Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB5173

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
08-10-2007
Datum publicatie
09-10-2007
Zaaknummer
14.980001-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Alkmaar verleent verlof tot tenuitvoerlegging van Britse strafoplegging + ontnemingsvordering. De rechtbank acht de tenuitvoerlegging van de aan de ontnemingsvordering gekoppelde vervangende vrijheidsontneming niet verenigbaar met het Nederlandse recht, nu naar Nederlands recht sinds 1 september 2003 geen vervangende vrijheidsontneming meer mogelijk is, maar in plaats daarvan de mogelijkheid bestaat tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : WTS-I-2005005484 (14.980001-07)

Datum uitspraak: 8 oktober 2007

OP TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank te Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] in 1958,

laatstelijk wonende te [adres verdachte],

gedetineerd in [detentieadres gedetineerde],

hierna te noemen: de veroordeelde

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 september 2007.

1. De vordering.

Op 10 april 2007 is ter griffie van de rechtbank ontvangen de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Alkmaar gedateerd 10 april 2007 strekkende tot verlening van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van:

- een ten aanzien van de veroordeelde gewezen onherroepelijke rechterlijke beslissing van het Crown Court te Hull (Groot-Brittanië) d.d. 18 juni 2004, waarbij deze is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien(16) jaren wegens- zakelijk weergegeven – de invoer van verdovende middelen, te weten 8 kg cocaïne en 262 kg cannabis.(Hierna ook te noemen: beslissing A)

- een ten aanzien van de veroordeelde gewezen onherroepelijke rechterlijke beslissing van het Magistrates Court te Hull (Groot-Brittanië) d.d. 22 juni 2006, waarbij deze is veroordeeld tot een vervangende vrijheidsontneming voor de duur van 730 dagen wegens het in gebreke blijven van betaling van een bedrag tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ad £ 97.446,94, welke sanctie is opgelegd door het Crown Court te Hull (Groot-Brittannië). (Hierna ook te noemen: beslissing B). De veroordeelde is in gebreke gesteld voor een bedrag van £ 97.446,94, welk bedrag overeenkomt met € 144.451,45.

2. De identiteit van de veroordeelde.

Uit de overgelegde stukken en de eigen opgave van veroordeelde is gebleken, dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit en onderdaan van Nederland is.

3. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Bij het onderzoek ter genoemde terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in zijn vordering.

4. De mogelijkheid van tenuitvoerlegging in Nederland van de buitenlandse rechterlijke beslissingen.

De Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna te noemen: WOTS) voorziet in samenhang met de hierna te noemen Verdragen in de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging van in Groot-Brittannië gewezen strafvonnissen in Nederland.

Ter fine van die tenuitvoerlegging voorziet het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983, Trb. 1983, 74, hierna te noemen het Verdrag, in de mogelijkheid tot overbrenging van een veroordeelde vanuit Groot-Brittannië naar Nederland. Bij dit Verdrag immers zijn zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk van Groot- Brittannië en Noord-Ierland partij en geldt dat het Verdrag voor beide landen in werking is getreden.

5. Standpunt van het Openbaar Ministerie en de verdediging.

Zowel de officier van justitie als de raadsman van veroordeelde hebben het standpunt ingenomen dat overname van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van zestien(16) jaren, opgelegd door het Crown Court te Hull, toelaatbaar is.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting te dien aanzien een gevangenisstraf voor de duur van acht(8) jaren gevorderd, hetgeen betekent dat veroordeelde op grond van de regeling omtrent vervroegde invrijheidsstelling en na aftrek van de tijd die veroordeelde in Engeland in voorlopige hechtenis en ter fine van executie van de hem opgelegde straf en in Nederland op grond van de WOTS heeft gezeten, in beginsel in de maand december 2010 in vrijheid zou worden gesteld.

De raadsman van veroordeelde is van oordeel dat, gelet op de in Nederland gebruikelijke straffen voor opzettelijk handelen in strijd met de artikelen 2 aanhef en onder A en 3 aanhef en onder A van de Opiumwet en tevens rekening houdend met internationale gevoeligheden, een gevangenisstraf van zes jaren voldoende recht doet aan de ernst van de feiten.

Ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de vervangende vrijheidsbeneming voor de duur van 730 dagen heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toelaatbaarverklaring van de tenuitvoerlegging van het aan de vervangende vrijheidsbeneming ten grondslag liggende vonnis ter ontneming van het wederrechtelijk genoten voordeel en heeft hij tevens gevorderd aan [naam verdachte] de verplichting op te leggen tot betaling van € 144.451,45 ter ontneming van het wederrechtelijk genoten voordeel. Indien de executie van deze beslissing daartoe aanleiding zou geven, kan de rechtbank op vordering van de officier van justitie lijfsdwang opleggen.

De raadsman deelt mede in te stemmen met de visie van de officier van justitie.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het Crown Court te Hull bij de bepaling van de hoogte van het bedrag onvoldoende heeft meegewogen

- het gebrek aan informatie ten aanzien van de financiële positie van veroordeelde, veroorzaakt door onwillige (ex)relaties in Nederland;

- dat het zijn cliënt aan financiële middelen ontbreekt om zelfs maar de rente van het gevorderde bedrag te kunnen opbrengen.

De raadsman refereert zich overigens ten aanzien van de bepaling van de hoogte van het te ontnemen bedrag aan het oordeel van de rechtbank.

6. De toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging.

6.1 Allereerst stelt de rechtbank vast dat de overgelegde stukken voldoen aan de door het toepasselijke verdrag gestelde voorwaarden.

6.2 Blijkens de brief d.d. 27 juli 2006 van de National Offender Management Service (hierna te noemen: NOMS) en een zich bij de stukken bevindend document, genaamd “Repatriation of prisoners sentence details” zou veroordeelde met betrekking tot de gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren automatisch vervroegd in vrijheid worden gesteld op 26 juli 2014 en mogelijk reeds eerder, namelijk op of na 25 november 2011 “on Parole”. Bovendien komen alle in Groot-Brittannië gedetineerde buitenlanders, die niet voor een zeden en/of geweldsdelict zijn veroordeeld en die in aanmerking komen voor uitzetting, in principe reeds 135 dagen voor de ommekomst van de helft van de straf vrij.

Na het uitzitten van deze straf zou veroordeelde aansluitend de 730 dagen vervangende vrijheidsontneming moeten ondergaan, hetgeen betekent dat hij de helft daarvan, derhalve 365 dagen, moet zitten. Uitgaande van de voorwaardelijke invrijheidstelling ten aanzien van de gevangenisstraf van 16 jaren op 25 november 2011, zou de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis een aanvang nemen op 25 november 2011. Dat betekent dat is voldaan aan de eis dat het strafrestant nog tenminste zes(6) maanden dient te zijn.

6.3 De veroordeelde heeft bij schriftelijke verklaring d.d. 22 november 2004 de wens te kennen gegeven naar Nederland te worden overgebracht, teneinde daar het restant van de tegen hem uitgesproken veroordeling te ondergaan.

6.4 Nederland en Groot-Brittannië stemmen in met de overdacht van de tenuitvoerlegging en met de overbrenging van de veroordeelde, blijkens de inhoud van de zich in het dossier bevindende stukken.

6.5 De rechtbank overweegt ten aanzien van de beslissing A als volgt:

Het feit waarvoor [naam verdachte] is veroordeeld is in het recht van Groot Brittannië strafbaar gesteld op grond van artikel 170(2) van de Customs and Excise Management Act 1979 en artikel 3(1) van The Misuse of Drugs Act 1971.

Het materiële feitencomplex dat aan de rechterlijke beslissing van het Crown Court te Hull (Groot-Brittannië) d.d. 18 juni 2004 ten grondslag ligt, wordt, voor zover naar Nederlands recht strafbaar, door de rechtbank gekwalificeerd als opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

De rechtbank is gebleken dat de overgelegde stukken voldoen aan de door het toepasselijke verdrag gestelde voorwaarden en dat overigens geen der gronden zoals omschreven in artikel 30 lid 1 aanhef en onder b, c en d van de WOTS zich voordoet.

De tenuitvoerlegging ten aanzien van de vrijheidsbenemende sanctie voor de duur van 16 jaar dient derhalve toelaatbaar te worden geacht.

6.6 De rechtbank overweegt ten aanzien van beslissing B als volgt.

De Engelse autoriteiten hebben verzocht om overname van de tenuitvoerlegging van de vervangende vrijheidsontneming voor de duur van 730 dagen, welke is opgelegd door het Magistrates Court te Hull (Groot Brittannië) op 22 juni 2006 ter vervanging van een eerder uitgesproken “confiscation order”. De rechtbank is van oordeel dat deze sanctie begrepen moet worden onder het sanctiebegrip van artikel 1 WOTS en dat derhalve artikel 31 WOTS van toepassing is. De vraag of deze veroordeling naar aard en duur verenigbaar is met het Nederlands recht en zo nee, welke straf of maatregel naar Nederlands recht op het overeenkomstige feit is gesteld, nu het Nederlands recht geen vervangende vrijheidsontneming kent, komt pas aan de orde na de beslissing ten aanzien van de toelaatbaarheid van de overname.

De rechtbank is gebleken dat de overgelegde stukken voldoen aan de door het toepasselijke verdrag gestelde voorwaarden en dat overigens geen der gronden zoals omschreven in artikel 30 lid 1 aanhef en onder b, c en d van de WOTS zich in casu voordoet.

De tenuitvoerlegging ten aanzien van de vrijheidsbenemende sanctie voor de duur van 730 dagen dient derhalve toelaatbaar geacht te worden.

7. De toepasselijke verdragsbepalingen en wetsartikelen.

Van toepassing zijn:

de artikelen 2, 3, 28, 30, 31 en 31a van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen,

de artikelen 3, 4, 5, 6, 7, 9 en 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen en

de artikelen 36e en 57 van het Wetboek van Strafrecht,

de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

8. Oplegging van de sanctie welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld.

8.1 De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van beslissing A, gelet op het voorgaande en op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de veroordeelde, naar Nederlands recht geen andere straf op haar plaats is dan een die vrijheidsbeneming met zich brengt.

8.2 Bij de bepaling van de strafmaat neemt de rechtbank voorts in overweging dat veroordeelde de feiten waarvoor hij is veroordeeld – de invoer van cocaïne en cannabis – heeft gepleegd in Groot Brittannië. Cocaïne en cannabisproducten zijn voor de gezondheid gevaarlijke stoffen. Het gebruik van genoemde drugs pleegt gepaard te gaan met velerlei negatieve maatschappelijke effecten. Verdachte heeft deze feiten begaan met het oog op het verkrijgen van materieel gewin.

8.3 De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen vrijheidsbenemende straf enerzijds rekening met de straf die in Nederland gebruikelijk voor dit soort feiten wordt opgelegd en anderzijds met de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten in Groot-Brittannië als een zwaardere inbreuk op de openbare orde worden beschouwd dan in Nederland. Door zich in dit land aan voornoemde misdrijven schuldig te maken heeft veroordeelde het risico genomen daarvoor zwaarder te worden bestraft dan in Nederland, welk risico voor zijn rekening dient te komen. De op te leggen straf zal om die reden hoger zijn dan in Nederland onder overeenkomstige omstandigheden gebruikelijk is. Tenslotte houdt de rechtbank ook meer in het bijzonder rekening met de hier van toepassing zijnde, in

Nederland geldende, regeling met betrekking tot de vervroegde invrijheidsstelling, alsmede de datum waarop veroordeelde naar verwachting in Groot Brittannië in vrijheid zou worden gesteld indien hij zijn straf aldaar verder had moeten uitzitten.

8.4 Op grond van al het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

8.5 Ten aanzien van beslissing B stelt de rechtbank vast dat de ontnemingsbeslissing is genomen en de betalingsverplichting is opgelegd in verband met het plegen van strafbare feiten, zoals hiervoor onder 8.2 en 8.3 besproken. Veroordeelde heeft, zo blijkt uit de brief van 27 juli 2006 van de NOMS, naar Engels recht de mogelijkheid alsnog te betalen met als gevolg dat de vervangende vrijheidsontneming (eerder) eindigt. Dat recht zou vervallen indien de Engelse vrijheidsontnemende sanctie wordt vervangen door een Nederlandse gevangenisstraf voor de duur van 730 dagen.

Het gaat hier om vervangende vrijheidsontneming voor het niet betalen van het bij rechterlijk vonnis opgelegde ontnemingsbedrag. Naar Nederlands recht is sinds 1 september 2003 geen vervangende vrijheidsontneming meer mogelijk, maar bestaat wel de mogelijkheid – op vordering van de officier van justitie – verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang. Daartoe is in artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering een aparte rechtsgang opgenomen. Deze komt evenwel pas aan de orde indien volledige betaling is uitgebleven en volledig verhaal niet mogelijk is gebleken. Gronden die aanleiding zouden geven een lager ontnemingsbedrag vast te stellen dan aanvankelijk geschied, kunnen in het kader van de in artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering voorzien procedure worden aangevoerd.

Hieruit volgt dat de sanctie naar haar aard niet verenigbaar is met Nederlands recht. De rechtbank is derhalve van oordeel dat, gelet op de in Engeland gegeven rechterlijke beslissing, de Nederlandse wetgeving terzake en de tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en Nederland van toepassing zijnde Verdragen, de op te leggen sanctie gesteld moet worden op betaling van het equivalent in euro’s van het pro resto ontnemingsbedrag als opgelegd door het Crown Court te Hull, zijnde € 144.451,45, waarna het aan de veroordeelde en de officier van justitie is in het kader van de tenuitvoerlegging van de sanctie gebruik te maken van de hiervoor genoemde in de wet geregelde voorzieningen.

9. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Crown Court te Hull (Groot-Brittannië) d.d. 18 juni 2004 met betrekking tot de gevangenisstraf voor de duur van zestien(16) jaren toelaatbaar;

- verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van die beslissing (voorzover de veroordeelde daarbij is veroordeeld tot een vrijheidsstraf);

- legt aan de veroordeelde [verdachte], voornoemd, op een gevangenisstraf voor de duur van ACHT(8) JAREN, terzake de in het vonnis van 18 juni 2004 ten laste van hem bewezen verklaarde feiten;

- beveelt dat de tijd gedurende welke de veroordeelde in Engeland ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie en in het kader van voorlopige hechtenis alsmede de tijd die hij uit hoofde van de Overleveringswet en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht;

- verklaart toelaatbaar de tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Magistrates Court te Hull d.d. 22 juni 2006;

- verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van die beslissing;

- legt aan de veroordeelde, [naam verdachte] voornoemd, de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 144.451,45 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. de Klerk, voorzitter,

mrs. N.O.P. Roché en S.N. Schipper, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2007.