Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2007:BB4872

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-09-2007
Datum publicatie
04-10-2007
Zaaknummer
07/2184
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Over de vraag of de verweerder gehouden is om op de voet van art.49 Wet op de Ruimtelijke Orderning schade te vergoeden heeft verweerder aldus ook nog niet kunnen besluiten. Gelet op artikel 49, lid 2, van de WRO kan verweerder het verzoek namelijk wel in behandeling nemen, maar niet eerder dan nadat genoemde besluiten rechtskracht hebben verkregen daarover een besluit nemen. Aldus is ten aanzien van de planschadevergoeding niet aan het connexiteitsvereiste van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb voldaan. Het verzoek voor zover het betreft het vaststellen van een voorschot op de verzochte planschadevergoeding is daarom niet ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 07/2184 WW44

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van:

[namen]

wonende te Andijk,

verzoekers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Andijk,

verweerder.

Als partij heeft aan het geding deelgenomen de vergunninghouder, USP-Vastgoed B.V., gevestigd te Hoorn, gemachtigde mr. W. de Vis.

Ontstaan en loop van de zaak

Verweerder heeft op 12 december 2006 besloten vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO) te verlenen van het geldende bestemmingsplan “Landelijke Buurten Oost 1985” teneinde het bouwplan “Mantelhof” te kunnen realiseren. Dit bouwplan omvat het oprichten van 67 woningen aan de [adres] te Andijk.

Verweerders besluit is bij brief, gedateerd 18 december 2006 en verzonden op 22 december 2006, bekendgemaakt aan verzoekers, die bij brief van 22 september 2006 hun zienswijze kenbaar hadden gemaakt.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 20 juni 2007 het door verzoekers tegen dat besluit ingestelde beroep (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 29 juni 2007 hebben verzoekers tegen die uitspraak verzet gedaan. Tevens hebben zij verzocht om een voorlopige voorziening.

Bij op 2 augustus 2007 aan de aanvrager verzonden besluit heeft verweerder aan USP Vastgoed B.V. reguliere bouwvergunning verleend voor de bouw van 36 geschakelde woningen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Andijk, sectie L, nr. 347 (ged), 839, 1120 (ged) 1173, 1174 (ged) en 1176 (ged), gelegen aan de [adres] te Andijk. (hierna: het perceel)

Bij op 8 augustus verzonden brief heeft verweerder dit besluit aan verzoekers bekendgemaakt. Bij brief van 10 augustus 2007 hebben verzoekers tegen dat besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Daarbij hebben zij een verzoek tot planschadevergoeding gedaan.

Ter zitting van 16 augustus 2007, waarbij het verzet en het verzoek van 29 juni 2007 aan de orde waren, hebben verzoekers het verzet en verzoek ingetrokken en is de brief van 10 augustus 2007 aangemerkt als een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening.

Bij faxbericht van 21 augustus 2007 heeft verweerder (aanvullend) stukken ingezonden.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld ter zitting van 27 augustus 2007.

Verzoekers zijn in persoon verschenen.

Verweerder is vertegenwoordigd door [naam] en [naam].

USP Vastgoed is verschenen bij [naam] en de gemachtigde.

Motivering

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor eiser uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Het antwoord op de vraag of er sprake is van een nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening is in belangrijke mate mede afhankelijk van een -voorlopig- oordeel omtrent de vraag of op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het in de bodemprocedure bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Het verzoek strekt ertoe dat de werkzaamheden ten behoeve van het bouwrijp maken van het perceel, (gedeeltelijk) worden gestaakt, totdat op het bezwaarschrift van verzoekers is beslist. Het gaat verzoekers daarbij met name om de beoogde bebouwing achter hun woning en de demping van de aldaar aanwezig sloot. Voorts menen verzoekers recht te hebben op planschadevergoeding. Zij verzoeken, als voorlopige voorziening, een voorschot daarop vast te stellen.

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers, die wonen in de woning [adres] te Andijk van waaruit zij direct zicht hebben op het perceel, belanghebbenden zijn bij het aan de orde zijnde bouwplan. Dat zij de woning te koop hebben aangeboden doet daar niet aan af. Daar waar verzoekers stellen als gevolg van het bouwplan in financiële problemen te geraken, staat ook belang bij het verzoek om een voorschot op (plan-)schadevergoeding als voorlopige voorziening voldoende vast.

Planologisch regime:

4. Ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Bestemmingsplan Landelijke Buurten Oost 1985” rust op het perceel de bestemming “agrarische handels- en hulpbedrijven”. Artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften bepaalt dat gronden met die bestemming zijn bestemd voor agrarische handels- en hulpbedrijven (…) met de daarbij behorende bouwwerken, (…). In artikel 10, tweede lid van de planvoorschriften is ten aanzien van de bebouwing – ondermeer, voor zover thans van belang - bepaald dat het op de kaart aangegeven bebouwingpercentage (80%) van de voor bebouwing bestemde oppervlakte bedraagt. Ook staat vast dat de maximale goothoogte 6 meter bedraagt.

Ten aanzien van de verzochte bouwstop:

5. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Teneinde verwezenlijking van het bouwplan mogelijk te maken, heeft verweerder, met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

6. De voorzieningenrechter overweegt dat het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO een bevoegdheid is. Verweerder dient de met de uitoefening van die bevoegdheid gemoeide belangen af te wegen en vervolgens tot het al dan niet uitoefenen van die bevoegdheid beslissen. Uit het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb vloeit voort dat de rechter zich bij de toetsing van die belangenafweging door verweerder moet beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot verlening van de vrijstelling heeft kunnen komen.

7. De bezwaren tegen de bouwplannen, en de daarmee gepaard gaande demping van een sloot, zien met name op het teloorgaan van het door verzoekers zo gewaardeerde uitzicht vanuit hun woning aan de [adres] te Andijk en de als gevolg daarvan optredende waardevermindering van die woning. Deze woning staat sinds begin 2005 te koop maar is, ondanks een vermindering van de vraagprijs, tot heden niet verkoopbaar gebleken. Verzoekers wijten dat aan de voorgenomen bouw, de voorbereidende activiteiten, de in hun ogen onzorgvuldige procedure tot nu toe en verweerders woningbouwbeleid. Voorts bestaat onduidelijkheid over de omvang van de uiteindelijke bebouwing. Er is vrijstelling verleend voor de bouw van 67 woningen, maar bouwvergunning voor (slechts ) 36 woningen. Verzoekers richten zich met name tegen de bouw van woningen (direct) achter hun woning en volharden in hun zienswijzen tegen de voorgenomen vrijstelling en bouwvergunning. Ter zitting hebben zij te kennen gegeven het plan voor het overige, voor zover niet achter hun woning gelegen, een mooi plan te vinden waar ze geen bezwaren tegen hebben.

8. Verweerder en de vergunninghouder hebben toegelicht dat de in augustus 2004 gepresenteerde plannen de visie van de ontwikkelende partij betrof en niet die van de gemeente. De thans voorliggende bouwplannen zijn gebaseerd op het door de raad vastgestelde Beeldkwaliteitplan Andijk. Binnen de mogelijkheden van het oude planologische regime was het toegestaan om achter [adres] bebouwing op te richten. Naar de mening van verweerder heeft het verplaatsen van de bedrijfsactiviteiten van het destijds aldaar gevestigde bedrijf Mantel Holland een positief effect, zodat, gelet op de mogelijkheden binnen het bestaande planologische regime, er eerder van een verbetering dan van een verslechtering van de ruimtelijke situatie sprake is.

9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is aan de formele voorwaarden voor toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO in dit geval voldaan. Verweerder is bevoegd om die vrijstelling voor het bouwplan te verlenen. De voor de vrijstelling vereiste ruimtelijke onderbouwing voor het project is opgenomen in de “Ruimtelijke onderbouwing ex art 19 lid 2 WRO Mantelhof” van 22 augustus 2006. Tegen die onderbouwing hebben verzoekers geen gronden gericht. De voorzieningenrechter ziet thans in hetgeen verzoekers hebben aangedragen dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet op een afdoende ruimtelijke onderbouwing rust.

10. De stellingen van verzoekers begrijpt de voorzieningenrechter aldus dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen, omdat door de realisering van het bouwplan het woongenot van verzoekers kan worden aangetast zoals hiervoor ten aanzien van het uitzicht en de waarde van die woning is vermeld. Voor zover aan de orde acht de voorzieningenrechter deze aantasting niet van een zodanige omvang dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de vrijstelling te verlenen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij realisatie van het bouwplan Mantelhof.

11. Ten aanzien van de stelling van verzoekers dat de verleende vrijstelling en bouwvergunning een waardedaling van hun woning tot gevolg heeft, overweegt de voorzieningenrechter dat – indien dat het geval zou zijn – dat op zichzelf geen reden hoeft te zijn voor verweerder om de voor het bouwplan vereiste vrijstelling te weigeren. In artikel 49 van de WRO is immers voorzien in een aparte regeling voor de vergoeding van schade als gevolg van besluiten zoals een verleende vrijstelling.

12. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de vrijstelling en de bouwvergunning ten onrechte zijn verleend. Voor het treffen van een voorlopige voorziening, in die zin dat de voorbereidende bouwactiviteiten zouden moeten worden opgeschort, is dan ook geen aanleiding.

Ten aanzien van het planschadeverzoek en het voorschot

13. Ingevolge artikel 49, eerste lid aanhef en onder b, van de WRO kennen, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 17 of 19, schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, burgemeester en wethouders hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Ingevolge artikel 49, tweede lid, van de WRO, moet een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in het eerste lid, onder b, moet worden ingediend binnen vijf jaar nadat het desbetreffende besluit onherroepelijk is geworden. (..)

14. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO moet worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologisch regime waardoor de betrokkene in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe moeten de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen worden vergeleken met het voordien geldende planologisch regime. Daarbij dienen de maximale bebouwingsmogelijkheden van bestemmingsplan Landelijke Buurten Oost 1985 te worden vergeleken met de met de vrijstelling ontstane mogelijkheden, waarbij de feitelijke situatie (verandering) geen rol van betekenis heeft.

15. Verzoekers hebben recentelijk een officieel planschadeverzoek ingediend en het verschuldigde (drempel-)recht voldaan. De voorzieningenrechter stelt evenwel vast dat de volgens verzoekers schadeveroorzakende besluiten, de bouwvergunning en daaraan voorafgaande vrijstelling, nog niet onherroepelijk zijn. Over de vraag of de verweerder gehouden is om op de voet van art. 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening schade te vergoeden heeft verweerder aldus ook nog niet kunnen besluiten. Gelet op artikel 49, lid 2, van de WRO kan verweerder het verzoek namelijk wel in behandeling nemen, maar niet eerder dan nadat genoemde besluiten rechtskracht hebben verkregen daarover een besluit nemen.

16 Aldus is ten aanzien van de planschadevergoeding niet aan het connexiteitsvereiste van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb voldaan. Immers eerst indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Het verzoek voor zover het betreft het vaststellen van een voorschot op de verzochte planschadevergoeding is daarom niet ontvankelijk.

17. Overigens zal in de regel eerst een voorschot op een schadevergoeding kunnen worden vastgesteld indien vaststaat dat sprake is van schade en de verplichting tot vergoeding daarvan, maar nog verschil bestaat over de hoogte van de schadevergoeding. De voorlopige voorzieningenprocedure leent zich er ook niet voor daarop vooruit te lopen. In het onderhavige geval staan de gestelde schade, schadeoorzaak en vergoedingsplicht nog geenszins vast. Los van de hiervoor gegeven maatstaf van vergelijking van de planologische regimes, stellen verzoekers immers ook andere omstandigheden, zoals het woonbeleid van de gemeente Andijk, als oorzaak van de schade.

18. Nu het verzoek deels wordt afgewezen en deels niet-ontvankelijk wordt verklaard, is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (bouwstop) ten aanzien van de bouwvergunning af;

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in het verzoek tot het vaststellen van een voorschot op

planschadevergoeding.

Deze uitspraak is gedaan op 10 september 2007 door mr. J. Blokland, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

C.H. Kuiper, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.