Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB5716

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
16-10-2007
Zaaknummer
96314 / FA RK 07-619
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek van de moeder om het na echtscheiding voortdurende gezamenlijk gezag te wijzigen in eenhoofdig gezag is toegewezen. De ouders hebben een problematische relatie met elkaar gehad, als gevolg waarvan onder meer de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen door de rechtbank is beëindigd. Voorts is de woonplaats van de vader thans onbekend. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande voldoende aannemelijk geworden dat de vader geen uitvoering geeft, dan wel zich onttrekt, aan de uitoefening van het gezamenlijk gezag. Als gevolg van de jarenlange juridische strijd is voldoende aannemelijk geworden dat de communicatieproblemen tussen de moeder en de vader zodanig ernstig zijn dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen klem en/of verloren zullen raken tussen de ouders, terwijl niet valt te verwachten dat daarin binnen afzienbare tijd verandering zal komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

BB

zaak- en rekestnummer: 96314 / FA RK 07-619

datum: 19 september 2007

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

NAAM VERZOEKSTER,

wonende te Enkhuizen,

verzoekende partij,

procureur: mr. H.D.S. Lasonder,

advocaat: mr. M. Dekker te Purmerend,

tegen:

NAAM GEREKWESTREERDE,

voorheen wonende te Almere, thans zonder bekende woon- en/of verblijfplaats hier ten lande of elders,

gerekwestreerde,

niet verschenen.

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de moeder en de vader.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 13 juli 2007 het verzoekschrift van de moeder ingekomen waarin wordt verzocht het gezamenlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat de moeder zal worden belast met het gezag over de minderjarigen [naam minderjarige 1], geboren in de gemeente Hoorn op [geboortedatum] en [naam minderjarige 2], geboren in de gemeente Hoorn op [geboortedatum].

De moeder heeft bij brieven van 22 augustus 2007 en 27 augustus 2007 nadere informatie verstrekt omtrent de vermoedelijke verblijfplaats van de vader.

De minderjarige [naam minderjarige 1] is opgeroepen voor een gesprek met de rechter, en is aldaar verschenen.

Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

De moeder voert als grond voor het verzoek aan dat het belang van de minderjarigen meebrengt dat het gezamenlijk gezag wordt gewijzigd in eenhoofdig gezag van de moeder, aangezien de tussen haar en de vader bestaande communicatieproblemen zo ernstig zijn dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen klem en/of verloren zullen raken tussen de ouders, terwijl niet te verwachten valt dat daarin binnen afzienbare tijd verandering zal komen. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de moeder (onder meer) de volgende stukken overgelegd:

- het echtscheidingsconvenant;

- de beschikking van 19 december 2001 van deze rechtbank, waarbij de vader in zijn verzoek tot nihilstelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen niet-ontvankelijk is verklaard;

- de beschikking van 28 november 2002 van het gerechtshof te Amsterdam, waarbij voormelde beschikking van 19 december 2001 is bekrachtigd;

- de beschikking van 28 juni 2006 van deze rechtbank, waarbij het verzoek van de vader tot nihilstelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen is afgewezen;

- het verzoekschrift van 9 september 2005 van de moeder tot wijziging van de omgangsregeling ex artikel 1:377a BW;

- het verweerschrift van 16 november 2005 van de vader betreffende wijziging van de omgangsregeling;

- het rapport van 30 mei 2006 van de Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar betreffende de omgangsregeling;

- de beschikking van 20 december 2006 van deze rechtbank, waarbij is bepaald dat de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen wordt beëindigd.

Het volgende staat vast.

De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 19 april 2000 tussen de moeder en de vader, op 4 november 1991 in de gemeente Enkhuizen gehuwd, echtscheiding uitgesproken. Die beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 20 juli 2000. Voorts is in die beschikking onder meer vastgelegd dat de ouders gezamenlijk belast blijven met het gezag over voornoemde minderjarigen.

Op grond van hetgeen uit bovengenoemde stukken kan worden opgemaakt ten aanzien van de (problematische) relatie van de ouders, alsmede de omstandigheid dat uit het uittreksel uit het GBA-register van de gemeente Almere blijkt dat de vader zich op 16 mei 2007 heeft laten uitschrijven naar onbekend, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de vader geen uitvoering geeft, dan wel zich onttrekt aan de uitoefening van het gezamenlijk gezag over de minderjarigen. Uit voormelde stukken is gebleken dat partijen een jarenlang durende juridische strijd hebben gevoerd, als gevolg waarvan voldoende aannemelijk geworden dat de communicatieproblemen tussen de vader en de moeder zodanig ernstig zijn dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen klem en/of verloren zullen raken tussen hun ouders, terwijl niet valt te verwachten dat daarin binnen afzienbare tijd verandering zal komen. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank de volgende voorziening in het gezag het meest in het belang van de betrokken minderjarigen.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Wijzigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2000 en bepaalt dat thans de moeder zal worden belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarigen [naam minderjarige 1], geboren in de gemeente Hoorn op [geboortedatum] en [naam minderjarige 2], geboren in de gemeente Hoorn op [geboortedatum. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.C. Oosterbroek, lid van gemelde kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.