Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB8517

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
22-11-2007
Zaaknummer
14-810290-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot diefstal uit een bestelauto en

huiselijk geweld. De officier van justitie heeft de oplegging van de ISD-maatregel gevorderd. Rechtbank wijst vordering

af wegens het ontbreken van een schriftelijk daartoe strekkend advies van deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Locatie Alkmaar

Parketnummer : 14/810290-07

Datum uitspraak : 30 oktober 2007

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1975],

thans gedetineerd in P.I. Amsterdam, HvB Het Schouw te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 oktober 2007 waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten hebben kenbaar gemaakt.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 juni 2007 te Zwaag, gemeente Hoorn, op/aan de Dorpsstraat, in elk geval op/aan de openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfsauto (merk Volkswagen, kenteken 77-VR-GS) weg te nemen geld en/of goederen van zijn, verdachtes, gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die bedrijfsauto te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

naar die bedrijfsauto is toegegaan en/of de (rechter) portierruit van die

bedrijfsauto heeft ingeslagen, in elk geval vernield,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

- verdachte zich (meermalen) heeft losgerukt en/of losgetrokken, terwijl die [slachtoffer 2] hem, verdachte, vast had, en/of

- verdachte (een) zwaaiende beweging(en) met zijn arm(en) heeft gemaakt, terwijl die [slachtoffer 2] die arm(en) vasthad, en/of

- verdachte zijn arm, met kracht, over de arm van die [slachtoffer 2] (met welke arm die [slachtoffer 2] hem, verdachte, vasthield) heeft gedraaid, en/of

- verdachte, met kracht, zijn fiets (uit de handen van die [slachtoffer 2]) heeft losgerukt en/of getrokken, terwijl die [slachtoffer 2] die fiets vast had;

2.

hij op of omstreeks 12 juni 2007 te Zwaag, gemeente Hoorn, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"als je nog eens terugkomt dan vermoord ik je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VOORVRAGEN

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van de zaak, het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging en er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

3. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat beide feiten bewezen kunnen worden verklaard.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde baseert zij zich op

- de aangifte van [slachtoffer 1]( );

- de verklaring afgelegd door de getuige [slachtoffer 2]( );

- de verklaring afgelegd door de getuige [slachtoffer 2] na spiegelconfrontatie( ).

- een proces-verbaal van bevindingen, nummer PL10HR/07-196221, gedateerd 25 juni 2007, pagina 07/08.

- een proces-verbaal van bevindingen, nummer PL10HR/07-196221, gedateerd 29 juni 2007, pagina 09.

- de ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring dat “zijn moeder zo’n fiets heeft met een nylon fietstasje”.

- de ter terechtzitting afgelegde ontkennende verklaring van verdachte welke als leugenachtig moet worden beschouwd nu deze verklaring kennelijk dient om de waarheid te bemantelen.

- de verklaring afgelegd door de getuige [slachtoffer 2] betreffende het geweld: dat verdachte met kracht de getuige [slachtoffer 2] heeft gedwongen verdachtes jas los te laten en met kracht de fiets waarmee verdachte naar de plaats van het misdrijf was gekomen en welke door de door getuige [slachtoffer 2] was vastgegrepen, uit diens handen los te trekken

Ten aan van het onder 2 ten laste gelegde baseert zij zich op

- de aangifte van [slachtoffer 3]( );

- de verklaring van [getuige 1]( );

- de ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman is van mening dat verdachte van beide feiten dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. Ook al zou moeten worden aangenomen dat verdachte door de getuige [slachtoffer 2] bij de auto is aangetroffen, dan nog bestaat de mogelijkheid dat het feit door een ander is begaan die zich snel van de plaats van het delict heeft verwijderd. De getuige heeft, tussen het moment, waarop hij een knal hoorde en uit het raam keek en het moment, waarop hij bij de auto aankwam, niet voortdurend het zicht op die auto gehad. De werkelijke dader kon toen al zijn weggelopen.

Er heeft geen bedreiging met geweld plaatsgevonden. Volgens de jurisprudentie met betrekking tot artikel 81 Sr is aanwending van fysieke kracht van een zekere hevigheid gericht tegen personen nodig, wil er sprake zijn van “geweld”. De door verdachte tegen [slachtoffer 2] aangewende kracht was van een zodanige geringe intensiteit, dat dit geen geweld oplevert als bedoeld in artikel 81 voornoemd. Bovendien berust de waarneming dat er geweld zou zijn gebezigd, uitsluitend op de verklaring van getuige [slachtoffer 2].

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte ontkent dit feit te hebben begaan.

Het oordeel van de rechtbank:

Ten aanzien van feit 1.

[slachtoffer 1] heeft op 24 juni 2007 bij de politie aangifte van inbraak gedaan ( ) en verklaard dat tussen zaterdag 23 juni 2007 te 11.00 uur en zondag 24 juni 2007 te 05.00 uur te Zwaag ter hoogte van Dorpsstraat 117 het ruit van het rechter voorportier van zijn bedrijfsauto, merk Volkswagen, type Bestel, is vernield. Uit de auto zijn volgens aangever geen goederen weggenomen.

[slachtoffer 2], wonende Dorpsstraat 117 te Zwaag, is als getuige gehoord ( ) en heeft het volgende verklaard. Op zondag 24 juni 2007, omstreeks 04.25 uur, werd hij wakker van een auto, die stopte in de straat. Hij keek door het slaapkamerraam uit op de Dorpsstraat te Zwaag en op de parkeerplaats van de Kerkelaan. Vervolgens hoorde hij een knal. Aan het geluid herkende hij dat er een autoruit werd stukgeslagen. Op de parkeerplaats zag hij een fiets staan tegen de voorzijde van een rode Opel Astra. Voor deze auto stond een blauw VW-busje. Door de autoruiten van deze bus zag hij een schim tussen beide auto’s bewegen. Omdat het omstreeks 04.30 uur al licht aan het worden was, kon hij goed waarnemen wat er gebeurde. Hij is direct naar buiten gerend en een tiental seconden later was hij bij de rode Opel Astra. Aan de rechterzijde van de VW bus zag hij een negroïde persoon staan bij een ingeslagen portierruit. Op zijn vraag: “Wat doe jij nou. Ben jij aan het inbreken?”, zei deze persoon: “Ik hoorde wat en ben gaan kijken, ik zag iemand wegrijden op een fiets, die heeft dat gedaan”. Ondertussen had de man de fiets gepakt. Het betrof een damesfiets met een klein nylon tasje aan het stuur. 4 à 5 keer heeft hij, getuige [slachtoffer 2], de man bij zijn jas vastgepakt, maar telkens wist de man zich met een zwaai van zijn arm weer los te krijgen. Ook draaide de man een aantal keren met kracht zijn arm over die van hem heen, waardoor hij zijn jas moest loslaten. Vervolgens heeft hij de fiets van de man vastgepakt, waarna deze de fiets weer met kracht los trok. Hij heeft het stuur van de fiets vastgepakt. De man heeft de fiets met kracht uit zijn handen losgetrokken. Vervolgens is de man weggereden.

De politie heeft de getuige [slachtoffer 2] via de spiegel geconfronteerd met de verdachte ( ). De getuige heeft bij die gelegenheid verklaard dat hij verdachte herkende als de man die hij aantrof tussen de geparkeerde auto’s op de Kerkelaan.

De getuige heeft daarbij voorts verklaard dat hij vanuit zijn slaapkamerraam alleen de negroïde man tussen de geparkeerde auto’s zag staan, dat hij direct naar de desbetreffende plaats is gelopen en dat de man nog steeds tussen de geparkeerde auto’s stond op het moment dat hij ter plaatse aankwam. De getuige heeft aangegeven dat hij al uit het slaapkamerraam keek toen hij de knal op straat hoorde en dat hij er meteen naar toe is gegaan.

De verklaring van de getuige [slachtoffer 2] vindt steun in de bevindingen van de verbalisanten Staal en Kuiper.

Verbalisant Staal heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen ( ) weergegeven dat verbalisant Huisman en hij op 24 juni 2007, omstreeks 04.30 uur een melding ontvingen, inhoudende: “Op de Dorpsstraat in Zwaag, op de parkeerplaats ter hoogte van 117 vindt nu een inbraak auto plaats. Dader is een neger op een fiets”. Verbalisant Staal verklaart dat hij een persoon heeft zien fietsen op de Koewijzend, welke persoon van hem af fietste. Hij is naast de fietser gaan rijden en zag dat de fietser de hem bekende veelpleger [verdachte] was. Hij zag dat [verdachte] niet stopte en heel hard fietste.

Verbalisant Kuiper heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen ( ) vermeld dat de getuige [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de dader reed op een damesfiets met handremmen en dat aan het stuur van deze fiets een nylon fietstasje hing. Verbalisant Kuiper merkt op dat het hem bekend is dat [verdachte] op een blauwe damessportfiets rijdt, voorzien van handremmen, en dat aan het stuur van deze fiets een zwart nylon tasje hangt. De fiets is volgens verbalisant eigendom van [getuige 1], de moeder van [verdachte].

De rechtbank acht de verklaring van de getuige [slachtoffer 2] zonder meer geloofwaardig en bruikbaar voor het bewijs. Hetgeen de getuige heeft verklaard met betrekking tot de persoon van de dader komt immers overeen met de bevindingen van de verbalisanten Staal en Kuiper, zoals hiervoor weergegeven.

Het door de verdediging opgeworpen verweer, inhoudende dat de mogelijkheid bestaat dat het feit is gepleegd door een ander dan verdachte – wellicht heeft de verdediging aldus een beroep willen doen op niet hoogst onwaarschijnlijke feiten en/of omstandigheden die met de inhoud van de door de rechter gebezigde bewijsmiddelen niet in strijd zijn, maar die, indien juist, onverenigbaar zijn met een bewezenverklaring (Meer en Vaart-verweer) – wordt door de rechtbank verworpen. Het verweer verdraagt zich immers niet met hetgeen verdachte bij de politie en ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, te weten dat hij ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit in zijn bed lag en dus in het geheel niet op de plaats van het delict aanwezig was.

Overigens moet de door de verdediging geopperde mogelijkheid ook als hoogst onwaarschijnlijk worden aangemerkt, gelet op het korte tijdsverloop tussen de 1ste en de 2de waarneming van de getuige [slachtoffer 2].

Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.

Ten aanzien van feit 2.

Door [slachtoffer 3] is op 26 juni 2007 aangifte( ) gedaan van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, gepleegd op 12 juni 2007 te Blokker in de woning Brouwhuis 20. De aangever heeft onder meer het volgende verklaard:

“Ik doe aangifte van bedreiging met de dood. Ik ben al 12 jaar bevriend met [getuige 1], de moeder van [verdachte]. Doordat [verdachte] verslaafd is aan harddrugs heeft hij veel geld nodig. Op 12 juni 2007 was [verdachte] de hele avond bezig met het “vragen” om geld. [getuige 1] en ik wilden hem geen geld geven. [verdachte] kwam voor mij staan en zei dat hij 3 euro wilde hebben, Vervolgens wilde hij 10 euro hebben. [verdachte] schreeuwde naar mij “Als je nog eens terugkomt dan vermoord ik je“.

Door de moeder van verdachte, [getuige 1] is onder meer het volgende verklaard( ):

“Ik sluit me geheel aan bij de aangifte van [slachtoffer 3]. Op 12 juni 2007 was [verdachte] weer heel dwingerig geld aan mij aan het vragen. Toen ik dat niet wilde geven begon hij tegen [slachtoffer 3] te schreeuwen. Hij wilde geld van [slachtoffer 3] hebben. [slachtoffer 3] wilde hem ook geen geld geven. Ik hoorde dat [verdachte] schreeuwde tegen [slachtoffer 3] “Als je nog eens terugkomt dan vermoord ik je”.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard:

Ik heb [slachtoffer 3] om 5 euro gevraagd om sigaretten te kunnen kopen. Ik kreeg dat niet.

Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft ontkend aangever [slachtoffer 3] te hebben bedreigd, is de rechtbank op grond van de verklaringen van aangever en de moeder van verdachte tot de overtuiging gekomen dat verdachte ook het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De rechtbank acht ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

4. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1.

hij op of omstreeks 24 juni 2007 te Zwaag, gemeente Hoorn, op/aan de Dorpsstraat, in elk geval op/aan de openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfsauto (merk Volkswagen, kenteken 77-VR-GS) weg te nemen geld en/of goederen van zijn, verdachtes, gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die bedrijfsauto te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

naar die bedrijfsauto is toegegaan en/of de (rechter) portierruit van die

bedrijfsauto heeft ingeslagen, in elk geval vernield,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

- verdachte zich (meermalen) heeft losgerukt en/of losgetrokken, terwijl die [slachtoffer 2] hem, verdachte, vast had, en/of

- verdachte (een) zwaaiende beweging(en) met zijn arm(en) heeft gemaakt, terwijl die [slachtoffer 2] die arm(en) vasthad, en/of

- verdachte zijn arm, met kracht, over de arm van die [slachtoffer 2] (met welke arm die [slachtoffer 2] hem, verdachte, vasthield) heeft gedraaid, en/of

- verdachte, met kracht, zijn fiets (uit de handen van die [slachtoffer 2]) heeft losgerukt en/of getrokken, terwijl die [slachtoffer 2] die fiets vast had;

2.

hij op of omstreeks 12 juni 2007 te Zwaag, gemeente Hoorn, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"als je nog eens terugkomt dan vermoord ik je"., althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1.

Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Ten aanzien van feit 2.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

6. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. DE STRAFFEN EN/OF MAATREGELEN.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 16 oktober 2007 gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde een maatregel wordt opgelegd inhoudende dat verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wordt geplaatst voor de duur van twee jaren.

De officier van justitie heeft haar standpunt als volgt toegelicht.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 4 juli 2007 blijkt dat verdachte valt in de categorie stelselmatige daders en overlastveroorzakende veelplegers. Verdachte voldoet aan de criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel. De veiligheid van personen en goederen eist oplegging van de maatregel. Op grond van het schrijven van de Brijder Verslavingszorg, gedateerd 12 oktober 2007, met als onderwerp Retourzending verzoek voorlichtingsrapport, dient verdachte te worden aangemerkt als iemand die weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het in artikel 38m, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde advies moet worden verricht. De officier van justitie acht behandeling in een vrijwillig kader geen reële mogelijkheid. Bij vonnis van de Rechtbank te Amsterdam d.d. 29 december 2005 werd aan verdachte de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders reeds in voorwaardelijke vorm opgelegd.

Ook binnen de ISD-maatregel is er, zo heeft de officier van justitie betoogd, behandeling mogelijk voor mensen met een psychiatrische problematiek.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft het volgende naar voren gebracht. Hoewel verdachte geen contact wenst met de Brijder Verslavingszorg – verdachte stelt niet verslaafd te zijn – heeft hij wel regelmatig contact heeft met mevrouw C.J.M. de Boer- van der Lee, casemanager langdurige zorg bij het GGZ-centrum Westfriesland.

Mevrouw de Boer – van der Lee heeft een brief geschreven over verdachte, welke brief door de verdediging aan de rechtbank en de officier van justitie is toegezonden. Aan de officier van justitie is verzocht de brief ook aan de reclassering te doen toekomen. Er lijkt evenwel geen overleg te hebben plaatsgevonden tussen enerzijds de GGZ en anderzijds de Brijder Verslavingszorg.

Er is sprake van psychische beperkingen en een persoonlijkheidsproblematiek die behandeling behoeft. Opname in resocialisatiekliniek Waterlandlaan te Purmerend zou voor verdachte de beste oplossing zijn. Verdachte komt in aanmerking voor een intake, maar een opname in de kliniek kan niet worden opgelegd als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke gevangenisstraf zolang niet vaststaat dat daadwerkelijk een opname zal plaatsvinden.

De ISD-maatregel is vooral bedoeld voor verslaafde veelplegers. Verdachte lijdt echter aan paranoïde schizofrenie en is chronisch verward. Hij hoort niet in de ISD, maar behoeft specialistische zorg.

De heer Kaatman, medewerker van de Brijder Verslavingszorg, heeft geen contact gehad met verdachte en niet duidelijk is geworden wat verdachte ertoe heeft bewogen niet aan het onderzoek mee te werken. Verdachte aanmerken als een weigerachtige observandus is onder deze omstandigheden een te vergaande conclusie.

De overwegingen van de rechtbank.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving en met de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en met de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een poging gedaan tot inbraak in een geparkeerde bedrijfsauto. Toen een getuige wilde verhinderen dat verdachte zich van de plaats van het misdrijf zou verwijderen, heeft hij tegen die persoon geweld gebruikt.

Daarnaast heeft verdachte in huiselijk kring een vriend van zijn moeder bedreigd met een misdrijf tegen het leven. Een dergelijke mate van geweld tegen goederen en personen

kan gevoelens van onveiligheid aanwakkeren. Slachtoffers kunnen daarvan nog lange tijd negatieve gevolgen ondervinden. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan ernstige feiten.

Uit het 24 bladzijden tellende uittreksel uit de Justitiële documentatie d.d. 4 juli 2007 blijkt dat verdachte sinds 1995 wegens het plegen van al dan niet gekwalificeerde diefstallen stelselmatig met politie en justitie in aanraking is gekomen. Ook blijkt hieruit dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten, ten minste driemaal vanwege een misdrijf onherroepelijk tot een gevangenisstraf is veroordeeld.

Bij de stukken bevinden zich stukken van het GGZ-centrum Westfriesland gedateerd 19 juli 2007 en 12 oktober 2007. In deze stukken is sprake van het zoeken naar een mogelijkheid tot behandeling van verdachte binnen het GGZ-circuit, op vrijwillige basis.

Naar het oordeel van de rechtbank is aan de formele vereisten van artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voldaan.

Immers, de verdachte heeft misdrijven begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten; de verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf tot een onherroepelijke vrijheidsbenemende straf veroordeeld, de feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen en er moet voorts ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Op zichzelf is het ook juist, dat de veiligheid van goederen het opleggen van de maatregel zou kunnen rechtvaardigen.

De rechtbank zal de gevorderde maatregel evenwel niet opleggen.

Daartoe overweegt de rechtbank dat de maatregel volgens de bedoeling van de wetgever moet worden beschouwd als een uiterst middel waartoe slechts kan worden besloten nadat de rechter zich een goed beeld heeft gevormd omtrent de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij zijn met name van belang de levensstijl, de achtergrondproblematiek en bijzondere gedragskenmerken van de betrokkene, bezien tegen de achtergrond van eerder gedane pogingen om hulp te verlenen, dan wel omstandigheden die het aanbieden van hulp in het verleden hebben gefrustreerd. Immers, deze factoren zijn bij de persoonsgerichte aanpak (waar de oplegging van de maatregel ISD deel van uitmaakt) van belang voor een goede beoordeling van de zaak. Een en ander ligt ook in het verlengde van het bepaalde in artikel 38m, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

In het dossier van verdachte bevinden zich, naast het omvangrijke strafblad, een voorlichtingsrapport van R. Kaatman, Casemanager GAVO van de Brijder Verslavingszorg, van 12 oktober 2007. In dit rapport wordt aangegeven dat het niet mogelijk is om te rapporteren omdat verdachte niet wenst mee te werken.

De rechtbank heeft zich op basis hiervan en het verhandelde ter zitting geen volkomen beeld kunnen vormen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voor een persoonsgebonden aanpak zijn geen aanknopingspunten gevonden in het dossier. Derhalve kan de rechtbank zich geen oordeel vormen over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel, zoals bedoeld in artikel 38m, vierde en vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Bij deze stand van zaken, daarbij de zwaarte van de maatregel in ogenschouw nemende, dient de vordering tot oplegging van de ISD-maatregel naar het oordeel van de rechtbank te worden afgewezen.

Op grond van de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd acht de rechtbank – nu behandeling van verdachte in een strafrechtelijk kader door het ontbreken van een concreet behandelplan geen optie is - het opleggen van een vrijheidsstraf een passende strafrechtelijke sanctie.

Als uitgangspunt voor de hoogte van de straf zoekt de rechtbank aansluiting bij de eerder voor soortgelijke feiten aan verdachte opgelegde gevangenisstraffen.

Op 17 april 2007 is verdachte door deze rechtbank voor soortgelijke als de bewezen verklaarde feiten veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

Op 29 december 2005 is verdachte door de rechtbank Amsterdam voor soortgelijke feiten veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en oplegging van de maatregel Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders in voorwaardelijke vorm. Bovendien werd bij genoemd vonnis de tenuitvoerlegging bevolen van een eerder aan verdachte terzake diefstal opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.

De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) maanden recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten.

In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank geen reden om een lagere straf op te leggen. De door de verdediging genoemde behandeling en/of begeleiding van verdachte door de GGZ kan eventueel aansluitend aan de detentie plaatsvinden.

8. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 285 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van acht (8) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.O.P. Roché, voorzitter,

mr. S.M. Jongkind-Jonker en mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 oktober 2007.

Mr. Roché is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.