Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB9271

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-11-2007
Datum publicatie
04-12-2007
Zaaknummer
AWB 06/2340
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanlegvergunning voor het verharden van een pad in Vogel- en Habitatrichtlijngebied Eilandspolder. De realisering heeft voor 1 oktober 2005 plaatsgevonden, zodat voor het pad geen vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 vereist is. Bij het nemen van het besluit op de aanvraag dient het bepaalde in artikel 6 van de Habitatrichtlijn in acht te worden genomen. Anders dan verweerder meent, is onder de omstandigheden van dit geval geen sprake van een plan of project dat direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van de speciale beschermingszone. Ten onrechte geen onderzoek naar eventuele significante gevolgen voor het natuurgebied. Geen strijdigheid bestemmingsplanvoorschriften.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2008/71 met annotatie van H.E. Woldendorp
JM 2008/26 met annotatie van Zijlmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/2340

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

de stichting “[hierna: De Stichting]”,

gevestigd te Amstelveen,

eiseres,

gemachtigde mr. B.J. Meruma,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schermer,

verweerder.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [hierna: staatsbosbeheer] (hierna: Staatsbosbeheer).

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 1 november 2005 heeft verweerder aan Staatsbosbeheer een aanlegvergunning verleend voor het verharden van een pad op de percelen kadastraal bekend gemeente Schermer, sectie [X], nummers [X], nabij [adres] te Grootschermer.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 27 juni 2006, verzonden op 28 juni 2006, ongegrond verklaard. Eiseres heeft bij brief van 7 augustus 2006 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting van 11 juni 2007, waar eiseres, vertegenwoordigd door haar gemachtigde en C.A. Polpe, is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. S.D. Wagenaar en A.C.A. Uitendaal, bijgestaan door H. de Jong, ecologisch adviseur. Verder zijn verschenen Staatsbosbeheer, vertegenwoordigd door de heer Postma, en [pachter van de desbetreffende percelen], pachter van de desbetreffende percelen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank op 13 juni 2007 bepaald dat het onderzoek wordt heropend en de zaak naar een meervoudige kamer verwezen.

De rechtbank heeft de zaak behandeld op de nadere zitting van 26 oktober 2007, waar eiseres is verschenen bij gemachtigden mr. A.H. Jonkhoff, C.A. Polpe en H.H. Niesen. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. S.D. Wagenaar, A.C.A. Uitendaal en [wethouder], wethouder, bijgestaan door H. de Jong, ecologisch adviseur. Verder is Staatsbosbeheer verschenen bij gemachtigden [districtshoofd], districtshoofd, en [boswachter], boswachter.

Motivering

1. Ingevolge artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald, dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit de voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning).

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO mag de aanlegvergunning alleen en moet die worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied 2003” (hierna: het bestemmingsplan) rust op de betrokken percelen de bestemming ‘Agrarische doeleinden met op natuurbehoud gerichte agrarische exploitatie’.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de planvoorschriften zijn gronden met die bestemming bestemd voor de uitoefening van het op natuurbehoud gericht agrarisch bedrijf. Tevens zijn de gronden bestemd voor het behoud en/of herstel dan wel ontwikkeling van de aldaar voorkomende dan wel eigen landschappelijke en natuurlijke waarden en voor het behoud van de openheid van het landschap.

Ingevolge artikel 2.2, vijfde lid, van de planvoorschriften zijn op de gronden de algemene aanlegvergunningen zoals aangegeven in artikel 3.11 van toepassing.

Ingevolge artikel 3.11, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het verboden op of in de gronden gelegen in het bestemmingsgebied agrarische doeleinden met op natuurbehoud gerichte agrarische exploitatie (artikel 2.2) zonder schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders of in afwijking van de bij een dergelijke vergunning gestelde eisen of voorwaarden, de volgende werken of werkzaamheden, geen normale onderhoudswerkzaamheden zijnde, uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren:

a. het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met uitzondering van kavelpaden tot een breedte van 3 meter;

[..]

g. het graven, vergraven of dichten van waterlopen en het maken van dammen.

2. De aanvraag om aanlegvergunning van 29 september 2005 heeft betrekking op een verhard pad, dat in september 2005 is aangelegd in het natuurgebied Eilandspolder. Het pad heeft een lengte van 350 meter en een breedte van 3,5 meter. Voor de aanleg van het pad is BSA-granulaat toegepast. Het pad loopt deels over een nieuw aangelegde dam, waarvoor een deel van een sloot is gedempt. De bij besluit van 1 november 2005 verleende aanlegvergunning strekt tot legalisering van het gedeelte pad ter breedte van 0,5 meter. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd, met dien verstande dat vergunning wordt verleend voor de volledige, gevraagde breedte van het pad van 3,5 meter.

Niet in geschil is en ook de rechtbank gaat er van uit dat het pad niet kan worden aangemerkt als een werk of werkzaamheid waarvoor ingevolge artikel 3.11, tweede lid, van de planvoorschriften geen aanlegvergunning noodzakelijk is.

3. Eiseres betoogt dat de aanlegvergunning ten onrechte niet (mede) is gebaseerd op artikel 3.11, eerste lid, onder g, van het bestemmingsplan. Volgens haar maakt de aanleg van de verbreding van de dam deel uit van de aanvraag om vergunning, nu het verbreden van de dam een aanlegwerkzaamheid betreft zonder welke het pad niet kan worden aangelegd. Verweerder heeft bij het verlenen van de vergunning naar haar mening ten onrechte de grondslag van de aanvraag verlaten.

4. Blijkens de aanvraag van 29 september 2005 is slechts verzocht om een aanlegvergunning voor het verharden van wegen/paden/banen/parkeergelegenheden. De aanleg of het verbreden van een (reeds bestaande) dam staat in de aanvraag noch in de vergunning vermeld. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd medegedeeld dat voor het verbreden van de bewuste dam afzonderlijk een aanlegvergunning zal moeten worden gevraagd. De stelling van eiseres dat verweerder bij de verlening van de vergunning de grondslag van de aanvraag heeft verlaten, mist dan ook feitelijke grondslag. Verder overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat een uitgevoerd werk afwijkt van de verleende aanlegvergunning, bij de beoordeling van de rechtmatigheid van die vergunning geen rol kan spelen. Indien eiseres van mening is dat werken ten onrechte zijn uitgevoerd in afwijking van of zonder aanlegvergunning, kan zij verweerder verzoeken daartegen handhavend op te treden.

5. Alvorens toe te komen aan het door eiseres naar voren gebrachte betoog dat - kort gezegd - niet is voldaan aan bepaalde, voor de verlening van een aanlegvergunning in het bestemmingsplan gegeven toetsingscriteria, stelt de rechtbank vast dat de uitvoering van het werk strekt ten dienste van de op de percelen rustende bestemming.

In de directe nabijheid van het aangelegde pad is het agrarisch bedrijf - een veehouderij - van [pachter van de desbetreffende percelen] gevestigd, dat past binnen de bestemming ‘Agrarische doeleinden met op natuurgebied gerichte agrarische exploitatie’. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het pad is aangelegd ten dienste van dit bedrijf, namelijk om de percelen grond in de Eilandspolder, in gebruik bij [pachter van de desbetreffende percelen], met landbouwvoertuigen beter bereikbaar te maken.

6. Eiseres voert aan dat de aanlegvergunning in strijd met artikel 1.7 van de planvoorschriften is verleend. Naar haar mening tast het aangelegde pad de karakteristieke elementen van het gebied aan. Zij stelt dat het slootpatroon wordt aangetast en dat het pad voorts een aantasting betekent van de onregelmatige vorm van de percelen waarop het is aangelegd. Tevens stelt zij dat het pad afbreuk doet aan het karakteristieke patroon dat is ontstaan door het ontbreken van wegen, zodat volgens haar zonder vrijstelling geen vergunning had mogen worden verleend.

7. Artikel 1.7 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, bepaalt:

Karakteristieke elementen

a. Voor de landschapsvormen dient de structuur, die karakteristiek is voor de gebieden in de gemeente Schermer, gehandhaafd en versterkt te worden. In het oudland (lees: veenweidegebieden) worden de karakteristieke landschapsvormen bepaald door [..], de slootpatronen, de onregelmatige kavelvormen, ontbreken van wegen [..].

b. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid a. inzake de handhaving, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.1, ten aanzien van losse onderdelen (bijvoorbeeld een tussensloot) in het landschap, indien:

1. de verandering noodzakelijk is voor een goede uitoefening van het agrarisch bedrijf en/of

2. handhaving van het bepaalde in lid a. niet in redelijkheid kan worden gevergd van de eigenaar en/of gebruiker van het gebouw en door middel van financiële tegemoetkomingen of anderszins de onevenredige nadelige gevolgen niet opgeheven kunnen worden.

8. De rechtbank is van oordeel dat het bepaalde in artikel 1.7, onder b, van de planvoorschriften ten aanzien van karakteristieke elementen op dit geval niet van toepassing is. In die vrijstellingsbepaling wordt immers slechts verwezen naar artikel 2.1 van de planvoorschriften (Agrarische doeleinden tevens cultuurhistorisch waardevol gebied), terwijl op de in het geding zijnde gronden artikel 2.2 (Agrarische doeleinden met op natuurbehoud gerichte agrarische exploitatie) van toepassing is. De rechtbank merkt in dit verband op dat in artikel 1.7 van de planvoorschriften ten aanzien van karakteristieke gebouwen wel een verwijzing naar artikel 2.2 is opgenomen. Het betoog van eiseres dat de aanlegvergunning is verleend in strijd met artikel 1.7 van de planvoorschriften faalt dan ook.

9. Eiseres betoogt verder dat de cultuurhistorische waarden van de gronden door de aanleg van het pad worden aangetast. Naar haar mening is de aanlegvergunning in strijd met de artikelen 2.2, tweede lid, en 3.11, vierde lid, van de planvoorschriften verleend.

10. Artikel 2.2, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

A. Voor een goed begrip van het ontstaan en de ontwikkeling van het landschap is het behoud en de inpassing van de cultuurhistorische waarden in dat landschap van groot belang.

B. Aan de hand van de ontstaansgeschiedenis van het gebied zijn kenmerkende elementen en structuren aangegeven.

C. In het plangebied zijn de volgende elementen en structuren aanwezig:

ten aanzien van de ontginning:

- het verkavelings-, wegen- en waterlopenpatroon;

[..]

ten aanzien van de historie:

- de archeologische vondsten/restanten;

- de natuurlijke indeling van het oudland.

D. Toetsingscriteria voor de elementen en de structuren zijn:

1.de kenmerkendheid;

2. de herkenbaarheid;

3. de zeldzaamheid;

4. de onderlinge samenhang.

E. Ingrepen in de structuren en/of elementen dienen te worden getoetst aan bovenstaande criteria, waarbij de omkeerbaarheid van de ingreep de belangrijkste rol speelt.

F. De cultuurhistorische waardering dient ook bij het verlenen van bouw- en aanlegvergunningen te worden betrokken.

Ingevolge artikel 3.11, vierde lid, van de planvoorschriften verlenen burgemeester en wethouders de vergunning als door de in het eerste lid genoemde werken en werkzaamheden dan wel door de gevolgen daarvan:

- de cultuurhistorische waarden van de gronden worden versterkt;

- direct of indirect de cultuurhistorische en natuurlijke waarden van de gronden aanvaardbaar worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden tot herstel van de waarden aanvaardbaar worden of kunnen worden verkleind.

11. Blijkens de stukken heeft verweerder bij de verlening van de aanlegvergunning de cultuurhistorische waardering betrokken. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet het standpunt heeft kunnen innemen dat met de aanleg van het verharde pad de cultuurhistorische waarden van de gronden aanvaardbaar worden aangetast. Hierbij betrekt de rechtbank dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat ter plaatse reeds een spoor/pad aanwezig en in gebruik was, dat met de aanleg van het pad het verkavelings- en waterlopenpatroon niet (noemenswaardig) wordt aangetast, en dat de aanleg van de verharding voor een relatief klein verlies aan oppervlakte natuurgebied zorgt. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat van verstoring van de kenmerkendheid, de herkenbaarheid, de zeldzaamheid en de onderlinge samenhang sprake is.

Gelet hierop komt de rechtbank tot de slotsom dat de aanlegvergunning ten aanzien van dit aspect niet in strijd met de artikelen 2.2, tweede lid, en 3.11, vierde lid, van de planvoorschriften is verleend. Het beroep treft in zoverre geen doel.

12. Eiseres betoogt voorts dat de aanlegvergunning in strijd met artikel 2.2, vierde lid, aanhef en onder c, in samenhang van artikel 4.1, eerste lid, van de planvoorschriften is verleend.

13. Ingevolge artikel 2.2, vierde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften wordt tot een gebruik van gronden en bouwwerken, strijdig met de bestemming, zoals bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, in ieder geval gerekend het opslaan, storten of opbergen van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden of in verband met het gebruik van agrarische doeleinden.

14. De rechtbank is van oordeel dat het aanleggen van een pad met een verharding van BSA-granulaat niet is aan te merken als “het opslaan, storten of opbergen van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten” als bedoeld in artikel 2.2, vierde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften. Daartoe overweegt de rechtbank dat het in het geding zijnde pad een duidelijke functie heeft, namelijk het creëren van een goede toegang tot de gepachte percelen weiland, waarvoor het aanlegvergunningenstelsel zoals dat is neergelegd in artikel 3.11, eerste lid, van de planvoorschriften geldt. Niet is gebleken dat met de aanleg van het pad tevens is beoogd het opslaan, storten of opbergen van menggranulaat. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat door het aanbrengen van een wegendoek een zekere terugneembaarheid van het menggranulaat is gewaarborgd. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de aanlegvergunning in strijd met artikel 2.2, vierde lid, aanhef en onder c, in samenhang van artikel 4.1, eerste lid, van de planvoorschriften is verleend. Het beroep treft in zoverre geen doel.

15. Eiseres betoogt verder dat de aanlegvergunning is verleend in strijd met artikel 3.11, vierde lid, van de planvoorschriften en met de Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 tot behoud van de vogelstand (hierna: de Vogelrichtlijn) en de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de Habitatrichtlijn). Hiertoe voert zij - kort samengevat - aan dat verweerder ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de effecten van de aanleg van het verharde pad op de natuur van de Eilandspolder. Volgens haar had een passende beoordeling moeten worden gemaakt, omdat de aanleg van het verharde pad een project of plan is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied. Verder heeft verweerder naar haar mening nagelaten te beoordelen of het aangebrachte BSA-granulaat de natuurwaarden van het gebied aantast.

16. Niet in geschil is dat het gehele gebied “Eilandspolder” is aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de Vogelrichtlijn. Een deel van dit gebied (Eilandspolder Oost) is ook aangemeld als Habitatrichtijngebied. Het verharde pad ligt in Eilandspolder Oost.

17. De Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) is bij wet van 20 januari 2005 gewijzigd, welke wijziging op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Beoogd is de gebiedsbeschermingsbepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn te implementeren. Het gebied “Eilandspolder” betreft een gebied dat is aangewezen als Vogelrichtlijngebied als bedoeld in de Nbw 1998.

18. De rechtbank stelt voorop, gelet op het in artikel 60a, tweede lid, van de Nbw 1998 geregelde overgangsrecht, dat bij de beslissing op de onderhavige aanvraag om aanlegvergunning, nu deze beslissing na 1 oktober 2005 is genomen, rekening moest worden gehouden met de van toepassing zijnde bepalingen van de Nbw 1998 (zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 april 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer BA2228).

19. Artikel 19d van de Nbw 1998 voorziet in een vergunningstelsel voor het realiseren van projecten of het verrichten van andere handelingen, die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

20. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is het verharde pad in september 2005 aangelegd. Nu de realisering vóór 1 oktober 2005 heeft plaatsgevonden, is naar het oordeel van de rechtbank voor het pad geen vergunning bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 vereist. Artikel 19d van de Nbw 1998, dat is bedoeld als implementatie van artikel 6 van de Habitatrichtlijn, is in dit geval niet van toepassing. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 november 2006, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer: AZ3260.

Nu ervan moet worden uitgegaan dat artikel 19d van de Nbw 1998 niet voorziet in een verbodsbepaling voor een project, dat is gerealiseerd vóór 1 oktober 2005, zoals hier aan de orde, dient naar het oordeel van de rechtbank bij het nemen van de beslissing op de onderhavige aanvraag om vergunning het bepaalde in artikel 6 van de Habitatrichtlijn in acht te worden genomen. Op het moment van realisatie van het pad was immers nog geen sprake van een correcte implementatie van de bepalingen van het gemeenschapsrecht in het nationale recht. Ten einde het resultaat van de betrokken bepalingen alsnog te kunnen bewerkstelligen, moet aan artikel 6 (lid 2-4) van de Habitatrichtlijn rechtstreekse werking worden toegekend.

21. Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. De bevoegde instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven nadat zij zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2004, zaak C-127/02, JM 2004/112, volgt dat wanneer een nationale rechter moet nagaan of de toestemming voor een plan of project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn rechtmatig is verleend, hij kan toetsen of de door deze bepaling aan de beoordelingsmarge van de bevoegde nationale autoriteiten gestelde grenzen in acht zijn genomen, ook als de bepaling niet in de rechtsorde van de betrokken lidstaat is omgezet ofschoon de daartoe gestelde termijn is verstreken.

22. De Habitatrichtlijn bevat geen definitie van de begrippen 'plan' en 'project'. Uit het genoemde arrest van het Hof volgt echter dat voor de verduidelijking van deze begrippen, het begrip 'project', zoals dat wordt gedefinieerd in artikel 1, tweede lid, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (MER-richtlijn), relevant is. In deze richtlijn wordt onder ‘project’ verstaan: - de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken; - andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake van een ‘plan of project’ als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.

23. Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van een plan of project dat ‘direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van de speciale beschermingszone’.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de aanleg van het verharde pad wordt gezien als onderdeel van het beoogde nieuwe beheer in de Eilandspolder, dat tot doel heeft om de duurzame instandhouding van de habitats en soorten te verzekeren en om de broed- en fourageermogelijkheden van de betrokken soorten te vergroten. Naar zijn mening houdt de verharding van het pad direct verband met en is deze nodig voor het beheer van de Eilandspolder, zodat niet hoeft te worden nagegaan of het project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor dit natuurgebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst verweerder naar het Polderplan Eilandspolder (hierna: het Polderplan).

24. Blijkens de toelichting op artikel 6 van de Habitatrichtlijn van de Europese Commissie, neergelegd in de nota “Beheer van “Natura 2000”-gebieden. De bepalingen van artikel 6 van de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG)” (hierna: de nota), komt uit de context en de bedoeling van artikel 6 duidelijk naar voren dat het begrip ‘beheer’, zoals opgenomen in de formulering “…dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer...”, geacht moet worden betrekking te hebben op het beheer met het oog op het behoud van een gebied, dit wil zeggen dat de term “beheer” moet worden gehanteerd in de zin waarin hij in artikel 6, eerste lid, wordt gebruikt.

Artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn voorziet in instandhoudingsmaatregelen. Het gaat dan om beheersplannen, die georiënteerd moeten zijn op de gebieden van het “Natura 2000”-netwerk of deel uitmaken van ruimtelijke-ordeningsplannen, en om wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen. De instandhoudingsmaatregelen moeten erop gericht zijn de algemene doelstelling van de Habitatrichtlijn te realiseren.

In de nota is verder vermeld dat de formulering “…dat niet direct verband houdt met of nodig is voor...” garandeert dat een niet op natuurbehoud gerichte component van een plan of project dat gedeeltelijk op beheer met het oog op natuurbehoud is gericht, in voorkomend geval toch beoordeeld dient te worden. Zo kan, aldus de nota, commerciële houtexploitatie een onderdeel vormen van een op instandhouding gericht beheersplan voor een bosgebied dat als SBZ-H/V werd aangewezen. Omdat het commerciële aspect geen integrerend onderdeel uitmaakt van het op instandhouding gericht beheer, kan het nodig zijn om het aan een beoordeling te onderwerpen.

25. Blijkens de stukken is het Polderplan het resultaat van het deelproject ‘Bedrijfsmaatwerk’, waaraan vertegenwoordigers van verschillende publiek- en privaatrechtelijke organisaties deelnemen, en vormt het een onderdeel van het project ‘Toekomst Eilandspolder’. Via deze projecten wordt ingezet op een duurzaam beheer en behoud van de Eilandspolder, waarbij een open veenweidegebied met weidevogeldoelstelling voorop staat. In het Polderplan is daartoe een voorstel voor een nieuwe verkaveling opgenomen, evenals een plan voor het beheer en een plan voor het waterpeil.

26. De rechtbank stelt vast dat in het Polderplan weliswaar centraal staat “het behouden en versterken van de natuurwaarden en met name de weidevogelpopulatie in de graslanden”, maar dat hierin niet wordt gerefereerd aan de Habitatrichtlijn. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat uit niets blijkt dat met het Polderplan is beoogd instandhoudingsmaatregelen in de zin van artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn vast te stellen, die nodig zijn voor het realiseren van het algemene doel van de Habitatrichtlijn als omschreven in artikel 2, eerste lid: het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.

Verder is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat het pad ten dienste staat van het agrarisch beheer van de percelen grond in de Eilandspolder die in gebruik zijn bij [pachter van de desbetreffende percelen]. Het bedrijf van [pachter van de desbetreffende percelen] is voor een efficiëntere bedrijfsvoering gebaat bij de aanleg van de verharding. Hierdoor wordt, zo heeft verweerder ter zitting bevestigd, een rendabeler manier van bedrijfsvoeren mogelijk. Geconcludeerd moet dus worden dat het verharde pad mede uit commercieel oogpunt is gerealiseerd.

Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op hetgeen de Europese Commissie in de nota over artikel 6 van de Habitatrichtlijn naar voren heeft gebracht met betrekking tot het begrip “ beheer” en ten aanzien van plannen en projecten die gedeeltelijk op beheer met het oog op natuurbehoud zijn gericht, in dit geval geen sprake van een plan of project dat ‘direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van de speciale beschermingszone’.

27. Een plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied moet worden beschouwd als een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor het betrokken gebied wanneer het de instandhoudingsdoelstellingen daarvan in gevaar dreigt te brengen. Bezien dient te worden blijkens eerdergenoemd arrest of verweerder op grond van objectieve gegevens kon uitsluiten dat het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor de speciale beschermingszone, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied.

28. Verweerder heeft bij de voorbereiding van het bestreden besluit evenwel in het geheel niet onderzocht dan wel op grond van objectieve gegevens uitgesloten dat het onderhavige plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor de speciale beschermingszones Eilandspolder en Eilandspolder Oost, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan. Van een onderzoek dat ten grondslag ligt aan de stelling van verweerder dat de natuurlijke waarden van de gronden aanvaardbaar worden aangetast, is evenmin gebleken. Verder is verweerder niet nagegaan wat de invloed is van het op de bodem brengen van BSA-granulaat op de speciale beschermingszones. Weliswaar is niet langer in geschil dat het toegepaste materiaal voldoet aan het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming, maar hiermee is niet per definitie gezegd dat toepassing van dit materiaal geen significante gevolgen kan hebben voor deze gebieden en dat de natuurwaarden hierdoor aanvaardbaar worden aangetast.

De rechtbank acht het bestreden besluit daarom in zoverre in strijd met de 3.11, vierde lid, van de planvoorschriften. Verder is het bestreden besluit ten aanzien van bovengenoemde punten in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten, en berust het in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van die wet niet op een deugdelijke motivering.

29. Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Ter voorlichting van eiseres merkt de rechtbank op dat de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het bestreden besluit niet betekent dat eiseres op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. Uit het voorafgaande blijkt dat de rechtbank een aantal beroepsgronden ondubbelzinning heeft verworpen. Indien eiseres zich niet kan verenigen met de verwerping van deze beroepsgronden en wil voorkomen dat dit oordeel van de rechtbank in rechte komt vast te staan, zal zij, ondanks de gegrondverklaring van het beroep, tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep moeten instellen. Dat is ook het geval indien verweerder hoger beroep instelt.

30. Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten heeft de rechtbank, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op € 1.207,50 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hierbij heeft de rechtbank zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt en voor het verschijnen op de nadere zitting 0,5 punt toegekend. De rechtbank heeft het gewicht van de zaak aangemerkt als zwaar.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van

hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast de gemeente Schermer aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 281,00 te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 1.207,50;

- wijst de gemeente Schermer aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te

vergoeden;

- bepaalt dat de proceskosten moeten worden voldaan aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan op 20 november 2007 door mr. drs. W.P. van der Haak, voorzitter, mr. drs. C.M. van Wechem en mr. M.A.J. Berkers, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.