Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB6512

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
98016 / KG ZA 07-322
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gedaagden hebben conservatoir beslag gelegd op een bedrijfspand. Dit pand is met dat beslag geleverd aan eiseres. Vervolgens is de vennootschap op wie gedaagden stellen een vordering te hebben gefailleerd. Anders dan eiseres stelt, kan er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van worden uitgegaan dat gedaagden nimmer een executoriale titel zullen verkrijgen tegen die vennootschap omdat deze niet meer bestaat op grond van art. 2:19 BW. Niet uitgesloten kan worden dat naar analogie van art. 2:23c lid 1 BW de vereffening moet worden heropend, omdat dit nodig is om de aanspraken van gedaagden vast te stellen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Burgerlijk Wetboek Boek 2 23c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2008, 33
JIN 2007/598
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

NB / HW

KG nummer: 98016 / KG ZA 07-322

datum: 25 oktober 2007

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

EISERES,

statutair gevestigd te Obdam,

EISERES IN KORT GEDING bij dagvaarding van 11 oktober 2007,

procureur mr. J. de Beurs,

tegen:

1. GEDAAGDE SUB 1,

wonende te Alkmaar,

2. GEDAAGDE SUB 2,

wonende te Schagen,

3. GEDAAGDE SUB 3,

wonende te Heerhugowaard,

4. GEDAAGDE SUB 4,

wonende te Schagen,

GEDAAGDEN IN KORT GEDING,

procureur mr. A. de Groot (ter zitting waargenomen door mr. T.E. Wolfswinkel).

Partijen zullen verder worden genoemd "[eiseres]" respectievelijk "[gedaagde] c.s.".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 16 oktober 2007 heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

[gedaagde] c.s. heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van [eiseres] de originele dagvaarding en van de zijde van [gedaagde] c.s. pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. DE UITGANGSPUNTEN

2.1 Op 23 juli 1999 heeft [gedaagde] c.s. ten laste van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijfsnaam][hierna: [bedrijfsnaam]] conservatoir beslag gelegd op het bedrijfsgebouw met 3 garages en erf, staande en gelegen aan de [adres] [hierna: het bedrijfsgebouw]. Dit beslag is op diezelfde datum rond 14.45 uur ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

2.2 Bij akte van levering van 23 juli 1999 is het bedrijfsgebouw door [bedrijfsnaam] geleverd aan [eiseres]. In die akte is onder meer opgenomen dat het bedrijfsgebouw niet is bezwaard met beslagen. De akte is die dag gepasseerd om 15.30 uur. Inschrijving van de akte in de registers heeft plaatsgevonden op 26 juli 1999.

2.3 [gedaagde] c.s. heeft bij dagvaarding van 6 augustus 1999 bij deze rechtbank een bodemprocedure tegen [bedrijfsnaam] aanhangig gemaakt.

2.4 Bij vonnis van 16 november 2000 van deze rechtbank is [bedrijfsnaam] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. B. Breederveld tot curator. De hiervoor vermelde bodemprocedure staat thans, in verband met dit faillissement, op de parkeerrol.

2.5 Op 22 oktober 2002 heeft er op verzoek van de curator in het faillissement van [bedrijfsnaam] een verificatievergadering plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Aan het proces-verbaal is een lijst van erkende schuldeisers gehecht, op welke lijst de vorderingen van [gedaagde] c.s. zijn opgenomen.

2.6 Tussen partijen is een kort geding bij deze rechtbank aanhangig geweest over de vraag of [gedaagde] c.s. gerechtigd was om het bedrijfsgebouw op basis van het proces-verbaal van de verificatievergadering executoriaal te verkopen. Bij vonnis van 24 november 2005 heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] c.s. op straffe van verbeurte van een dwangsom verboden om op basis van het hiervoor genoemde proces-verbaal van de verificatievergadering tot executie over te gaan jegens [eiseres].

2.7 Het faillissement van [bedrijfsnaam] heeft op 25 september 2007 een einde genomen doordat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

2.8 Ondanks verzoeken van de zijde van [eiseres] daartoe, weigert [gedaagde] c.s. het conservatoir beslag op het bedrijfsgebouw door te halen.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen:

- primair het ten verzoeke van [gedaagde] c.s. gelegde conservatoir beslag op het bedrijfsgebouw op te heffen;

- subsidiair het conservatoir beslag op het bedrijfsgebouw op te heffen, mits door of namens [eiseres] voor een bedrag van [euro]250.000,- zekerheid wordt gesteld door middel van een notariële depotstorting, welk bedrag, vermeerderd met rente, door de betreffende notaris aan [eiseres] zal worden uitgekeerd indien na verloop van drie jaar na de storting door [gedaagde] c.s. geen executoriale titel is verkregen jegens [bedrijfsnaam];

- meer subsidiair het conservatoir beslag op het bedrijfsgebouw op te heffen, mits door of namens [eiseres] een financiële zekerheid wordt gesteld die de voorzieningenrechter in goede justitie billijk voorkomt;

- [gedaagde] c.s. te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2 [eiseres] stelt hiertoe, zakelijk weergegeven, dat het ten verzoeke van [gedaagde] c.s. gelegde conservatoir beslag nimmer zal kunnen overgaan in een executoriaal beslag. Enerzijds levert het proces-verbaal van de verificatievergadering geen executoriale titel op, terwijl anderzijds de bodemprocedure tegen [bedrijfsnaam] niet kan worden hervat omdat die vennootschap door insolventie niet meer bestaat. Subsidiair is [eiseres] bereid om voldoende zekerheid te stellen. [eiseres], die het bedrijfsgebouw aan een derde heeft verkocht en wenst te leveren, stelt zich derhalve op het standpunt dat het beslag moet worden opgeheven.

3.3 [gedaagde] c.s. heeft verweer gevoerd. Hierop wordt bij de gronden van de beslissing, voor zover van belang, ingegaan.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

4.1 Aan de orde is de vraag of het conservatoir beslag dat [gedaagde] c.s. op het bedrijfsgebouw heeft doen leggen moet worden opgeheven, omdat dit beslag nimmer zou kunnen overgaan in een executoriaal beslag, zoals [eiseres] stelt.

4.2 Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] c.s. is dat [eiseres] geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Dit verweer wordt verworpen. Een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag is immers naar haar aard spoedeisend.

4.3 [eiseres] heeft in de eerste plaats aan haar primaire vordering ten grondslag gelegd dat het proces-verbaal van de verificatievergadering geen executoriale titel oplevert. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de vorderingen van [gedaagde] c.s. door de curator zijn erkend. De vraag is echter of [bedrijfsnaam] die vorderingen heeft betwist. Hoewel zulks niet duidelijk uit het proces-verbaal blijkt, is uit ambtshalve raadpleging van het faillissementsdossier gebleken dat mr. Van der Hooft namens [bedrijfsnaam] de vorderingen van [gedaagde] c.s. heeft betwist. Evenals de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 24 november 2005 heeft overwogen, wordt geoordeeld dat de betwisting van [bedrijfsnaam] ertoe leidt dat de grosse van het proces-verbaal van de verificatievergadering buiten het faillissement geen executoriale titel tegen [bedrijfsnaam] oplevert.

4.4 In de tweede plaats heeft [eiseres] aan haar primaire vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] c.s. in de bodemprocedure, die thans op de parkeerrol staat, nimmer een executoriale titel zal kunnen verkrijgen tegen [bedrijfsnaam]. [eiseres] stelt hiertoe dat [bedrijfsnaam] op grond van het bepaalde in artikel 2:19 lid 1 sub c BW door insolventie niet meer bestaat.

4.5 Indien het standpunt van [eiseres] wordt gevolgd, zou dit betekenen dat de aanspraken van [gedaagde] c.s., die zij met een executoriale titel nog kan verhalen op het bedrijfsgebouw, nimmer vastgesteld kunnen worden. Dit kan echter niet de bedoeling zijn. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden uitgesloten dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat naar analogie van het bepaalde in artikel 2:23c lid 1 BW de vereffening moet worden heropend, omdat dit nodig is om de aanspraken van [gedaagde] c.s. op [bedrijfsnaam] vast te stellen (zie noot Maeijer bij HR 11 oktober 1991, NJ 1992, 132). Derhalve kan er in deze procedure niet van worden uitgegaan dat [gedaagde] c.s. nimmer een executoriale titel tegen [bedrijfsnaam] zal verkrijgen.

4.6 Gelet op het vorenstaande wordt de primair gevorderde voorziening geweigerd.

4.7 Subsidiair heeft [eiseres] gevorderd dat het conservatoir beslag wordt opgeheven tegen zekerheidstelling. [eiseres] heeft aangeboden een bedrag van [euro]250.000,- in depot bij een notaris te storten. [gedaagde] c.s. heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering. Ter zitting is met partijen afgesproken dat op voornoemd bedrag in mindering strekt het bedrag dat blijkens de uitdelingslijst aan [gedaagde] c.s. is betaald, hetgeen de voorzieningenrechter zal onderzoeken door die lijst te raadplegen. Uit de uitdelingslijst is de voorzieningenrechter echter gebleken dat er niets aan [gedaagde] c.s. is voldaan. [eiseres] heeft voorts gevorderd dat de depotstorting na verloop van drie jaar aan haar moet worden uitgekeerd, indien [gedaagde] c.s. binnen die termijn geen executoriale titel tegen [bedrijfsnaam] heeft verkregen. Hiertegen heeft [gedaagde] c.s. (ook) geen verweer gevoerd, terwijl deze termijn de voorzieningenrechter redelijk voorkomt. De subsidiaire vordering is derhalve toewijsbaar.

4.8 Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- heft op het conservatoir beslag dat [gedaagde] c.s. op 23 juli 1999 op het aan [eiseres] in eigendom behorende bedrijfsgebouw, staande en gelegen aan de [adres] heeft doen leggen, mits door of namens [eiseres] voor een bedrag van [euro]250.000,- zekerheid wordt gesteld door middel van een notariële depotstorting, welk bedrag, vermeerderd met rente, door de betreffende notaris aan [eiseres] zal worden uitgekeerd indien na verloop van drie jaar na de storting door [gedaagde] c.s. geen executoriale titel is verkregen jegens [bedrijfsnaam];

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

- weigert de meer of anders gevorderde voorzieningen.

Gewezen door mr. H. Warnink, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2007 in tegenwoordigheid van Mr. N. Boots, griffier.