Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB7340

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
16-08-2007
Datum publicatie
07-11-2007
Zaaknummer
239760 EJ VERZ 07-577
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemer verzoekt ontbinding arbeidsovereenkomst. Werkgeefster voert aan dat bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd de overeenkomst reeds is beeindigd. Kantonrechter doet hierover geen uitspraak maar behandelt het verzoek als een voorwaardelijk verzoek. Ontoereikende pensioenregeling geen reden voor ontslagvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2008, 19

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Den Helder

Zaaknr/repnr.: 239760-07-577 WG

Uitspraakdatum: 16 augustus 2007

Beschikking in de zaak van:

[verzoeker] te Den Helder

verzoekende partij

verder ook te noemen: [werknemer]

[toev. aangevraagd]

gemachtigde: mr. N.A.M. Oor, advocaat te Den Helder

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [verweerder] te Den Helder

verwerende partij

verder ook te noemen: [werkgeefster]

gemachtigde: mr. W. Hovingh, advocaat te Alkmaar.

Het procesverloop

[werknemer] heeft op 15 mei 2007 een verzoekschrift ingediend.

Daar heeft [werkgeefster] bij verweerschrift op gereageerd.

De mondelinge behandeling heeft in deze plaatsgevonden op 2 augustus 2007, alwaar zijn verschenen [werknemer] en [werkgeefster]; partijen werden bijgestaan door hun gemachtigden.

Ter zitting hebben partijen hun verzoek- respectievelijk verweerschrift nader toegelicht; mr. Oor aan de hand van pleitnotities en producties.

De inhoud van deze processtukken geldt als hier ingelast.

Vervolgens is heden uitspraak bepaald.

De uitgangspunten

1. [werknemer] (geboren [in] 1942) is op 23 februari 1978 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst getreden van [werkgeefster] als vlieginstructeur tegen een (laatstelijk) bruto slaris van € 2.476,85, per maand, ex vakantietoeslag en aanvullende dertiende maand.

Met ingang van 1 januari 2005 is een pensioenregeling overeengekomen tussen [werknemer] en een verzekeraar, De Goudse Levensverzekeringen N.V., waarvoor de premie door [werkgeefster] is (of dient te worden) betaald.

2. Bij brief van 15 januari 2007 heeft [werkgeefster] (onder meer) aan [werknemer] meegedeeld dat het dienstverband als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd met ingang van 1 februari 2007 wordt beëindigd. Vanaf die datum verricht [werknemer] geen werkzaamheden meer voor [werkgeefster]. Per 1 augustus 2006 heeft hij zich als zelfstandig ondernemer gevestigd onder de naam [X]. Tussen partijen is voorafgaande aan de ontslagaanzegging wel overleg geweest over voortzetting van zijn werkzaamheden op andere basis dan krachtens arbeidsovereenkomst, maar dat heeft niet tot samenwerking geleid.

Het geschil

3. [werknemer] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werkgeefster] te ontbinden wegens gewichtige redenen, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden, kosten rechtens.

[werknemer] stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd en dus nog voortduurt. Hij mocht ervan uitgaan dat hij tot zijn 70e in dienst zou blijven. Omdat [werkgeefster] hem evenwel niet meer toe laat tot werkzaamheden en vasthoudt aan haar standpunt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd en geen andere samenwerking tussen partijen tot stand is gekomen, acht hij de verhoudingen dermate verstoord dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de rede ligt. Hij acht daarbij een vergoeding van € 133.746,00 billijk, gelet op zijn lange en goede staat van dienst en ontbreken van een adequate pensioenvoorziening.

4. [werkgeefster] handhaaft haar stelling dat de arbeidsovereenkomst reeds is geëindigd, zodat [werknemer] niet ontvankelijk is in zijn verzoek. Subsidiair stelt zij geen bezwaar te hebben tegen ontbinding, maar zij verzet zich tegen toekenning van enige vergoeding.

De beoordeling

5. De kantonrechter overweegt in de eerste plaats dat gebleken is dat het onderhavige ontbindingsverzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 7:647, 7:648, 7:670 en 7:670a van het Burgerlijk Wetboek [BW] of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

6. De kantonrechter stelt voorop dat hij in deze procedure geen bindende uitspraak kan doen over de vraag die partijen verdeeld houdt, namelijk of de arbeidsovereenkomst op enig moment voorafgaande aan de indiening van het verzoekschrift reeds is geëindigd, aldus vaste rechtspraak van de Hoge Raad (bijvoorbeeld HR 16 april 1999, JAR 1999/104). Gelet hierop zal de kantonrechter het verzoek dan ook in voorwaardelijke zin opvatten, welke mogelijkheid de Hoge Raad uitdrukkelijk mogelijk heeft geacht (HR 18 december 1987, NJ 1988,351). Aldus behoeft de kantonrechter zich niet uit te spreken over de ontvankelijkheid van het verzoek, hetgeen immers toch weer een (uiteindelijk niet bindend) oordeel zou inhouden over het al dan niet bestaan van de arbeidsovereenkomst.

7. Er aldus veronderstellenderwijs van uitgaande dat deze niet is geëindigd door wederzijds goedvinden (instemming van [werknemer] met beëindiging van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2007), kan worden vastgesteld dat beide partijen thans in ieder geval het dienstverband wensen te beëindigen, zodat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per heden zal ontbinden. Ontbinding met terugwerkende kracht, zoals door [werknemer] verzocht is niet mogelijk.

8. Termen voor toekenning van enige vergoeding ten gunste van [werknemer] acht de kantonrechter niet aanwezig. Het is alleszins gebruikelijk dat werknemers bij het bereiken van de AOW gerechtigde leeftijd stoppen met werken. Voor een ontslagvergoeding is dan in het algemeen geen reden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Die zijn in dit geval echter niet gebleken. Zo heeft [werknemer] geenszins aannemelijk gemaakt dat het de bedoeling van partijen is geweest om de arbeidsovereenkomst tot zijn 70e jaar te laten voortduren. Weliswaar staat op een door [werknemer] overgelegd afschrift van de pensioenpolis als einddatum 1 februari 2012 vermeld, maar hij heeft niet (voldoende) betwist dat het hier om een vergissing gaat, die voortvloeide uit het feit dat de verzekeraar van zijn onjuiste geboortedatum is uitgegaan, namelijk 28 februari 1947 (hetgeen ook uit die polis blijkt) in plaats van 28 februari 1942. Uit het door [werkgeefster] overgelegde gewijzigde polisblad, waarin de juiste geboortedatum is vermeld, blijkt dat de verzekering loopt tot 28 februari 2007, het moment waarop hij 65 jaar is geworden. Het gewijzigde polisblad is op 19 juni 2006 aan [werknemer] door de verzekeraar toegezonden en gesteld noch gebleken is dat hij het met de inhoud daarvan niet eens was. Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat partijen hebben beoogd om de pensioenuitkering te laten ingaan na en in aansluiting op het beëindigen van hun arbeidsverhouding, hetgeen ook gebruikelijk is. Dat zulks inderdaad per 1 februari 2007 zou geschieden vindt steun in de brief van [werknemer] zelf aan het Ministerie van Verkeer & Waterstaat van 18 januari 2007, waarin hij meedeelt per die datum zijn werkzaamheden te beëindigen en zijn erkenning als vlieginstructeur te retourneren. Dat het hier om een tijdelijke zaak zou gaan zoals hij ter zitting heeft verklaard acht de kantonrechter, gelet op de stellige inhoud van zijn brief en de overige omstandigheden van het geval, volstrekt ongeloofwaardig.

9. Ook de omstandigheid dat [werknemer] een ontoereikende pensioenregeling heeft vormt geen reden voor een vergoeding. [werkgeefster] is noch krachtens de arbeidsovereenkomst noch krachtens enige wettelijke verplichting gehouden om op haar kosten een voor [werknemer] gunstiger pensioenovereenkomst te sluiten dan zij heeft gedaan; [werknemer] is in beginsel verantwoordelijk voor zijn eigen pensioenvoorziening en het nalaten om daarvoor (tijdig) te zorgen komt voor zijn eigen risico.

10. Dat [werknemer], ten slotte, door de gehele gang van zaken immateriële schade zou hebben geleden is evenmin op enige manier hard gemaakt.

11. Gelet op de uitslag van deze procedure, waarin [werknemer] in overwegende mate (namelijk met betrekking tot het punt van de door hem gewenste ontbindingsvergoeding) in het ongelijk is gesteld, acht de kantonrechter termen aanwezig om [werknemer] in de kosten daarvan te veroordelen.

De beslissing

De kantonrechter:

Ontbindt de arbeidsovereenkomst voor zover aangenomen moet worden dat deze nog bestaat, per heden (16 augustus 2007).

Veroordeelt [werknemer] in de proceskosten, die aan de zijde van [werkgeefster] worden vastgesteld op € 400,-- voor salaris gemachtigde, waarover [werknemer] geen BTW verschuldigd is.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.C. Schlingemann, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 16 augustus 2007 in het openbaar uitgesproken.