Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BC0756

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
14.811019-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdige verdachte van doodslag op schoolplein uiteindelijk veroordeeld voor mishandeling de dood ten gevolge hebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Locatie Alkmaar

Parketnummer : 14/811019-07

Datum uitspraak : 20 december 2007

TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor de behandeling van Kinderstrafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

thans gedetineerd in [detentieadres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 juli 2007, 4 oktober 2007, 1 november 2007 en 13 december 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank:

- de verdachte zal vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde;

- het meer subsidiair tenlastegelegde bewezen zal verklaren;

- de verdachte voor zal veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 308 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- naast de algemene voorwaarden verbonden aan de proeftijd de verdachte een bijzondere voorwaarde zal opleggen, te weten: zich houden aan de aanwijzingen van het Bureau Jeugdzorg, ook indien inhoudende een behandeling, met de opdracht hulp en steun aan die instelling;

- de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- ten aanzien van het beslag, een cd-rom, zal beslissen deze terug te geven aan het Jan Arentsz College.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw mr. A.M.D. Naarden, advocaat te ’s-Gravenhage, ter terechtzitting naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

primair

hij op of omstreeks 23 april 2007 te Alkmaar opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [naam slachtoffer] met de (gebalde) (rechter)vuist een of meerma(a)l(en) tegen het hoofd geslagen en/of gestompt en/of die [naam slachtoffer] een of meerma(a)l(en) een knietje in de maagstreek, althans een knietje tegen het lichaam gegeven, tengevolge waarvan voornoemde die [naam slachtoffer] is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 23 april 2007 te Alkmaar aan een persoon genaamd [naam slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel), heeft toegebracht, door opzettelijk die [naam slachtoffer] met de (gebalde) (rechter)vuist een of meerma(a)l(en) tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of door genoemde [naam slachtoffer] een of meerma(a)l(en) een knietje in de

maagstreek, althans een knietje tegen het lichaam te geven, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 23 april 2007 te Alkmaar opzettelijk [naam slachtoffer] heeft mishandeld door genoemde [naam slachtoffer] met de (gebalde) (rechter)vuist een of meerma(a)l(en) tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of door genoemde [naam slachtoffer] een of meerma(a)l(en) een knietje in de maagstreek, althans een knietje tegen het lichaam te geven, tengevolge waarvan deze [naam slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAAK

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde, nu de officier van justitie het opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer niet, ook niet in voorwaardelijke vorm, bewezen acht. De officier van justitie heeft tevens gevorderd verdachte vrij te spreken van het subsidiair tenlastegelegde, omdat het door verdachte tegen het slachtoffer toegepaste geweld niet van dien aard was dat gezegd kan worden dat het opzet van verdachte, ook in voorwaardelijke vorm, gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.

Ten aanzien van de tenlastegelegde doodslag heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte door zijn handelen niet het opzet had het slachtoffer te doden. Ook van voorwaardelijk opzet kan in de visie van de raadsvrouw geen sprake zijn, daar de kans dat een persoon als gevolg van enkele vuistslagen op het hoofd zal komen te overlijden naar algemene ervaringsregels niet aanmerkelijk is te noemen. Verdachte heeft dit gevolg dan ook nooit voor waarschijnlijk gehouden en zeker niet aanvaard. De raadsvrouw voert daarbij ook nog aan dat niet zeker is dat het bij het slachtoffer geconstateerde letsel is ontstaan door het door verdachte toegepaste geweld, maar even goed kan zijn ontstaan door de daaropvolgende val van het slachtoffer op de grond.

Voorts betoogt de raadsvrouw dat verdachte evenmin het opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer, ook niet in voorwaardelijke vorm. Het enkele slaan met de blote vuist acht zij onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voorts tekent de raadsvrouw aan dat het letsel van het slachtoffer ook kan zijn ontstaan door de daarop volgende val van het slachtoffer.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde:

De rechtbank wil allereerst en meer in het algemeen opmerken dat het geven van vuistslagen op kwetsbare delen van het hoofd altijd het gevaar in zich bergt dat het slachtoffer tengevolge van die slagen zwaar lichamelijk letsel oploopt of, in het ergste geval, komt te overlijden. Van een dergelijk gevaar zou men zich bewust moeten zijn.

Verdachte heeft toegegeven het slachtoffer [naam slachtoffer] tegen het hoofd te hebben geslagen, maar heeft daarbij ook aangegeven nimmer te hebben verwacht en ook nooit te hebben gewild dat de gevolgen zo ernstig zouden zijn.

Verdachte heeft na een korte woordenwisseling met het slachtoffer naar hem uitgehaald en hem met gebalde vuist een drietal keren op zijn hoofd gestompt. Verdachte heeft met de blote vuist geslagen. Dat dat met grote kracht is of moet zijn gebeurd, kan echter niet met voldoende mate van zekerheid uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Met name de bevindingen van de deskundigen, [namen deskundigen], beiden als arts-patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, bieden geen basis voor deze conclusie. Uit het verslag van deze deskundigen en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting blijkt immers dat het letsel, waaraan [naam slachtoffer] is overleden, al kan optreden na wat de deskundigen aanduiden als een “moderate impact”. Voor het ontstaan van de bij het slachtoffer geconstateerde letsels behoefde, aldus de deskundigen, geen excessief geweld te worden gebruikt.

Onvoorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zou eerst bewezen kunnen worden geacht indien het door verdachte uitgeoefende geweld naar de uiterlijke verschijningsvorm op die gevolgen gericht was. Naar het oordeel van de rechtbank kan die conclusie niet worden getrokken. Ook kan, gelet op de aard en omvang van het toegepaste geweld en het door het slachtoffer opgelopen letsel, niet bewezen worden geacht dat de aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer als gevolg van de slagen tegen zijn hoofd zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en zou komen te overlijden en dat verdachte die kans willens en wetens heeft aanvaard. Van opzet in voorwaardelijke vorm is dus evenmin sprake.

Nu het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen kan worden geacht, moet de verdachte hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWEZENVERKLARING

Meer subsidiair is aan verdachte tenlastegelegd het plegen van een mishandeling met de dood als gevolg.

De rechtbank acht dit feit wel bewezen.

De verdediging heeft nog naar voren gebracht dat de oorzaak van het door [naam slachtoffer] opgelopen en fataal gebleken letsel ook gelegen zou kunnen zijn in het feit dat het slachtoffer na de slagen op zijn hoofd op de grond is gevallen.

Verschillende getuigen hebben verklaard dat [naam slachtoffer] , kort nadat hij door verdachte was geslagen, in elkaar is gezakt en op de grond is terechtgekomen. De ter terechtzitting gehoorde neuropatholoog, [naam neuroloog], heeft verklaard dat deze gang van zaken erop duidt dat het slachtoffer mogelijk is flauwgevallen. Volgens [naam neuroloog] kan flauwvallen niet leiden tot het letsel, zoals dat bij het slachtoffer is vastgesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door de verdediging geopperde mogelijkheid als te onwaarschijnlijk terzijde moet worden geschoven.

Overigens is de rechtbank van oordeel dat, ook indien wordt uitgegaan van de hypothese dat het fatale letsel is veroorzaakt door de val, dit nog niet betekent dat de dood van [naam slachtoffer] niet meer als het gevolg van de mishandeling zou kunnen worden aangemerkt. Het vallen is immers het directe gevolg geweest van die mishandeling.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

hij op 23 april 2007 te Alkmaar opzettelijk [naam slachtoffer] heeft mishandeld door genoemde [naam slachtoffer] met de gebalde rechtervuist meermalen tegen het hoofd te stompen, tengevolge waarvan deze [naam slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

6. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Op 23 april 2007 ging verdachte zijn vriendin ophalen van school. Op het schoolplein heeft verdachte de confrontatie met het slachtoffer, [naam slachtoffer] , gezocht. Verdachte wilde verhaal halen bij het slachtoffer naar aanleiding van een kwestie tussen het slachtoffer en een vriend van verdachte. Na aanvankelijk te zijn weggelopen is verdachte teruggekeerd omdat het slachtoffer hem iets zou hebben nageroepen wat hij niet had verstaan. Weer zocht verdachte de confrontatie op. Als reactie op een hem onwelgevallig antwoord van het slachtoffer heeft verdachte met zijn vuist uitgehaald met de bedoeling het slachtoffer een kaakslag te geven. Het slachtoffer wendde zijn hoofd af in een poging de stomp te ontwijken. Door deze reactie van het slachtoffer heeft verdachte het slachtoffer op zijn slaap geraakt. Vervolgens heeft het slachtoffer zijn armen omhoog geheven om zijn hoofd te beschermen. Verdachte heeft hierop het slachtoffer nogmaals tot twee keer toe een stomp tegen zijn hoofd gegeven, waarna het slachtoffer wankelde. Verdachte heeft het slachtoffer nog een knietje gegeven en is weggelopen. Het slachtoffer is door zijn knieën gezakt en op de grond gevallen.

Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van de confrontatie met [naam slachtoffer] niet zozeer kwaad op hem was als wel dat hij hem sloeg vanuit de behoefte om stoer over te komen en zich te bewijzen tegenover de omstanders. Hoewel verdachte heeft verklaard de dood van [naam slachtoffer] nimmer te hebben gewild en de rechtbank ook niet bewezen heeft geacht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan doodslag, dan wel het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, de dood tot gevolg hebbende, is door toedoen van verdachte wel een 16-jarige jongen om het leven gekomen. [naam slachtoffer] heeft zijn meest waardevolle bezit, het leven, verloren, hetgeen voor de nabestaanden onbeschrijflijk en onherstelbaar leed met zich meebrengt.

De mishandeling vond plaats op klaarlichte dag op een schoolplein van een middelbare school, in aanwezigheid van scholieren, waaronder vrienden en bekenden van het slachtoffer. De gebeurtenissen hebben een diepe indruk achtergelaten op alle vrienden en bekenden van [naam slachtoffer] en hebben ook meer in het algemeen de samenleving ernstig geschokt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 19 oktober 2007, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van geweldsdelicten met Justitie in aanraking is geweest.

Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het over de verdachte uitgebrachte Rapport raadsonderzoek strafzaken gedateerd 25 april 2007 van de Raad voor de Kinderbescherming.

- de over de verdachte opgestelde consultbrief gedateerd 26 april 2007 van [naam psychiater], als psychiater verbonden aan het NIFP te Alkmaar.

- het over de verdachte uitgebrachte observatieverslag gedateerd 11 juni 2007 van Justitiële jeugdinrichting “Het Poortje”, afdeling Veenpoort, groep Galjoen, te Veenhuizen.

- het met betrekking tot verdachte opgemaakte Plan van Aanpak d.d. 17 juli 2007 opgesteld door mevrouw [naam reclasseringsmedewerker] als jeugdreclasseringwerker verbonden aan Bureau Jeugdzorg Noord-Holland Noord.

- het over de verdachte uitgebrachte strafadvies gedateerd 26 september 2007 van de Raad voor de Kinderbescherming.

- de over de verdachte uitgebrachte aanvullende rapportage gedateerd 4 december 2007 van [naam reclasseringsmedewerker] als jeugdreclasseringwerker verbonden aan Bureau Jeugdzorg Noord-Holland Noord.

- het over de verdachte uitgebrachte psychologisch rapport gedateerd 11 juli 2007, van [naam psycholoog], GZ-psycholoog.

Uit het psychologische rapport d.d. 11 juli 2007 blijkt dat er bij verdachte geen ziekelijke stoornis van de geestvermogens is vastgesteld. Wel wordt een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vastgesteld in de zin van een gebrekkige impulscontrole en een disharmonisch intelligentieprofiel met zwakbegaafde verbale vermogens. De psycholoog rapporteert voorts:

Betrokkene is een krenkbare jongen die geneigd is om op basis van emoties primair te reageren op (vermeende) bedreiging van of (vermeend) aangedaan onrecht bij vrienden, vriendin of aantasting van zijn eigen eergevoel. Vanuit zijn gevoeligheid voor wat anderen denken, betrekt hij zaken al snel op zichzelf. Hij handelt dan zonder de gevolgen ervan voor anderen of zichzelf goed te overdenken. (…) Inzake het tenlastegelegde speelde het voornoemde een rol en was er aanvankelijk sprake van het “verhaal halen” namens een vriend, terwijl de situatie eindigde in een krenking van zijn eigen zelfwaarde. De in aanleg voldoende ontwikkelde gewetensfuncties raakten op dat moment ondergesneeuwd door het emotiegestuurde primaire reactiepatroon van betrokkene, zodat de interne rem op zijn handelen wegviel. De krenking moest teniet worden gedaan door het slachtoffer middels klappen weer op zijn “plek” te zetten.

Op grond van het bovenstaande wordt geadviseerd om betrokkene voor het tenlastegelegde feit, indien bewezen geacht, licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Ten aanzien van de kans op recidive stelt de psycholoog dat hierbij de gebrekkige impulsbeheersing van betrokkene en zijn krenkbaarheid van belang zijn, maar gezien de forse impact die de gevolgen van het tenlastegelegde op verdachte hebben gehad lijkt de recidivekans op korte termijn beperkt. Om het recidiverisico te verminderen adviseert de psycholoog dat verdachte behandeling zal ondergaan, gericht op de impuls- en emotieregulatie. Een verplicht reclasseringscontact kan hier een kader voor bieden.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is.

Bij de bepaling van de duur en de vorm van die vrijheidsstraf heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Om verdachte ervan te weerhouden wederom over te gaan tot het plegen van strafbare feiten en teneinde een kader te scheppen voor een verplicht reclasseringscontact zal de rechtbank een gedeelte van de straf opleggen in voorwaardelijke vorm met daaraan verbonden een proeftijd. Gedurende deze proeftijd zal verdachte zich dienen te houden aan de aanwijzingen van het Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering, ook indien dit zal inhouden het volgen van een ambulante behandeling.

Ten tijde van de uitspraak heeft verdachte inmiddels acht maanden in jeugddetentie doorgebracht. De rechtbank komt tot een andere strafmaat dan door het openbaar ministerie gevorderd, in die zin dat een jeugddetentie met een langer voorwaardelijk deel zal worden opgelegd dan gevorderd. De rechtbank wil daarmee uitdrukking geven aan de ernst van het feit.

8. BESLISSING OMTRENT IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De rechtbank is van oordeel, dat het in beslag genomen voorwerp, te weten: een cd-rom

dient te worden teruggegeven aan: het Jan Arentszcollege te Alkmaar.

9. BENADEELDE PARTIJ

Namens de benadeelde partij [naam nabestaande slachtoffer] heeft mr. P.M. Breukink vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 15.683,88 wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu de verdediging de hoogte van de vordering niet heeft betwist, deze de rechtbank ook niet ongegrond voorkomt en voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden zal de rechtbank het gevorderde bedrag toewijzen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

10. SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van jeugddetentie, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

11. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

12. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een jeugddetentie voor de tijd van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens het Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, locatie Alkmaar, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, ook indien dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave van de cd-rom aan het Jan Arentszcollege te Alkmaar.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [naam nabestaande slachtoffer], p/a mr. P.M. Breukink, Kennemersingel 12, 1815 GB Alkmaar.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 15.683,88 (vijftienduizend zeshonderddrieëntachtig euro en 88 eurocent) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam nabestaande slachtoffer] te betalen een som geld ten bedrage van € 15.683,88 (vijftienduizend zeshonderddrieëntachtig euro en 88 eurocent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 90 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Westdorp, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. S.M. Jongkind-Jonker en mr. Y.M.I. Greuter-Vreeburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 december 2007.

Mr. Greuter-Vreeburg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.