Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB7337

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
07-11-2007
Zaaknummer
229287 - EJ VERZ 07-12
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijkend huurbeding art. 7:291 BW. De verlening van het huurcontract met een jaar leidt niet tot een wezenlijke verandering in de contracturele verhouding tussen partijen. Dat huurder niet op grond van de bijzondere voorwaarden geen aanspraak kan maken op de rechten die hij aan titel 4, afdeling 6 boek 7 BW ontleent betekent in dit geval geen wezenlijke aantasting van zijn rechten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 291
Burgerlijk Wetboek Boek 7 301
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2008/83
WR 2008, 36

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Hoorn

Zaaknr/repnr.: 229287 \ EJ VERZ 07-12

Uitspraakdatum: 25 september 2007

Beschikking op een verzoek ex art. 7:291 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BP Nederland B.V. statutair gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te [adres]

verzoekende partij sub 1

verder ook te noemen: BP

gemachtigde: mr. B. Rol, advocaat te Amsterdam

-en-

[naam] wonende te [adres]

verzoekende partij sub 2

verder ook te noemen: [huurder]

gemachtigde: mr. J.H.J. Rijntjes, advocaat te Rotterdam.

Het procesverloop

1. Bij schrijven van 28 december 2006 hebben partijen een gezamenlijk verzoek ingediend ertoe strekkend dat goedkeuring zal worden verleend aan bedingen als bedoeld in artikel 7:291 BW juncto 7:301 BW in de tussen partijen gesloten exploitatieovereenkomst met bijzondere voorwaarden d.d. 15 februari 2005 in samenhang met de aanvulling bijzondere voorwaarden Bij schrijven van 28 december 2006 hebben partijen een gezamenlijk d.d. 13 december 2006.

2. Op 28 augustus 2007 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter gelegenheid waarvan namens [huurder] verweer is gevoerd tegen het onderhavige verzoekschrift.

3. De zaak is vervolgens aangehouden ten einde partijen in de gelegenheid te stellen om de zaak onderling te regelen.

4. Bij schrijven van 11 september 2007 is aan de kantonrechter een beschikking verzocht.

5. De inhoud van de processtukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

6. Tenslotte is heden uitspraak bepaald.

De beoordeling van het geschil

7. De kantonrechter stelt voorop dat het onderhavige verzoek om goedkeuring aanvankelijk bij schrijven van 28 december 2006 is ingediend als een gezamenlijk verzoek van partijen. Gelet op hetgeen namens [huurder] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren is gebracht dient een en ander evenwel inmiddels te worden beschouwd als een eenzijdig verzoek van BP.

8. BP verzoekt thans primair goedkeuring van de overeengekomen verlenging van de duur van de exploitatie zoals omschreven in de bepalingen onder 16.1 en 16.2 van de exploitatieovereenkomst die op 15 februari 2005 door beide partijen voor akkoord is ondertekend in samenhang met artikel 4 van de aanvulling bijzondere Voorwaarden d.d. 13 december 2006. Deze bepalingen luiden als volgt.

"16. Aanvang/duur

16.1 Aanvang. Na de wederzijdse ondertekening van deze akte vangt de exploitatie van het station aan op de in de Bijzondere Voorwaarden te vermelden datum dan wel, bij gebreke daarvan, op een nog nader bij aangetekende brief tussen partijen vast te leggen datum; de desbetreffende brief wordt dan geacht van deze overeenkomst deel uit te maken. Voorzover het station bij de ondertekening nog wordt geëxploiteerd door een derde, zal deze overeenkomst eerst worden ten uitvoergelegd wanneer BP de vrije beschikking over het station zal hebben verkregen.

16.2 Periode. De overeenkomst is aangegaan voor de periode vermeld in de Bijzondere Voorwaarden. Na ommekomst van de vorenbedoelde periode eindigen overeenkomst en exploitatie automatisch, zonder dat enige opzegging nodig is.

4. Aanvang/duur; art. 16

(1) Aanvang

Exploitant's exploitatie van het station is aangevangen per 1 maart 2005. De exploitatie op basis van de voorwaarden zoals omschreven in deze aanvulling bijzondere voorwaarden neemt een aanvang per 1 januari 2007.

(2) Einde der exploitatie

De overeenkomst eindigt uiterlijk per 31 december 2007, zonder dat voorafgaande opzegging vereist zal zijn. Op laatstgenoemde datum zal exploitant prompt zorg dragen voor ontruiming van het station ten genoegen van BP, zonder dat BP tot enige vergoeding jegens exploitant gehouden zal zijn. "

9. Subsidiair verzoekt BP - mocht het primair gedane verzoek worden afgewezen - op de voet van artikel 7:301 lid 4 BW vaststelling van het ontruimingstijdstip.

10. Vast staat dat partijen op 15 februari 2005 een exploitatie-overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot een tankstation gelegen te Hoorn [aan adres] ingaande 1 maart 2005 en eindigend uiterlijk 22 maanden later op 31 december 2006. Het betreft hier een kortdurende overeenkomst als bedoeld in artikel 7:301 lid 1 BW waarop het huurregime van de artikelen 7:291-300 BW niet van toepassing is. De overeenkomst geldt derhalve niet van rechtswege voor vijf jaar en partijen zijn niet gebonden aan de wettelijke regeling inzake de beëindiging van de overeenkomst.

11. Artikel 7:301 lid 2 BW bepaalt dat indien het gebruik, aangevangen krachtens een overeenkomst als bedoeld in lid 1, langer dan twee jaar heeft geduurd, van rechtswege een overeenkomst op de tussen partijen overeengekomen voorwaarden geldt, doch voor vijf jaar, waarop de reeds verstreken twee jaar in mindering komen. De artikelen van 291 tot en met 300 zijn op deze overeenkomst van toepassing. Ingevolge artikel 301 lid 3 BW treedt het in lid 2 bedoelde rechtsgevolg niet in, indien partijen voor het verstrijken van de termijn van twee jaar een andere overeenkomst sluiten die onder artikel 292 lid 1 valt, dan wel een daarvan afwijkende overeenkomst, mits de in artikel 291 bedoelde goedkeuring is verzocht voor het verstrijken van de termijn van twee jaar.

12. Vast staat dat partijen op 13 december 2006 - onder meer en in het bijzonder hier van belang - zijn overeengekomen om de aanvangsduur van de overeenkomst (22 maanden) met één jaar te verlengen. Van dit ten nadele van de huurder afwijkend beding is bij schrijven van 28 december 2006 - derhalve binnen de in artikel 7:301 lid 3 BW genoemde termijn - goedkeuring verzocht.

13. Namens [huurder] is gesteld dat het thans om een geheel nieuw verzoek gaat omdat de grondslag van het verzoekschrift hangende deze procedure is veranderd en gewijzigd. Het thans ter beoordeling liggende eenzijdige verzoekschrift staat naar de mening van [huurder] dan ook los van het aanvankelijk ingediende gezamenlijke verzoekschrift van partijen. De kantonrechter kan [huurder] hierin evenwel onder verwijzing naar artikel 283 RV niet volgen. Dat het thans nog slechts om een eenzijdig verzoek gaat en niet meer om een gezamenlijk verzoek maakt dit naar het oordeel van de kantonrechter niet anders. Naar het oordeel van de kantonrechter stond het BP in deze procedure vrij om het aanvankelijk gezamenlijk ingediende verzoekschrift - nadat [huurder] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling kenbaar had gemaakt zich daarin niet meer te kunnen vinden - op eigen titel te handhaven. Ook ingevolge artikel 7:291 lid 3 BW kan ieder der partijen immers om goedkeuring verzoeken. Gelet op het vorenstaande ziet de kantonrechter dan ook onvoldoende reden om te oordelen dat BP niet zou hebben voldaan aan het in artikel 7:301 lid 3 BW vervatte formele vereiste inhoudende dat een goedkeuringsverzoek moet zijn ingediend binnen de in dat artikel genoemde termijn van twee jaar.

14. Namens [huurder] is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling voorts gesteld dat beide partijen ten aanzien van de aanvullende overeenkomst hebben gedwaald, daar waar zij aanvankelijk ervan uitgingen dat BP slechts beperkte rechten op het door BP aan [huurder] verhuurde tankstation kon doen gelden terwijl dit later een onjuiste voorstelling van zaken is gebleken. De kantonrechter overweegt dat een beroep in rechte op een vernietigingsgrond weliswaar ook in een verzoekschriftprocedure kan worden aanvaard (HR 25-10-1996, NJ 1997,68), doch dat dit verweer naar het oordeel van de kantonrechter niet kan worden gehonoreerd. Daartoe overweegt de kantonrechter dat niet aannemelijk is geworden dat partijen bij een juiste voorstelling van zaken anders zouden zijn overeengekomen. Daartoe heeft de kantonrechter in de eerste plaats in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat BP zonder deze wederzijdse dwaling wel zou hebben willen instemmen met een langere verlenging van de aanvangsovereenkomst. Reeds in het inleidende gezamenlijke verzoekschrift wordt - kennelijk namens BP - gesteld dat ook gelet op het gegeven dat [huurder] als huurder geen, in ieder geval een zeer beperkt, risico op verlies van investeringen in het gehuurde heeft, BP geen reden heeft om de (semi)dwingendrechtelijke regeling van titel 4 afdeling 6 van Boek 7 BW van toepassing te laten zijn op deze overeenkomst. Een en ander strookt met hetgeen namens BP ook ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren is gebracht. Anders dan [huurder] kennelijk heeft willen betogen houdt de kantonrechter het ervoor - het tegendeel is door [huurder] niet aangetoond noch aannemelijk gemaakt - dat de koppeling met de huurovereenkomst c.q de vergunning op grond waarvan BP rechten op het verkooppunt zou hebben derhalve zeker niet de enige reden voor BP was om de aanvangsovereenkomst slechts met één jaar te willen verlengen. Gesteld noch gebleken is verder dat [huurder] zich tegen de door BP voorgestane verlenging van uitsluitend één jaar bij een juiste voorstelling van zaken ook daadwerkelijk zou hebben verzet. Consequentie daarvan zou immers zijn geweest dat het aan BP vrij zou hebben gestaan om van [huurder] te vergen dat hij het tankstation uiterlijk op 31 december 2006 zou hebben ontruimd. De kantonrechter vermag niet in te zien dat dit in het belang van [huurder] zou zijn geweest. Het rechtsgevolg van artikel 7:301 lid 1 BW zou ook alsdan niet zijn ingetreden.

15. De kantonrechter overweegt dat de door BP verzochte goedkeuring in beginsel een aantasting betekent van de rechten van [huurder] die hij aan titel 4 afdeling 6 hoofdstuk 7 BW kan ontlenen. [huurder] zou immers zonder het onderhavige afwijkend beding vervat in artikel 4 van de bijzondere voorwaarden aanspraak kunnen maken op een huurperiode van 5 jaar en op deze overeenkomst zouden de artikelen 7:291-300 BW van toepassing zijn. Voornoemd artikel 4 maakt hierop evenwel belangrijke uitzonderingen, daar waar de duur van de overeenkomst wordt beperkt tot een jaar en [huurder] zonder voorafgaande opzegging en zonder eventuele rechterlijke bemoeienis voor ontruiming moet zorgdragen. Daartegenover staat evenwel dat op zichzelf door de verlenging van een jaar geen wezenlijke verandering komt in de contractuele verhouding tussen partijen zoals die gold ten tijde van de aanvangsovereenkomst van 22 maanden. Nu door BP voorts onweersproken is gesteld dat [huurder] niet of nauwelijks heeft hoeven te investeren om de exploitatie van het tankstation mogelijk te maken ziet de kantonrechter het een en ander overziend onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de overeengekomen duur van de verlenging de rechten van [huurder] wezenlijk aantast. Naar het oordeel van de kantonrechter bestaat dan ook onvoldoende aanleiding om goedkeuring aan het onderhavige beding te onthouden.

16. De kantonrechter zal dan ook de verzochte goedkeuring geven.

De beslissing

De kantonrechter

Verleent aan BP goedkeuring van de in rechtsoverweging 8 vermelde huurbedingen.

Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 25 september 2007 in het openbaar uitgesproken.