dat [verdachte] vanuit een raam begon te schelden tegen buurvrouw [slachtoffer 4]. Ik hoorde dat hij heel veel lelijke dingen tegen haar zei onder andere: “Je moet oprotten naar Aruba, ga naar je moer. Dit is geen buurt voor bruine mensen.” Ik heb ook gehoord dat hij riep: “Rij over die kinderen heen, anders schiet ik zelf kogels door hun kop”.

? Het proces-verbaal met nummer PL1000/06-183412 van 8 juni 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [betrokkene 2].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 juni 2006 tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van verdachte (p.30):

Ik begrijp dat u mij ook wilt horen in verband met een aangifte bedreiging van 8 mei 2006. Ik heb toen inderdaad gezegd dat ze naar hun eigen land moesten gaan.

Ten aanzien van feit 4 in de zaak met parketnummer 14/810295-07:

? Het proces-verbaal met nummer PL1000/06-183412 van 8 juni 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [betrokkene 3].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als het relaas van verbalisant (p.7):

Op woensdag 7 juni 2006 werd mij door collega [betrokkene 4] verzocht om te gaan naar [adres 1] te Opperdoes. Ik hoorde dat [verdachte] zei terwijl hij [slachtoffer 4] aankeek: “Ik schiet je dood, ik schiet je een kogel door je kop. Ik maak jullie kapot.” Terwijl hij naar binnen liep meende ik te horen dat [verdachte] zei een bijl in de kop van [slachtoffer 4] te zullen slaan.

? Het proces-verbaal met nummer PL1000/06-183412 van 7 juni 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [betrokkene 5].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 juni 2006 tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer 6] (p.20):

Vanavond, woensdag 7 juni 2007, omstreeks 21.50 uur, bevond ik mij in mijn achtertuin. Ik hoorde [verdachte] op een agressieve toon schreeuwen, ‘rot op vieze negers, ga naar je eigen land terug’ ‘ik ga een bijl pakken voor jou’ ‘ik schiet je ook dood’. Al omkijkend zei hij dat hij een pistool zou gaan halen. Ik hoorde dat [verdachte] zei, ‘ik schiet je door je hoofd’.

? Het proces-verbaal met nummer PL1000/06-183412 van 8 juni 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [betrokkene 2].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 juni 2006 tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van verdachte (p.30):

Gisteravond 7 juni 2006 even na 22.00 uur kwam ik met mijn auto aangereden in de straat. Ik zag dat de motoragent met [slachtoffer 6] stond te praten. Ik weet nog dat ik hierna gezegd heb tegen [slachtoffer 6] dat ik hem een kogel door zijn kop zou schieten. Het kan goed zijn dat ik tijdens het naar binnen lopen heb gezegd dat ik de kop van [slachtoffer 6] met de bijl in zou slaan.

Ten aanzien van het feit in de zaak met parketnummer 14/704091-07:

? Het proces-verbaal met nummer PL1000/07-205625 van 11 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [betrokkene 6] en [betrokkene 7].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 juli 2007 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van verdachte:

Ik was 10 juli 2007 in Medemblik. Ik ging rond 19.00 uur richting Opperdoes. Ik heb daar in Medemblik twee flesjes bier gedronken. Nadat ik thuis was heb ik nog een flesje bier gepakt. Ik heb deze ongeveer half opgedronken. Omstreeks 20.00 uur reed ik [adres 1] in. Ik reed in mijn eigen auto.

? Het proces-verbaal met nummer PL1000/07-205625 van 10 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [betrokkene 8] en [betrokkene 5].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als het relaas van verbalisanten:

Op dinsdag 10 juli 2007 omstreeks 21.27 uur heb ik, [betrokkene 5], [verdachte] gevorderd mee te werken aan een blaasproef op het ademanalyseapparaat. Dit is [verdachte] niet gelukt. Derhalve is er van [verdachte] een bloedproef afgenomen.

? Het proces-verbaal met nummer PL1000/07-229323 van 23 augustus 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [betrokkene 8] en [betrokkene 5].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als het relaas van verbalisanten:

Op dinsdag, 10 juli 2007 om 22:40 uur heeft de arts [verdachte] bloed afgenomen. Ik, [betrokkene 5], heb het bloedmonster voorzien van een identiteitszegel met nummer 572395.

? Een geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie te Den Haag gedateerd 24 juli 2007, opgemaakt door [betrokkene 9].

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de personalia van de verdachte, zegelnummer 572395 en als resultaat van de analyse van het afgenomen bloed: 1,83 milligram alcohol per milliliter bloed.

7. BEWIJSVERWEREN

De verdediging heeft verweer gevoerd ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 in de zaak met parketnummer 14/810295-07.

Nu de rechtbank verdachte van feit 1 in de zaak met parketnummer 14/810295-07 vrij zal spreken, kan het verweer ten aanzien van dat feit onbesproken blijven.

Het betoog van de verdediging dat ten aanzien van 3 in de zaak met parketnummer 14/810295-07 niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, nu de bedreiging onvoldoende reëel is, volgt de rechtbank niet. Verdachte heeft de in de bewezenverklaring genoemde woorden geuit binnen de context van een – gelet op het complex van bewezen verklaarde feiten – slepende burenruzie. Gelet op die context en mede gelet op de aard van de door verdachte gebezigde woorden, moeten de door verdachte gedane uitlatingen naar het oordeel van de rechtbank worden geacht in het algemeen vrees voor een misdrijf tegen het leven gericht te hebben kunnen opwekken.

Voorts heeft de verdediging ter zake bepleit dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de kinderen zijn bedreigd, aangezien niet is gebleken dat zij verdachtes bedreiging hebben gehoord.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat – hoewel zich ter zake geen verklaringen van de kinderen in het dossier bevinden – is bewezen dat de kinderen de bedreiging hebben gehoord. De rechtbank ontleent dit bewijs aan de verklaring van de moeder van de kinderen, [slachtoffer 4]. Daaruit blijkt dat zij de bedreiging heeft gehoord en dat haar kinderen zich op geringe afstand van haar bevonden. Zij heeft immers verklaard dat zij zich samen met haar kinderen in haar tuin bevond. Gelet daarop kan ervan worden uitgegaan dat ook haar kinderen de bedreiging hebben gehoord, hetgeen [slachtoffer 4] overigens ook zelf heeft verklaard.

Ten aanzien van feit 4 in de zaak met parketnummer 14/810295-07 heeft de verdediging betoogd dat geen sprake is van een bedreiging, nu de uitlatingen van verdachte slechts als onbeheerste uitingen van woede moeten worden gezien en bovendien niet als bedreigend zijn ervaren, en voorts dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft gedreigd een bijl te pakken.

De rechtbank is van oordeel van verdachtes uitlatingen niet slechts hebben te gelden als onbeheerste uitingen van woede, doch moeten worden aangemerkt als strafbare bedreiging gelet op de context waarbinnen deze uitlatingen zijn gedaan. Er was immers sprake van een slepende burenruzie, zodat een aannemelijk en mogelijk motief voorhanden is. Daarenboven zijn de door verdachte geuite woorden op zichzelf genomen voldoende om in het algemeen bij de bedreigden de redelijke vrees te doen ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen.

Dat de uitingen van verdachte door het slachtoffer als bedreigend zijn ervaren, staat weliswaar niet expliciet in zijn aangifte – anders dan de algemene frase dat bij aangever de vrees bestond dat verdachte zijn bedreiging daadwerkelijk ten uitvoer zou leggen - , doch uit de feiten en omstandigheden kan zulks naar het oordeel van de rechtbank worden opgemaakt. Zo heeft verdachte aangifte gedaan van bedreiging en is sprake van een slepende burenruzie.

Op grond van de verklaringen van aangever, de politieambtenaren en de verdachte zelf, zoals onder overweging 5 aangehaald, verklaart de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook heeft gedreigd een bijl te pakken.

8. NADERE MOTIVERING

De rechtbank heeft in het geval van feit 3 in de zaak met parketnummer 14/810295-07 bewezen verklaard dat verdachte drie kinderen dreigend de woorden heeft toegevoegd, zoals in de bewezenverklaring staan vermeld. De term toevoegen heeft de rechtbank verstaan als zowel het direct aanspreken van de slachtoffers als het indirect aanspreken van de slachtoffers door in hun bijzijn tegen een ander genoemde woorden te uiten. Van dit laatste is in het onderhavige geval immers sprake nu verdachte de dreigende uitlatingen heeft gedaan ten overstaan van de kinderen doch in de richting van een automobilist.

9. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 14/810295-07

2. Het zich in het openbaar, mondeling, opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras;

3. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

4. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

in de zaak met parketnummer 14/704091-07:

Overtreding van artikel 8, lid 2, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

10. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

11. MOTIVERING VAN DE STRAF(FEN).

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft beledigende uitlatingen gedaan in de richting van zijn buurvrouw op grond van het ras waartoe zij behoort. Met dergelijke uitlatingen heeft verdachte niet alleen haar beledigd en gekwetst, maar heeft hij tevens de waardigheid van de desbetreffende groep mensen miskend. Discriminatie en belediging van mensen vanwege hun ras wekt beroering en weerzin en druist in tegen de in de Nederlandse samenleving gehuldigde normen en waarden. Verdachte heeft ter zitting er geen blijk van gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien.

Voorts heeft verdachte zijn buurman en diens kinderen bedreigd. Daardoor is – zo blijkt uit hun slachtofferverklaringen – met name bij de kinderen, gelet op hun jeugdige leeftijd, angst ontstaan.

Waar voornoemde strafbare feiten gericht zijn tegen buren en diens kinderen, is ten gevolge van die feiten onrust in de buurt veroorzaakt. Daarbij laat de rechtbank in het midden of deze onrust alleen verdachte valt te verwijten. Voorts zijn de feiten bij verschillende gelegenheden in het verloop van ruim een jaar gepleegd. Daarbij was verdachte, gelet op de getuigenverklaringen, telkenmale onder invloed van alcohol.

Dat verdachte een alcoholprobleem heeft, blijkt mede uit het feit dat hij met een promillage van 1,83 – hetgeen zeer hoog genoemd mag worden – een auto heeft bestuurd. Het behoeft geen betoog dat dit voor medeweggebruikers levensgevaarlijke situaties doet ontstaan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 26 november 2007, waaruit blijkt dat de verdachte in het recente verleden niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 15 oktober 2007 van mw. C.J.C. Kok als reclasseringswerkster verbonden aan Brijder verslavingszorg.

- Het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 21 september 2006 van dhr. R. Broer als reclasseringswerker verbonden aan Brijder verslavingszorg.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen:

De Brijder verslavingszorg heeft constateerd dat verdachte een alcoholprobleem heeft. De rechtbank acht verdachtes ontkenning van dat probleem zorgelijk, omdat de strafbare feiten telkens onder invloed van alcohol zijn begaan en omdat daardoor een behandeling vooralsnog onmogelijk is.

Bij de strafbepaling zal de rechtbank ook rekening houden met het feit dat verdachte in het recente verleden niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en dat hij ten gevolge van de commotie die met name na het incident, waarvoor de rechtbank verdachte vrijspreekt, zijn huis kwijt is geraakt en aldus het leven van verdachte ingrijpend is gewijzigd.

De rechtbank merkt op dat zij normaliter, gelet op voornoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor de bewezen verklaarde strafbare feiten een werkstraf passend en geboden zou hebben geacht. De rechtbank ziet zich echter geconfronteerd met het feit dat verdachte reeds geruime tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht voor een feit waarvoor verdachte thans wordt vrijgesproken. Dientengevolge zal de rechtbank voor voornoemde feiten een gevangenisstraf opleggen. Gelet op het vorengaande en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier weken op haar plaats is. Gelet op voornoemde gevolgen van het strafproces voor verdachte, ziet de rechtbank geen aanleiding ziet een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

12. MOTIVERING VAN DE BIJKOMENDE STRAF

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde is de rechtbank is van oordeel dat als bijkomende straf een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen dient te worden opgelegd.

Hoewel het bij verdachte geconstateerde promillage in de zaak met parketnummer 14/704091-07 in beginsel een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen rechtvaardigt, ziet de rechtbank in het vorenoverwogene ten aanzien van de reeds ondergane voorlopige hechtenis aanleiding om in dit geval een voorwaardelijke ontzegging voor de duur van 8 maanden op te leggen met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank acht het immers wel noodzakelijk om verdachte een waarschuwing te geven om zijn alcoholgebruik, in het bijzonder wanneer hij een auto bestuurt, ernstig te matigen.

13. BENADEELDE PARTIJ

[Slachtoffer 4] heeft, namens de benadeelde partijen, te weten haar kinderen [slachtoffer2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5], vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van ieder € 500 wegens schade die de verdachte in verband het onder feit 1 in de zaak met parketnummer 14/810295-07 aan de benadeelde partijen heeft toegebracht.

Nu [slachtoffer 1] niet in de tenlastelegging van feit 1 in de zaak met parketnummer 14/810295-07 als slachtoffer staat vermeld, dient zij in haar vordering reeds om die reden niet ontvankelijk te worden verklaard.

Nu voorts niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 in de zaak met parketnummer 14/810295-07 is ten laste gelegd, kunnen de benadeelde partijen niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partijen niet ontvankelijk zijn in hun vordering.

14. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 137c, 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

15. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 in de zaak met parketnummer 14/810295-07 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 weken.

Ontzegt de verdachte wegens het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING in de zaak met parketnummer 14/704091-07 bewezen verklaarde strafbare feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partijen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2], niet ontvankelijk in de vordering.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mr. M. Lolkema en mr. K.G.F. van der Kraats, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van der Vecht, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2007.