Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB4894

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
05-10-2007
Zaaknummer
07/451
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder mocht er vanuit gaan dat eiser minstens 1225 uur als zelfstandige had gewerkt, gelet op de omstandigheden van het geval. De verrichte werkzaamheden dienen te worden gekwalificeerd als arbeid in de zin van de WW; herziening en terugvordering van de uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 07/451 WW

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[eiser],

wonende te Den Helder,

eiser,

gemachtigde mr. A.J.J. van der Heiden,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) (districtskantoor Alkmaar),

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 30 juni 2006 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) wordt herzien over de periode van 1 januari 1998 tot en met 25 juli 2001 omdat eiser met ingang van 1 januari 1998 als zelfstandige heeft gewerkt en verweerder daarover niet heeft ingelicht. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 5 februari 2007 ongegrond verklaard. Eiser heeft bij brief van 19 februari 2007 tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 12 juni 2007, waar eiser is verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. C. Roele.

Motivering

1. De rechtbank dient in deze zaak te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden eisers uitkering op grond van de WW heeft herzien over de periode van 1 januari 1998 tot en met 25 juli 2001 omdat eiser vanaf 1 januari 1998 minimaal 1225 uren per jaar werkzaam was als zelfstandige zonder verweerder hierover in te lichten.

2. Voor de beoordeling is de volgende regelgeving met name van belang.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de WW, is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

Ingevolge artikel 15 van de WW, heeft de werknemer met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 en de daarop berustende bepalingen, die werkloos is recht op uitkering.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW, eindigt het recht op uitkering:

a. voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest;

b. voor zover de werknemer niet langer werkloos is;

In het tweede lid van artikel 20 van de WW, is bepaald dat voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is het recht op uitkering eindigt terzake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd.

In het derde lid van artikel 20 van de WW, is bepaald dat voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel b, van toepassing is, het recht op uitkering eindigt ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij arbeid als werknemer verricht dan wel ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar is voor arbeid dan het aantal arbeidsuren dat hij heeft verloren.

Ingevolge artikel 25 van de WW, is de werknemer verplicht aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald. Deze verplichting geldt niet, voor zover een recht op uitkering niet geldend kan worden gemaakt als gevolg van een blijvend gehele weigering.

Ingevolge artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, herziet het UWV, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, een dergelijk besluit of trekt het dat in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

In het tweede lid van artikel 22a van de WW, is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan nu hij sinds 1 januari 1998 als zelfstandige werkzaam is en verweerder hierover niet heeft geïnformeerd. Omdat eiser vanaf die datum naar een te hoog bedrag uitkering heeft ontvangen heeft verweerder eisers WW-uitkering met 23,55 uren per week gekort en over de periode van 1 januari 1998 tot en met 25 juli 2001 van eiser een bedrag teruggevorderd. Verweerder baseert zijn standpunt op informatie van de belastingdienst waaruit blijkt dat eiser in zijn aangifteformulieren voor de inkomstenbelasting over de jaren 1998, 1999, 2000, 2002, 2003 de zelfstandigenaftrek heeft opgevoerd. Om voor zelfstandigenaftrek in aanmerking te komen dient de belastingplichtige minimaal 1225 uren per jaar als zelfstandige te hebben gewerkt, zodat dit volgens verweerder voor eiser betekent dat hij vanaf 1998 minimaal 1225 uren per jaar als zelfstandige werkzaam is geweest. Voorts baseert verweerder zich op de verklaringen die zijn afgelegd ten overstaan van opsporingsfunctionarissen van het UWV. Met name aan de verklaring van eisers boekhouder wordt door verweerder gewicht toegekend. Dat eiser heeft aangevoerd dat hij feitelijk tien uren per week werkzaamheden heeft verricht in het bedrijf van zijn echtgenote, is volgens verweerder onvoldoende komen vast te staan. Het wordt weersproken door de boekhouder en door de dochter van eiser. Aldus verweerder.

4. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder er ten onrechte van uit gaat dat eiser uit eigen beweging had moeten meedelen dat hij ongeveer tien uren per week hand- en spandiensten verrichtte in de zaak van zijn echtgenote en dat hij de zelfstandigenaftrek bij zijn belastingaangifte opvoerde. Eiser stelt zich immers op het standpunt dat hij niet wist dat hij de werkzaamheden die hij verrichtte voor zijn echtgenote diende te melden, nu hij daarvoor geen vergoeding ontving. Voorts stelt eiser dat hij er evenmin mee bekend was dat hij, om voor de zelfstandigenaftrek in aanmerking te komen, minimaal 1225 uren per jaar als zelfstandige gewerkt diende te hebben. Zijn boekhouder heeft de zelfstandigenaftrek voor hem bij de belastingdienst opgegeven en eiser stelt niet bekend geweest te zijn met de gevolgen daarvan. Tenslotte heeft eiser nog aangevoerd dat verweerder zich niet mag baseren op hetgeen eiser aan de belastingdienst heeft opgegeven, maar moet uitgaan van de feitelijke situatie. Dit laatste betekent volgens eiser dat verweerder voor de herziening moet uitgaan van tien gewerkte uren per week.

5. De rechtbank stelt voorop dat gelet op de standpunten van partijen het geschil zich toespitst op de vraag of verweerder voor de herziening van eisers WW-uitkering mag uitgaan van 1225 gewerkte uren per jaar of moet uitgaan van door eiser gestelde feitelijk gewerkte uren van ongeveer tien uren per week. Voor de beoordeling van deze vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft door tussenkomst van zijn boekhouder aan de belastingdienst over de jaren 1998, 1999, 2000, 2002 en 2003 de zelfstandigenaftrek opgevoerd en aangegeven winst uit onderneming te hebben. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat het op de overzichtbiljetten van de belastingdienst voorkomende sofinummer, zijn nummer betreft. Eiser heeft – zo heeft hij ter zitting desgevraagd bevestigd – de claim van de zelfstandigenaftrek bij de Belastingdienst niet ongedaan gemaakt. Aan verweerder heeft eiser voorts nimmer meegedeeld dat hij vanaf 1998 werkzaamheden verrichtte voor zijn echtgenote en vanaf 1 januari 2003, met zijn echtgenote, staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) als vennoot van de V.o.f. Nuscool.

6. De rechtbank overweegt het volgende. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden mocht verweerder er naar het oordeel van de rechtbank vanuit gaan dat eiser minstens 1225 uren per jaar als zelfstandige heeft gewerkt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit anders is. De rechtbank overweegt dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij maar tien uur per week werkte. De rechtbank neemt daarbij naast voornoemde feiten en omstandigheden in aanmerking dat blijkens het onderzoeksrapport “fysiek WAO controle” van 21 oktober 2004 de dochter van eiser aan een rapporteur van het UWV heeft medegedeeld dat “haar vader iedere dag pas rond 18.00 uur thuis is, omdat hij de hele dag werkt” (zie gedingstuk 1A). Voorts betrekt de rechtbank in haar oordeel dat eiser voor de aangifte van zijn inkomstenbelasting gebruik heeft gemaakt van de diensten van een boekhouder, die in zijn verklaring van 16 augustus 2006 ten overstaan van een beëdigd opsporingsambtenaar heeft verklaard dat hij altijd overleg heeft gevoerd met eiser en eiser er nadrukkelijk op heeft gewezen wat de zelfstandigenaftrek inhoudt en dat het opvoeren ervan impliceert dat hij minstens 1225 uren in zijn onderneming moet werken. Dit is voor eiser geen reden geweest om van de zelfstandigenaftrek af te zien noch deze achteraf ongedaan te maken. Dat eiser wat betreft dit laatste heeft aangevoerd dat dit geen zin zou hebben kan de rechtbank niet volgen, nu eiser daarmee afstand had kunnen nemen van de claim van 1225 als zelfstandige gewerkte uren per jaar. Overigens merkt de rechtbank in dit verband nog op dat eiser zich er niet op kan beroepen dat hij zijn boekhouder de vrije hand heeft gegeven bij het invullen van de aangifteformulieren voor de belastingdienst, zodat eventuele daaruit voortvloeiende onjuistheden hem niet kunnen worden aangerekend. Eiser heeft er zelf voor gekozen hiervoor een boekhouder in te schakelen en daarom komen de gevolgen daarvan voor zijn rekening.

Voorts verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 maart 1996, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer ZB6185, waarin is bepaald dat verweerder uit het opvoeren van de zelfstandigenaftrek niet zonder meer mag afleiden dat eiser 1225 uren als zelfstandige heeft gewerkt. Echter, nu eiser naast de zelfstandigenaftrek tevens als persoonlijk arbeidsinkomen winst uit onderneming heeft opgevoerd, mag verweerder er van uit gaan dat eiser een onderneming dreef. Nu eiser daarnaast zelf onduidelijkheid heeft laten bestaan over het aantal gewerkte uren per week en hetgeen eiser stelt bovendien wordt tegengesproken door zijn boekhouder, heeft verweerder zich – onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 14 juli 2004, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer AR1541 – moeten en mogen baseren op een schatting. Het risico van eventuele onjuistheden van die schatting komen in dat geval voor risico van eiser.

7. Het argument van eiser dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij de werkzaamheden in het bedrijf van zijn echtgenote niet aan verweerder hoefde mee te delen omdat hij daarvoor geen inkomsten genoot, verwerpt de rechtbank. Uit vaste rechtspraak van de CRvB – zie hiervoor ondermeer de uitspraak van de CRvB van 8 september 2004, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer AR2727 – volgt dat als arbeid in de zin van WW wordt aangemerkt die activiteiten in het economisch verkeer worden verricht en waarmee het verkrijgen van geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. Van de activiteiten die eiser voor zijn echtgenote verrichtte kan op basis van dit criterium worden gezegd dat het arbeid betreft in de zin van de WW, nu het daadwerkelijk activiteiten betreffen die samenhangen met de aard van het bedrijf.

8. Tot slot stelt de rechtbank stelt vast dat eiser ter zitting nog heeft aangevoerd dat verweerder bij de vaststelling van de hoogte van het terugvorderingsbedrag rekening moet houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder het feit dat de echtgenote van eiser met haar onderneming nimmer groot financieel voordeel heeft gehad en daarnaast de omvang van eisers werkzaamheden slechts heeft bestaan uit het verrichten van hand- en spandiensten. In dit verband merkt de rechtbank op dat eiser geen rechtsmiddel (geen bezwaarschrift) tegen het terugvorderingsbesluit van 20 juli 2006 heeft aangewend, zodat de terugvordering niet ter bespreking van de rechtbank staat. Voor zover voornoemde gronden betrekking hebben op de herziening ziet de rechtbank hierin, met verweerder, geen dringende reden om van de herziening af te zien. De rechtbank is van dergelijke redenen evenmin anderszins gebleken.

9. Op grond van al het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat eiser voor de verrichte werkzaamheden voor zijn echtgenote en voor zijn eigen ondernemerschap vanaf 2003 als zelfstandige werkzaam is geweest. Verweerder heeft daaraan terecht de conclusie verbonden dat eiser daarmee het werknemerschap heeft verloren over die uren, zodat de WW-uitkering moet worden gekort over die uren. Verweerder heeft voorts een juiste uitvoering gegeven aan artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW door eisers WW-uitkering te herzien wegens het schenden van de inlichtingenverplichting. De rechtbank ziet daarom geen reden voor vernietiging van het bestreden besluit zodat de rechtbank het beroep ongegrond zal verklaren. Voor een veroordeling in de proceskosten is onder deze omstandigheden geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2007 door mr. J. Blokland, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Verlinden, griffier.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.