Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BC1535

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
99069 / OT RK 07-1217
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot (gedeeltelijk) vervallen verklaring van schriftelijke aanwijzing afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat de aanwijzing voldoet aan het doel van de (voorlopige) ots, en dat de door BJZ aangewezen vorm van (observatie)onderzoek het minst belastend zal zijn voor de 5 (jonge) kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR vervallen verklaren aanwijzing

Sector civiel recht

mb

Rekestnummer: 99069 / OT RK 07-1217

Datum uitspraak: 12 december 2007

Beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank te Alkmaar, gegeven in de zaak met betrekking tot de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren te Stede Broec, op [geboortedatum],

[minderjarige 2], geboren te Hoorn, op [geboortedatum],

[minderjarige 3], geboren te Hoogkarspel, op [geboortedatum],

[minderjarige 4], geboren te Hoorn, op [geboortedatum],

[minderjarige 5], geboren te Hoorn, op [geboortedatum],

vader: [naam vader], zonder bekende woon- of verblijfplaats,

moeder: [naam moeder], wonende te Hoogkarspel, gemeente Drechterland,

gezag: de ouders.

PROCESGANG

De kinderrechter te Alkmaar heeft bij beschikking van 8 november 2007 de voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarigen uitgesproken voor de duur van drie maanden,

tot 8 februari 2008.

Bureau Jeugdzorg Noord-Holland heeft bij brief van 22 november 2007 een schriftelijke aanwijzing aan de ouders gegeven, onder andere inhoudende dat:

-het de vader niet toegestaan is om contact te zoeken met alle zeven kinderen, en dat hij eenmaal per week omgang heeft met zijn eigen kinderen volgens de door Bureau Jeugdzorg gestelde voorwaarden zoals verwoord in het herziening en vaststellingsverzoek omgangsregeling van 22 november 2007;

-moeder meewerkt aan het observatietraject van de Bascule, waarbij moeder en de kinderen in het voortraject ambulante ondersteuning krijgen vanuit de Bascule of door CLAS H van Orthopedagogisch centrum het Gooi.

Bij beschikking van 29 november 2007 heeft de kinderrechter een gewijzigde omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en de minderjarigen.

Op 30 november 2007 heeft mr. M.L. Molenaar, advocaat te Alkmaar, namens de vader verzocht de eerdergenoemde schriftelijke aanwijzing op grond van artikel 259 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vervallen te verklaren, voor zover deze ziet op het meewerken aan het observatieonderzoek door de bascule. Bij het verzoekschrift is onder andere de schriftelijke aanwijzing als bijlage gevoegd.

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:

-het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar (de Raad) van 11 december 2007 betreffende de voorlopige voogdij;

-de brief van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland (BJZ) van 11 december 2007 aan de Raad;

-de schriftelijke aanwijzing van Bureau Jeugdzorg van 22 november 2007;

-het rapport van de Raad van 8 november 2007 inzake de voorlopige ondertoezichtstelling;

-de rapportage van het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, verdachte [naam vader], van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 7 augustus 2007;

-de rapportage van het NFI van 10 juli 2007, betreffende de voorlopige resultaten van het voornoemde onderzoek;

-het proces-verbaal van aangifte door de moeder van 25 april 2007, betreffende het plegen van seksuele handelingen door de heer [naam vader] met zijn stiefdochter [naam], de dochter van moeder.

Blijkens het proces-verbaal van de gehouden terechtzitting op 12 december 2007 is de (enkelvoudige) mondelinge behandeling geschorst voor overleg tussen de ouders en BJZ.

De mondelinge behandeling is voortgezet op 19 december 2007 voor de meervoudige kamer voortgezet, waarbij zijn verschenen de heer [naam vader] (vader), bijgestaan door mr. M.L. Molenaar, mevrouw [naam moeder] (moeder), bijgestaan door mr. K.R. Hofmann-Kuijl, namens de Raad mevrouw A. Meester, en namens BJZ de gezinsvoogd mevrouw [naam] en de heer [naam], teamleider.

STANDPUNTEN PARTIJEN

De vader heeft aangegeven dat hij de maatregel te ingrijpend en te belastend acht voor de moeder en met name de kinderen. Hij stelt hiertoe dat de kinderen beschadigd raken wanneer zij zes weken uit hun vertrouwde omgeving gehaald worden en ter observatie worden opgenomen in een psychiatrische instelling als de Bascule. De vader acht onderzoek in een ambulante setting meer in het belang van de kinderen. Verder is de vader van mening dat BJZ onvoldoende heeft onderbouwd waarom het een zo verstrekkende vorm van onderzoek nodig acht. De vader acht daarbij de sancties op het niet nakomen van de schriftelijke aanwijzing, een uithuisplaatsing van de kinderen, te verstrekkend. De vader acht een uithuisplaatsing niet noodzakelijk, aangezien de veiligheid van de kinderen niet in gevaar is, zeker nu hij niet meer in het ouderlijk huis mag komen en daar ook niet meer komt. Tenslotte voert de vader nog aan dat de moeder met de dreiging van de uithuisplaatsing voortdurend onder druk wordt gezet. Alhoewel zij het niet eens is met de schriftelijke aanwijzing durft zij door het dreigement niet in te gaan tegen BJZ.

De moeder heeft, als belanghebbende, ter zitting aangegeven het niet eens te zijn met de schriftelijke aanwijzing voor wat betreft de opname in de Bascule. Zij is evenals de vader van mening dat de kinderen beschadigd raken doordat zij uit hun vertrouwde omgeving gehaald worden en zes weken intern opgenomen zullen worden in een psychiatrische instelling als de Bascule. De moeder geeft aan volledig mee te willen werken aan andere onderzoeken die minder belastend zijn. Zij is echter wel van mening dat zij zeker weet dat de vijf kinderen niet misbruikt zijn, zij psychisch volledig gezond zijn en dat er niets met de kinderen aan de hand is. De moeder heeft toegezegd dat wanneer de rechtbank echter van oordeel zou zijn dat het traject bij de Bascule wel het meest in het belang van de kinderen geacht kan worden, zij hieraan haar medewerking zal verlenen.

De gezinsvoogd heeft ter zitting - kort samengevat - het volgende aangegeven. De lijn die BJZ heeft uitgezet, waaronder de schriftelijke aanwijzingen, is onder meer gebaseerd op de expertise van de gedragswetenschappers van BJZ. Uit het proces-verbaal van aangifte en de belastende resultaten van het onderzoek door het NFI blijkt dat sprake is van een verdenking van de vader van zeer ernstige feiten, seksueel misbruik van de oudste dochter van moeder, zijn stiefdochter. BJZ weet uit ervaring dat bij deze ernstige feiten vaak sprake is van een gesloten gezinssysteem, waar veel familiegeheimen verborgen kunnen blijven. Op grond daarvan is BJZ van mening dat een observatieonderzoek door de Bascule de meest geëigende wijze is om zicht te krijgen op het functioneren van de moeder en de kinderen, en om feitelijk zicht te krijgen op hoe het met alle kinderen afzonderlijk gaat en in hoeverre sprake is van zorgelijke signalen bij de kinderen. Hieraan ligt ten grondslag dat de Bascule op korte termijn en in relatief korte tijd (zes weken) zeer gedegen onderzoek kan doen, op een manier die specifiek is afgestemd op kinderen van verschillende leeftijden. De Bascule heeft veel specialistische kennis in huis over met name onderzoek en observatie van jonge kinderen en kan het onderzoek integraal verrichten. Veelal komen negatieve reacties naar aanleiding van het onderzoek pas een of twee dagen later aan de oppervlakte. Om deze signalen te kunnen herkennen, en om hier als (gedrags-)deskundigen adequaat op te kunnen reageren is onderzoek in een residentiele setting noodzakelijk.

OVERWEGINGEN

Bij brief van 22 november 2007 heeft Bureau Jeugdzorg Noord-Holland de ouders een schriftelijke aanwijzing gegeven, inhoudende dat - voor zover hier van belang - moeder meewerkt aan het observatietraject van de Bascule, waarbij moeder en de kinderen in het voortraject ambulante ondersteuning krijgen vanuit de Bascule of door CLAS H van Orthopedagogisch centrum het Gooi.

Ter beoordeling staat de vraag of er redenen zijn de schriftelijke aanwijzing van de gezinvoogd gedeeltelijk vervallen te verklaren.

Het wettelijk kader van de ondertoezichtstelling biedt de gezinsvoogd de mogelijkheid om - ter uitvoering van haar taak - een schriftelijke aanwijzing te geven, welke het doel van de ondertoezichtstelling moet dienen. De met het gezag belaste ouders dienen de schriftelijke aanwijzing op te volgen. Ingevolge artikel 259 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter onder andere op verzoek van de met het gezag belaste ouder de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Nu bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven aan de gezinsvoogdijinstelling een zekere beleidsvrijheid toekomt, beziet de rechtbank - gegeven de taak van de gezinsvoogd - of de gezinsvoogd voldoende gronden heeft om de schriftelijke aanwijzing op te leggen.

Zoals reeds in de beschikking van deze rechtbank van 29 november 2007 inzake de wijziging van de omgangsregeling is opgenomen, is het doel van de (voorlopige) ondertoezichtstelling het afwenden van een mogelijke bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarigen. Het doel van de schriftelijke aanwijzing moet derhalve de afwending van een mogelijke ernstige bedreiging dienen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader verdacht wordt van seksueel misbruik van [naam], de oudste dochter van de moeder en stiefdochter van vader. De Raad is in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling thans nog bezig met het onderzoek naar de vraag in hoeverre de kinderen worden bedreigd in hun zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarigen. Dit onderzoek wordt echter bemoeilijkt doordat de kinderen begin december door de moeder - zonder toestemming van de gezinsvoogd - naar Curaçao zijn gebracht, zodat enkel informatie ingewonnen kan worden bij de ouders en professioneel betrokkenen. BJZ en de Raad zijn van mening dat deze informatie onvoldoende is om antwoord te krijgen op de vragen in hoeverre sprake is van mogelijk seksueel misbruik van één van de andere kinderen, in hoeverre een of meerdere kinderen beschadigd zijn geraakt door hun aanwezigheid bij mogelijk seksueel misbruik, danwel dat andere factoren maken dat het niet goed met hen gaat. Alhoewel de moeder heeft aangegeven zeker te weten dat er met de andere kinderen niets aan de hand is, is dit voor zowel BJZ, de Raad als de rechtbank op basis van de huidige gegevens niet vast te stellen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing voldoet aan het doel van de (voorlopige) ondertoezichtstelling, in die zin dat (observatie)onderzoek dient plaats te vinden teneinde de mogelijke bedreiging van de belangen van de kinderen weg te nemen.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of BJZ in redelijkheid voldoende gronden had om de Bascule aan te wijzen als residentiële setting waar het observatieonderzoek dient plaats te vinden, of dat een ambulant traject niet meer in het belang van de kinderen geacht kan worden. De rechtbank stelt allereerst vast dat enig onderzoek hoe dan ook belastend is. Derhalve dient een vorm van onderzoek gekozen te worden die het minst belastend is voor de kinderen. De ouders zijn van mening dat een ambulant traject minder belastend is, terwijl BJZ en de Raad gemotiveerd hebben aangegeven waarom zij van mening zijn dat een observatieonderzoek bij de Bascule minder belastend is voor de kinderen omdat de werkwijze juist is toegespitst op jonge kinderen en gezinnen met kinderen die in leeftijd variëren. Gelet op de onderbouwing van BJZ is de rechtbank van oordeel dat deze vorm van onderzoek het meest in het belang van de minderjarigen geacht kan worden. De rechtbank zal het verzoek van de vader, gelet op al het vorenstaande, dan ook afwijzen.

BESLISSING

De rechtbank:

Wijst het verzoek de schriftelijke aanwijzing van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland van 22 november 2007 gedeeltelijke vervallen te verklaren af.

Deze beslissing is gegeven te Alkmaar door mr. W.C. Oosterbroek, voorzitter tevens kinderrechter, mr. M.F.G.H. Beckers en E.J. van der Molen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2007, in tegenwoordigheid van mr. M. Broek als griffier.